Pensioenaspecten Belastingplan 2008

 

VOORSTEL VAN WET (31205-2)

(…)

ARTIKEL VII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2009 als volgt gewijzigd:

A. Artikel 11, eerste lid, onderdeel l, vervalt.

B In artikel 18a, derde lid, eerste volzin, wordt «het loon» vervangen door: het pensioengevend loon.

C. Na artikel 18g wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18ga

1. Als pensioengevend loon, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d en 18e, wordt ten hoogste een bedrag van € 185 000 in aanmerking genomen. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt dit bedrag verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.

2. Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

(…)

 

MEMORIE VAN TOELICHTING (31205-3)

(…)

12. Lastenverdeling

12.1. Aftopping pensioenopbouw

Er wordt een maximum gesteld aan het pensioengevend loon voor fiscaal gefacilieerde pensioenregelingen voor werknemers (de zogenoemde tweede pijler). Het beperken van de fiscaal gefacilieerde pensioenopbouw door het invoeren van een dergelijk maximum vindt plaats in het kader van een evenwichtige lastenverdeling en het streven naar houdbare overheidsfinanciën. Bij de Wet fiscale behandeling van pensioenen, op grond waarvan het zogenoemde Witteveenkader is ingevoerd, is ervoor gekozen om – anders dan in de derde pijler – geen maximum te stellen aan de grondslag voor de pensioenopbouw. Uitgangspunt bij de fiscale faciliering van pensioenopbouw in de tweede pijler is dat de vormgeving van de pensioenregeling zoveel mogelijk aan sociale partners wordt overgelaten. Daarbij is mede van belang dat bij de pensioenopbouw in de tweede pijler tegengestelde belangen een rol spelen die in beginsel eennatuurlijke rem op mogelijke bovenmatigheid vormen.
In de praktijk blijkt de pensioenopbouw in voorkomende gevallen echter over een dermate hoge grondslag plaats te vinden dat deze niet meer als hoofddoel het bieden van een oudedagsvoorziening heeft, maar er veel meer sprake is van vermogensopbouw. Daarom wordt voorgesteld om alsnog een maximum te stellen. Om recht te doen aan het hiervoor genoemde uitgangspunt wordt hierbij een ruime marge gehanteerd en is er bijvoorbeeld niet voor gekozen om aan te sluiten bij het maximum van de derde pijler, waar de eerder genoemde belangentegenstelling ontbreekt. Het blijft uiteraard mogelijk om ook een deel van het inkomen boven die grens «opzij te zetten» voor de oude dag, maar er is geen reden voor fiscale faciliëring. Door een maximum te stellen aan het in aanmerking te nemen pensioengevend loon, wordt tevens de (fiscaal gefacilieerde) ruimte voor (inhaal)stortingen boven deze grens beperkt.
Het maximum in aanmerking te nemen pensioengevend loon wordt gesteld op € 185 000. Deze grens zal jaarlijks worden geïndexeerd. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd zal het maximum pensioengevend loon per dienstbetrekking worden verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Hiermee wordt voorkomen dat iemand met bijvoorbeeld twee «halve» dienstbetrekkingen bij twee verschillende werkgevers ook twee keer het maximum aan pensioengevend loon in aanmerking kan nemen.
De voorgestelde maatregel houdt in dat de omkeerregel (aanspraken vrijgesteld, uitkeringen belast) niet langer van toepassing is op pensioenregelingen waarbij de pensioenopbouw plaatsvindt op basis van een hoger pensioengevend loon dan € 185 000. Het is wel mogelijk om, na een daartoe door de werkgever ingediend verzoek, de regeling te splitsen in een gedeelte met fiscale faciliëring en een gedeelte zonder fiscale faciliëring. Voor de pensioenopbouw die plaatsvindt in het deel zonder fiscale faciliëring (dus over een pensioengevend loon boven de € 185 000) is de omkeerregel dan niet van toepassing; dit deel van de pensioenaanspraken wordt belast met loonbelasting. Dit deel van de pensioenaanspraak is vervolgens belast in box 3. De fiscale behandeling van pensioenopbouw over inkomen boven de grens verschilt daarmee niet van de behandeling van ander vermogen. Arbeidscontracten en pensioenregelingen zullen in voorkomende gevallen waarschijnlijk worden aangepast aan het met betrekking tot het pensioengevend loon gestelde maximum (waardoor geen splitsing hoeft plaats te vinden).
Voorgesteld wordt om het aan het pensioengevend loon te stellen maximum in werking te laten treden per 1 januari 2009. Er is dan nog ruim een jaar de tijd voor eventuele aanpassing van de pensioenregelingen aan dit maximum en voor eventuele onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden. Indien werkgever(s) en werknemer(s) ervoor kiezen bij de pensioenopbouw uit te blijven gaan van een hoger pensioengevend loon dan € 185 000, is er in dat geval nog voldoende tijd om te voldoen aan de voorwaarden voor de hiervoor genoemde splitsing van de pensioenaanspraak; het verzoek tot splitsing kan tot uiterlijk 1 januari 2009 – het eerste moment van overschrijding van de begrenzing – worden ingediend bij de inspecteur.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in het verleden, dus vóór 1 januari 2009, opgebouwde pensioenaanspraken – ook voor zover deze zijn gebaseerd op een hoger pensioengevend loon dan € 185 000 – uiteraard worden gerespecteerd.
Ten slotte wordt opgemerkt dat de voorgestelde maatregel in beginsel ook gevolgen heeft voor werknemers die in Nederland worden gedetacheerd. Wij zijn echter voornemens te bezien in hoeverre het wenselijk is om werknemers die vanuit een andere EU-lidstaat in Nederland worden gedetacheerd en onderworpen blijven aan de sociale-verzekeringswetgeving van de lidstaat van oorsprong krachtens de artikelen 14, eerste lid, en 17 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 197121 bij beleidsbesluit de mogelijkheid te bieden om de deelname aan de buitenlandse pensioenregeling ongewijzigd – zonder toets aan de in Nederland geldende begrenzingen – voort te zetten met dezelfde fiscale faciliëring als in hun eigen land.

(…)

21. Nalevingseffecten en milieueffecten voor bedrijfsleven en burger

(…)

Effecten bedrijfsleven overige maatregelen Belastingplan 2008

(…)

De maatregel in de loonbelasting met betrekking tot de maximering van het pensioengevend loon betekent een eenmalige verzwaring van de administratieve lasten bedrijfsleven in 2009 omdat pensioenregelingen moeten worden aangepast. Deze verzwaring bedraagt € 0,75 miljoen.

(…)

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

(…)

Artikel VII

(…)

Artikel VII, onderdeel B (artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964)

Met de vervanging van de term «loon» in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB 1964 door de term «pensioengevend loon», wordt dit artikelonderdeel in overeenstemming gebracht met de overige onderdelen van artikel 18a van de Wet LB 1964. Tevens wordt hiermee voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat met betrekking tot de vraag of de voorgestelde maximering van het pensioengevend loon in het nieuwe artikel 18ga van de Wet LB 1964 ook geldt voor de pensioenopbouw bij toepassing van een beschikbarepremieregeling.
Met de wijziging van het derde lid is verder geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel VII, onderdeel C (artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964)

Met deze wijziging wordt bereikt dat de fiscale faciliëring van pensioenen door middel van de omkeerregel (aanspraken vrijgesteld, uitkeringen belast) alleen nog wordt verleend indien het inkomen dat als basis dient voor de pensioenopbouw – het pensioengevend loon – maximaal € 185 000 bedraagt. Indien pensioen wordt opgebouwd over een hoger inkomen zal – ingeval geen gebruik wordt gemaakt van de in artikel 18, derde lid, van de Wet LB 1964 opgenomen mogelijkheid tot splitsing van de pensioenaanspraak – de volledige aanspraak worden belast (waarna deze de box-1-sfeer verlaat en overgaat naar box 3). Indien voldaan wordt aan de voorwaarden van splitsing van artikel 18, derde lid, van de Wet LB 1964, wordt alleen het deel van de pensioenopbouw dat ziet op het pensioengevend loon boven de € 185 000 belast en wordt alleen de waarde van dit deel van de aanspraak vervolgens overgeheveld naar box 3.
Het bedrag van € 185 000 is inclusief de AOW-franchise, zodat in alle gevallen maximaal kan worden uitgegaan van het bedrag van € 185 000 (dus onafhankelijk van de hoogte van de feitelijk toegepaste franchise). Dit kan met het volgende voorbeeld worden geïllustreerd, waarbij wordt uitgegaan van de franchisemethode:

Stel werknemer X heeft een salaris van € 200 000 en de ingevolge artikel 18a, achtste lid, van de Wet LB 1964 minimaal toe te passen AOW-franchise bedraagt € 12 000 (de AOW-uitkering die wordt ingebouwd is dan € 8 400). In dat geval bedraagt de maximaal in aanmerking te nemen pensioengrondslag: € 185 000 minus € 12 000 = € 173 000.
Stel de werkgever hanteert een hogere AOW-franchise dan de ingevolge artikel 18a, achtste lid, van de Wet LB 1964 minimaal toe te passen AOW-franchise, bijvoorbeeld een AOW-franchise van € 17 000; in dat geval bedraagt de pensioengrondslag € 185 000 minus € 17 000 = € 168 000.
In beide gevallen, dus onafhankelijk van de hoogte van de toegepaste AOW-franchise, is het pensioengevend loon dus (maximaal) € 185 000.

Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het maximumbedrag aan pensioengevend loon verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Stel dus dat een werknemer twee deeltijdbetrekkingen heeft, bij werkgever X werkt hij voor 50% en bij werkgever Y voor 25%; dan bedraagt zijn maximumbedrag aan pensioengevend loon bij werkgever X: 50% van € 185 000 = € 92 500, en bij werkgever Y: 25% van € 185 000 = € 46 250.
De inwerkingtreding van deze bepaling per 1 januari 2009 betekent dat na die datum ook geen backservice meer mogelijk is over de jaren vóór 2009 voorzover die backservice betrekking heeft op loonstijgingen na 1 januari 2009 boven een loon van € 185 000. Stel een werknemer heeft op 31 december 2008 een pensioengevend loon van € 150 000 in een eindloonregeling en in 2010 stijgt zijn salaris naar € 250 000, dan kan hij ook over de jaren vóór 2009 alleen nog backservicerechten krijgen over het verschil tussen € 185 000 en € 150 000. Backservice die betrekking heeft op loonstijgingen boven € 185 000 die hebben plaatsgevonden vóór 2009 is uiteraard nog wel (fiscaal gefacilieerd) mogelijk. Dit volgt ook uit artikel 38b van de Wet LB 1964. Ook in het verleden, dus vóór 1 januari 2009, reeds opgebouwde pensioenaanspraken – ook voor zover deze zijn gebaseerd op een hoger pensioengevend loon dan € 185 000 – worden uiteraard gerespecteerd.
Op grond van het tweede lid wordt het bedrag van het maximale pensioengevend loon jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet IB 2001. Daarbij zal worden afgerond op gehele getallen.

 

ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT (31205-4)

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 10 september 2007 en het nader rapport d.d. 17 september 2007, aangeboden aan de Koningin door de staatssecretaris van Financiën, mede namens de minister van Financiën. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

(…)

7. Pensioenopbouw
a. Voorgesteld wordt de voorwaarden voor pensioenregelingen, waarvoor de «omkeerregeling» geldt, aan te passen op grond waarvan pensioenenregelingen die zien op pensioenen met een pensioengrondslag van € 185 000 of meer, niet meer kwalificeren; die pensioenregelingen zullen als «onzuivere» pensioenregelingen worden aangemerkt. Voor onzuivere pensioenregelingen geldt dat de (volledige) aanspraken op pensioen bij de werknemer belast zijn.
Het voorstel wordt gemotiveerd door er op te wijzen dat vanaf een bepaalde grondslag de opbouw van pensioen niet meer als hoofddoel het bieden van een oudedagsvoorziening heeft, maar dat er veel meer sprake is van vermogensopbouw. Zonder nadere motivering wordt vervolgens het omslagpunt op € 185 000 gelegd.
Het voorstel opent opnieuw de discussie over de grens waarbij oudedagsvoorzieningen eindigen. Deze discussie is ook met betrekking tot de Brede herwaardering (Wet van 12 december 1991, Stb. 697) gevoerd. Centraal daarbij stond het uitgangspunt van het zogenoemde natuurlijk maximum, dat de Brede herwaardering vanaf het begin beheerst heeft; niemand zal meer «echte» oudedagsvoorziening treffen dan hij noodzakelijk vindt, omdat hij het geld voor die voorziening kwijt is. Tijdens de parlementaire behandeling is het natuurlijk maximum uiteindelijk geconcretiseerd in een tranchesysteem dat als cijfermatige invulling van het natuurlijk maximum kan gelden. De regeling is thans opgenomen in artikel 3.127 Wet IB 2001 en kent een maximum premiegrondslag van € 150 957.
In de toelichting is geen aandacht gegeven aan de omstandigheid, dat reeds eerder «echte» oudedagsvoorzieningen zijn begrensd. Nu ook ten aanzien van pensioenen wordt voorgesteld onderscheid te maken tussen oudedagsvoorziening en vermogensvorming, hoe arbitrair deze grens ook is, is er reden aansluiting te zoeken bij de eerdere discussie daaromtrent. Harmonisatie van beide regelingen lijkt hierbij op haar plaats.
De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen, alsmede de maximale pensioengrondslag die geldt voor een zuivere pensioenregeling, en de maximum premiegrondslag op elkaar af te stemmen.

b. In de toelichting is geen aandacht gegeven aan de gevolgen voor werknemers die tijdelijk in Nederland gedetacheerd zijn. De arbeidsvoorwaarden zijn in deze gevallen mogelijk afgestemd gebleven op de oorspronkelijke (buitenlandse) voorwaarden, waaronder een pensioenregeling met een grondslag boven € 185 000. Artikel 19d, onderdeel c, Wet LB 1964 biedt een mogelijkheid voor aanwijzing van die regeling als pensioenregeling. Twijfel kan echter bestaan of zodanige regeling nog voldoet aan de voorwaarde dat de buitenlandse regeling moet zijn gebaseerd op een wettelijke regeling, welke naar aard en strekking overeenkomt met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting (artikel 1.7, tweede lid, onderdeel c, Wet IB 2001).
De Raad adviseert in de toelichting deze twijfel weg te nemen en alsnog aandacht te geven aan dit aspect.

7. Pensioenopbouw
De Raad merkt op dat het omslagpunt waarbij de opbouw van pensioen niet meer als hoofddoel het bieden van een oudedagsvoorziening maar van vermogensopbouw heeft, zonder nadere motivering op een bedrag van € 185 000 wordt gelegd. De Raad wijst in dit verband op het feit dat bij de pensioenopbouw in de derde pijler reeds sprake is van een begrenzing (maximum premiegrondslag van € 150 957; deze maximumpremiegrondslag wordt – als gevolg van de in aanmerking te nemen franchise van € 10 990 – bereikt bij een inkomen van € 161 947 (cijfers 2007)). De Raad adviseert om de regeling in de tweede pijler en de regeling in de derde pijler op dit punt op elkaar af te stemmen.

Naar aanleiding van het advies van de Raad is de memorie van toelichting aangevuld. Het advies van de Raad om de regeling in de tweede pijler en de regeling in de derde pijler op dit punt op elkaar af te stemmen is echter niet opgevolgd. Er zijn goede redenen voor het op dit punt bestaande verschil.1 Het verkleinen van dat verschil neemt die redenen niet weg.

Volledigheidshalve merken wij op dat de maximumpremiegrondslag in de derde pijler per 1 januari 2008 wordt verlaagd met € 47 700 naar € 103 257 ingeval het voorstel van wet van de leden Depla en Blok houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld tot wet wordt verheven; de maximumpremiegrondslag wordt dan bereikt bij een inkomen van € 113 247.2

De Raad adviseert verder om in de toelichting aandacht te geven aan de gevolgen voor werknemers die tijdelijk in Nederland gedetacheerd zijn. De toelichting is op dit punt aangevuld.

1Kamerstukken II 2006/07, 30 413, nr. 100.) 2Kamerstukken 30 432.

(…)

 

VERSLAG (31205-8)

(…)

Lastenverdeling

In het kader lastenverdeling onder Pijler IV, de Sociale Samenhang, stelt de regering twee maatregelen voor. Enerzijds wordt vanaf 1 januari 2009 een maximum van € 185 000 gesteld aan het pensioengevend loon voor fiscaal gefacilieerde pensioenregelingen voor werknemers. De maatregel houdt in dat de «omkeerregel» (aanspraken vrijgesteld, uitkeringen belast) niet langer van toepassing is boven de € 185 000. Anderzijds wordt het eigenwoningforfait aangepast door het loslaten van het plafond en het verhogen van het percentage voor de waarde van de eigen woning boven de € 1,0 miljoen.
Zowel in de algemene politieke beschouwingen als in de algemene financiële beschouwingen hebben de leden van de CDA-fractie reeds hun aarzelingen uitgesproken omtrent deze maatregelen. Wel hebben genoemde leden bij monde van hun woordvoerder alternatieve maatregelen aangedragen die meer specifiek aangrijpen bij gevallen van excessieve beloningen. De regering heeft toegezegd met een brief te zullen komen, die een nadere beoordeling zal geven van de maatregelen uit het Belastingplan en de alternatieven zoals door de genoemde leden zijn aangedragen. De leden van de CDA-fractie zullen pas naar aanleiding van deze brief een definitief oordeel over de genoemde maatregelen vormen.
Met betrekking tot de voorgestelde beperking van pensioenbijdrage rijst nog wel de volgende feitelijke vraag. Het is volgens het wetsvoorstel wel mogelijk om, na een daartoe door de werkgever ingediend verzoek, bestaande pensioen regelingen voor inkomens boven de € 185 000 te splitsen in een gedeelte met fiscale faciliëring en een gedeelte zonder fiscale faciliëring. Voor de pensioenopbouw die plaatsvindt in het deel zonder fiscale faciliëring (dus over een pensioengevend loon boven de 185 000 euro) is de omkeerregel dan niet van toepassing; dit deel van de pensioenaanspraken wordt direct belast met loonbelasting. Kan de regering (gekwantificeerd) aangeven wat de administratieve lasten zijn van de noodzaak van deze splitsing voor het bedrijfsleven en voor de pensioenfondsen?

De leden van de VVD-fractie waren in hoge mate verbaasd bij het lezen van deze twee voorstellen. Kan de regering, anders dan de zeer beperkte budgettaire effecten, nadere argumenten aangeven die haar tot deze keuze hebben gebracht?

De leden van de fractie van GroenLinks zijn verheugd met de aftopping van de pensioenopbouw en de aanpassing van het eigenwoningforfait. Deze leden menen dat deze twee maatregelen heel goed passen in het kabinets- en CDA-motto «de sterkste schouders de zwaarste lasten». De leden zijn ook verheugd dat de regering hoe dan ook aan deze maatregelen vasthoudt en dat er geen sprake kan zijn van een uitruil tussen deze maatregelen en fiscale maatregelen om buitensporige beloningen van topmanagers af te romen. De leden van de fractie van GroenLinks zijn echter teleurgesteld in de uitermate terughoudende opstelling van de regering om zelfs maar fiscale maatregelen in kaart te brengen die wat doen aan de buitensporige beloningen van topmanagers. Deze leden hopen dat de regering de wens van de meerderheid van de Kamer om wél met maatregelen te komen ter harte neemt en deze leden kijken dan ook verwachtingsvol uit naar de toegezegde brief over dit onderwerp.

Aftopping pensioenopbouw

De aftopping van de pensioenopbouw is een goed voorbeeld van het principe van de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten. De leden van de fractie van de PvdA zouden alleen graag een onderbouwing ontvangen van de budgettaire opbrengst van de voorgestelde maatregel.
Tevens vragen zij wat de (financiële) gevolgen op de korte termijn en de lange termijn zijn.

Waarom is de grens van € 185 000 gekozen? Is dit een willekeurige grens of heeft dit een specifieke onderbouwing? Zo ja, dan zouden de leden van SP-fractie deze graag vernemen.

Waarom is bij de aftopping van de pensioenopbouw het bedrag voor de fiscale facilitering van het pensioengevend loon van € 185 000 gebaseerd? De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat hier een principiële wending in onze pensioengeschiedenis wordt gemaakt: de omkeerregeling met een grote verantwoordelijkheid bij het maken van pensioenafspraken door de sociale partners wordt op de tocht gezet. Bovendien is het gevaar van precedentwerking groot. Nu een grens van € 185 000, mogelijk in 2010 een verlaging naar € 150 000 en bij een mogelijk toekomstig kabinet Marijnissen/Bos/Balkenende een verdere verlaging naar € 100 000. Onderkent de regering dat hier uiteindelijk geen sprake is van extra belastinginkomsten, maar slechts van het naar voren halen van belastingheffing? Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om eerst ten principale de discussie te voeren over de verhouding tussen vermogensopbouw en oudedagsvoorziening? Kan de regering aangeven of dit voorstel een positieve bijdrage levert aan de ambitie onder de vlag «Holland Financial Center»? Kan dit voorstel bij verhuizing naar het buitenland niet tot dubbele belasting leiden?
Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie een raming te geven van de administratieve lasten waar de pensioenuitvoerders mee opgezadeld worden i.v.m. de splitsingsproblematiek.

(…)

 

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG (31205-9)

(…)

Inleiding

(…)

De leden van de fractie van de VVD vragen verder naar de inwerkingtredingsdata van verschillende maatregelen. Hierbij noemen zij als voorbeeld de invoering van de verpakkingenbelasting per 1 januari 2008. Bij de inwerkingtredingsdata van de maatregelen in dit belastingplan is aandacht besteed aan de implementatietijd die voor de Belastingdienst vereist is, maar zijn uiteraard ook de aanpassingen die het bedrijfsleven moet doen in ogenschouw genomen. Zo treedt de aftopping van de pensioengrondslag per 1 januari 2009 in werking om de praktijk de tijd te geven om de vereiste aanpassingen te doen.

(…)

Aftopping pensioenopbouw

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet nadere argumenten kan aangeven die tot de keuze hebben geleid om de pensioenopbouw af te toppen.
Het kabinet is van mening dat pensioenopbouw vanaf een bepaalde grondslag niet meer als hoofddoel heeft het bieden van een oudedagsvoorziening maar meer het karakter heeft van vermogensopbouw. Voorzover sprake is van vermogensopbouw, ligt de toepassing van een fiscale faciliteit naar het oordeel van het kabinet niet voor de hand. Daarnaast levert deze maatregel een bijdrage aan houdbare overheidsfinanciën. In dit kader wordt tevens verwezen naar de brief die u binnenkort zult ontvangen met betrekking tot topinkomens.

De leden van de fractie van de PvdA vragen een onderbouwing van de budgettaire opbrengst van deze maatregel. Daarbij vragen zij tevens wat de (financiële) gevolgen op de korte en de lange termijn zijn. De leden van de fractie van de VVD vragen of bij deze maatregel uiteindelijk geen sprake is van extra belastinginkomsten, maar slechts van het naar voren halen van belastingheffing.
De voorgestelde maatregel heeft een budgettaire opbrengst omdat de omkeerregel een fiscaal voordeel biedt. De voorgestelde maatregel beperkt dit fiscale voordeel voor inkomens boven de € 185 000. De voorgestelde maatregel leidt in de eerste jaren uitsluitend tot een opbrengst, omdat een deel van de premies niet meer aftrekbaar is. In latere jaren staat daar tegenover dat over een deel van de pensioenuitkeringen geen belasting meer wordt geheven. Daarnaast is er een extra belastingopbrengst in box 3, omdat het vermogen dat wordt gevormd uit het niet meer aftrekbare deel van de pensioenpremie niet meer vrijgesteld is van de forfaitaire rendementsheffing.
Bij een maatregel als deze, waarbij het budgettaire effect van jaar tot jaar verschilt, worden de jaareffecten op één noemer gebracht door het begrip netto contante waarde. Dit bedrag is te beschouwen als de ruimte die er is voor lastenverlichting waarbij op lange termijn de overheidsschuld gelijk blijft. De netto contante waarde van deze maatregel is € 60 miljoen. Dit is de budgettaire opbrengst van de maatregel.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom de grens van € 185 000 is gekozen. Zij vragen zich af of dit een willekeurige grens is of dat er een specifieke onderbouwing is. Ook de leden van de fractie van de VVD vragen waarop dit bedrag is gebaseerd.
Voor de aftopmaatregel van pensioenen is gezocht naar een bedrag waarboven het hoofddoel van de voorziening niet meer overwegend bestaat uit het bieden van een oudedagsvoorziening maar meer sprake is van vermogensopbouw. Daarbij wil het kabinet een ruime marge geven aan sociale partners om afspraken te maken over de vormgeving van de pensioenregeling. De grens van € 185 000 komt overeen met een inkomen van ongeveer zes keer modaal en voldoet daarmee volgens het kabinet aan die uitgangspunten. Maar het kabinet beseft dat elke grens een arbitrair karakter heeft. Het ten principale voeren van de discussie over de verhouding tussen vermogensopbouw en oudedagsvoorziening, zoals de leden van de fractie van de VVD vragen, zou aan dat besef niet veel toevoegen.

Verder zien de leden van de fractie van de VVD door de introductie van een aftopgrens een gevaar van precedentwerking in de zin van een (steeds) verdere verlaging van de aftopgrens.
Naar aanleiding van de vraag van deze leden wil ik in de eerste plaats opmerken dat er uiteraard nooit een garantie is dat wetgeving in de toekomst niet wordt gewijzigd. Het maakt daarbij echter geen wezenlijk verschil of het gaat om de introductie van een grensbedrag of om een verlaging van een grensbedrag. De omstandigheid dat er straks sprake is van een grensbedrag, maakt de ruimte voor een lager grensbedrag in de toekomst in zoverre niet groter of kleiner dan in de situatie dat er nog helemaal geen grensbedrag zou zijn ingevoerd. Dit omdat beide wetswijziging vergen. Ik kan de leden van de fractie van de VVD echter meedelen dat er geen enkel voornemen is tot verlaging van de aftopgrens.

Tot slot vragen de leden van de fractie van de VVD of het kabinet kan aangeven of het voorstel tot aftopping van pensioen een positieve bijdrage levert aan de ambitie onder de vlag «Holland Financial Center». Deze leden vragen verder of dit voorstel bij verhuizing naar het buitenland niet tot dubbele belasting kan leiden.
Belastingverzwarende maatregelen zullen per definitie geen positieve invloed hebben op de ambities onder de vlag «Holland Financial Center» en het vestigingsklimaat. Dit geldt dus ook voor de aftopmaatregel. Dat wil niet zeggen dat ik de ambities om Nederland aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats voor ondernemingen en financiële instellingen niet deel. Om die reden zijn de afgelopen tijd meerdere maatregelen genomen die aan het vestigingsklimaat een directe, positieve bijdrage leveren. Daarbij valt onder meer te denken aan de verlaging van het tarief voor de vennootschapbelasting, de afschaffing van de kapitaalsbelasting en de introductie van de vrijgestelde beleggingsinstelling. Alhoewel het kabinet de ambities van Holland Financial Centre deelt, laat dat onverlet dat bij de bredere belangenafwegingen waar het kabinet voor staat, het vestigingsklimaat niet altijd de enige toetssteen kan zijn voor iedere afzonderlijke maatregel.
De vraag of dit voorstel bij verhuizing naar het buitenland tot dubbele belasting kan leiden, ziet op de situatie dat pensioen wordt opgebouwd over een loon hoger dan € 185 000. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van het belastingverdrag en de nationale wetgeving van het nieuwe woonland. Van dubbele heffing zal in ieder geval geen sprake zijn als het woonland dergelijke uitkeringen op dezelfde wijze behandelt als Nederland. Op grond van de Nederlandse wetgeving worden pensioenuitkeringen uit een buitenlandse pensioenregeling namelijk alleen belast indien en voorzover over de aanspraak nog geen belasting is geheven die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. Doorgaans zal in het buitenland op de pensioenuitkering de saldomethode, zoals in Nederland, van toepassing zijn. Indien de heffing is toegewezen aan het woonland, zal daarbij rekening worden gehouden met de reeds in Nederland belaste aanspraken door een aftrek daarvan toe te staan op de pensioenuitkering. Dubbele belasting zal zich in die gevallen dan ook niet voordoen.

De leden van de fracties van het CDA en de VVD vragen of een raming is te geven van de administratieve lasten voor de pensioenuitvoerders in verband met de splitsingsproblematiek.
Aan de aftopping van de pensioenopbouw zijn naar verwachting geen structurele administratieve lasten verbonden. Daaraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat van de mogelijkheid van splitsing slechts in uitzonderingsgevallen gebruik zal worden gemaakt. Er is uiteraard wel sprake van een eenmalige verzwaring van de administratieve lasten bedrijfsleven in 2009 omdat een groot aantal pensioenregelingen moet worden aangepast. Deze verzwaring bedraagt € 0,75 miljoen. De indirecte gevolgen van de aftopping liggen naar verwachting in de heroverweging van beloningen. Een dergelijke heroverweging wordt echter niet tot de administratieve lasten gerekend.

(…)

Ten slotte

(…)

De NOB vindt het opmerkelijk dat de aftoppingsmaatregel voor pensioenopbouw beperkt is tot pensioenopbouw in de tweede pijler en geeft het kabinet, om een evenwichtig oudedagsmodel te creëren, in overweging om bij de invulling van onderhavige regeling ook de oudedagsfaciliteiten in de derde pijler (lijfrenten) en de levensloopregeling in de beschouwing te betrekken.
Daarop kan worden gezegd dat voor de oudedagsvoorzieningen in de derde pijler reeds een aftopping van de maximaal in aanmerking te nemen premiegrondslag geldt. Het feit dat er niet voor is gekozen om de maximumgrondslag in de tweede pijler gelijk te stellen aan de (lagere) maximumgrondslag in de derde pijler, hangt samen met het uitgangspunt in de tweede pijler dat de vormgeving van de pensioenregeling zoveel mogelijk aan sociale partners wordt overgelaten en dat in de tweede pijler tegengestelde belangen een rol spelen die in beginsel een natuurlijke rem op mogelijke bovenmatigheid vormen. De levensloopregeling, die geen maximumgrondslag kent, is thans onderwerp van een verkenning naar aanleiding van de plannen tot verbreding van die regeling zoals opgenomen in het Coalitieakkoord.
In de opvatting van VNO-NCW en MKB-Nederland behoort de omkeerregel tot de primaire heffingsstructuur van belastingheffing en zou als basisregel dus moeten gelden dat opbouw van pensioen als uitgesteld loon daadwerkelijk niet wordt genoten.
Een pensioenaanspraak vormt loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en is dus in beginsel belast met loonbelasting. Alleen bij pensioenaanspraken die blijven binnen bepaalde in deze wet opgenomen begrenzingen, is – als uitzondering op deze hoofdregel – bepaald dat niet de aanspraak wordt belast, maar de uitkering (omkeerregel). Anders dan VNO-NCW en MKB-Nederland stellen, is het dus volledig in overeenstemming met de structuur van de Wet op de loonbelasting 1964 dat alleen voor aanspraken die aan bepaalde voorwaarden (het zogenoemde Witteveenkader) voldoen de omkeerregel wordt toegepast.

 

NOTA VAN WIJZIGING (31205-10)

(…)

2.

In artikel VII wordt na onderdeel C een onderdeel ingevoegd, luidende:

CA. In artikel 18h, eerste lid, wordt «de artikelen 18 tot en met 18g» vervangen door: de artikelen 18 tot en met 18ga.

(…)

Toelichting

(…)

II. ONDERDEELSGEWIJS

(…)

Onderdeel 2

Artikel VII, onderdeel CA (artikel 18h van de Wet op de loonbelasting 1964)

De onderhavige technische wijziging van artikel 18h van de Wet op de loonbelasting 1964 vloeit voort uit het voorgestelde artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting 1964, betreffende het aftoppen van pensioengevend loon. Artikel 18h bepaalt aan welke voorwaarden in eigen beheer gehouden pensioenen van directeur-grootaandeelhouders moeten voldoen om te kwalificeren als zuivere pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.

(…)

 

MOTIE VAN HET LID JULES KORTENHORST C.S. (31205-38)

Voorgesteld 21 november 2007

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat er weerstand bestaat tegen het voornemen, de aftrekbaarheid van pensioenpremies boven een bepaald inkomen te beperken;

overwegende, dat ook bij het bedrijfsleven bereidheid bestaat om excessieve beloningen langs fiscale weg te adresseren;

verzoekt het kabinet de voorgestelde maatregel inzake de beperking van de aftrekbaarheid van pensioenpremies te vervangen door (een) maatregel(en) die meer gericht zijn op excessieve beloningsbestanddelen en dezelfde opbrengst genereren, en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

Jules Kortenhorst
Cramer
Tang

 

VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG (31205-58)

Maandag 12 november 2007

Devaste commissie voor Financiën1 heeft op 12 november 2007 overleg gevoerd met staatssecretaris De Jager van Financiën over het Belastingplan 2008 (31 205) en het wetsvoorstel OFM 2008 (31 206) en met minister Bos van Financiën over De brief over de topinkomens.

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

(…)

(…)

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik heb begrip voor hetgeen de heer Remkes naar voren brengt, maar de ervaring leert dat de spreektijd achteraf bezien ook altijd indicatief is en nooit meer wordt dan dat. Dit ter geruststelling. Ik heb een ander punt van orde. Een uurtje voor dit debat hebben wij een brief van de minister van Financiën gekregen over de topinkomens. Dat is pikant: de directie Algemene fiscale politiek, ondertekend door de minister van Financiën. Hij heeft er kennelijk behoefte aan om alleen op zijn titel hierover een brief naar de Kamer te sturen. In het bijzonder wordt ingegaan op voorstellen die bij de algemene financiële beschouwingen zijn gedaan door de CDA-fractie ter vervanging van twee gewraakte voorstellen in het huidige Belastingplan. Deze brief roept bij mijn fractie zeer veel vragen op. Ik wil de minister van Financiën er eigenlijk over horen. Ik verzoek u, en ik leg dat aan de collega’s voor, ervoor te zorgen dat wij hierover vandaag met de minister van Financiën kunnen spreken, op een tijdstip dat ook handig is voor hem, want hij heeft het vast ook druk. Wat is de waarde van deze brief? Hoe moeten wij dit politiek duiden? Is dit een handreiking aan mijn buurman van het CDA of is het een kluitje in het riet? Ik heb zelf een amendement ingediend dat gaat over de fiscale behandeling van topinkomens. Ik wil toch wel een beetje weten met wat voor kabinet wij hier spreken. Ik vraag u dus om een extra blokje in te lassen met ook dan weer een indicatieve spreektijd.

De voorzitter: Ik zal de vraag aan de collega’s voorleggen. Ik denk wel dat het goed is om u te realiseren dat de staatssecretaris uiteraard namens de regering spreekt, dus dat hij ook namens de minister van Financiën kan spreken.

De heer Vendrik (GroenLinks): Waarom staat hij dan niet onder de brief? Het is een brief van de minister van Financiën. Als het zo duidelijk van hem afkomstig is, moeten wij het ook maar met hem doen.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik heb er begrip voor dat de heer Vendrik er vandaag weer een mooi politiek feestje van wil maken, maar wij hebben wel een hoop werk te doen. Er ligt een Belastingplan voor met een hoop maatregelen waarover wij inhoudelijk goed willen spreken. De heer Remkes heeft al gezegd dat hij zich zorgen maakt of wij wel voldoende tijd hebben vandaag. Als wij nu een extra feestje met minister Bos gaan inbouwen, ben ik bang dat dit ernstig tekort zal doen aan de kwaliteit van onze discussie.

De heer Tang (PvdA): Voor mij is dit een uitvloeisel van een toezegging die is gedaan bij de algemene financiële beschouwingen: vlak voor het Belastingplan zou er een brief verschijnen. Volgens mij is dat gebeurd. Ik zie daarin geen enkele reden om de minister van Financiën hierheen te halen, temeer daar wij al zo weinig tijd hebben.

De heer Remkes (VVD): Ik wil het verzoek van collega Vendrik ondersteunen. Ik heb net al gezegd dat als wij vandaag in tijdsproblemen komen, er wat mij betreft extra tijd wordt uitgetrokken.

De heer Irrgang (SP): Ik sluit mij aan bij de heren Vendrik en Remkes.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ook ik ondersteun het verzoek van mijn collega van GroenLinks.

De heer Tony van Dijck (PVV): Ik ook.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik hoef niet overal een mening over te hebben, toch?

De voorzitter: Zelf ben ik geneigd, mij aan te sluiten bij wat de heer Kortenhorst zei.

De heer Vendrik (GroenLinks): Volgens mij gaat de weging in procedurevergaderingen per lid. Ik constateer dan dat er een meerderheid is voor mijn voorstel. Ik vraag u, mijn verzoek door te geleiden zodat er vandaag op een goed moment een apart debat kan plaatsvinden over deze brief.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik denk dat het heel duidelijk is dat de meerderheid van de Kamer niet voor het voorstel van de heer Vendrik is.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat is niet relevant. De stemmenweging telt niet in commissies. Wat telt, is het aantal aanwezige leden en de daarin aanwezige meerderheden en minderheden. Ik constateer dan dat een meerderheid van vijf leden van de negen aanwezige leden mijn voorstel steunt. De minister van Financiën kan wat mij betreft dus worden uitgenodigd. Ik hoor graag het tijdstip waarop wij hem hier mogen ontvangen.

De voorzitter: Dank voor deze voor mij ingewikkelde opening! Ik ga het even op mijn gemak na, zodat ik goed beslagen ten ijs antwoord kan geven op het verzoek van de heer Vendrik. Ik stel voor, dat wij ondertussen beginnen met het afwerken van de blokken. Later komen wij terug op het verzoek van de heer Vendrik, die ik nu als eerste het woord wil geven over het eerste blok, Algemene inleiding.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Ik hoor aan het einde van dit blokje graag hoe het staat met uw bevinding. Ik ga er voorlopig maar van uit dat er een meerderheid in de commissie is om vandaag met de minister van Financiën over deze belangwekkende brief te kunnen spreken. Dit is namelijk precies het meest pregnante ontbrekende punt in het ons voorliggende Belastingplan 2008 en het wetsvoorstel over de fiscale maatregelen. De minister van Financiën heeft er bij gelegenheid van de algemene financiële beschouwingen een heel nummer over gemaakt. Hij zou echt iets gaan doen met de aanpak van topinkomens. Tegelijkertijd wordt er voortdurend een dubbel signaal afgegeven. Men slaat zichzelf op de borst dat men zo ver wil gaan en eindelijk concrete stappen wil zetten, maar tegelijkertijd zien wij die stappen niet. Als er concrete voorstellen vanuit de Kamer komen, worden die in het merendeel van de gevallen afgewezen. Het debat dit voorjaar was daar exemplarisch voor. Ook bij de algemene financiële beschouwingen zijn wij, alle retoriek ten spijt, op het gebied van topinkomens nog geen concrete stap verder gekomen. De enige toezegging die de minister van Financiën daar heeft gedaan, betrof het aanpakken van staatsdeelnemingen. Hij deed op dat moment alsof het een nieuw punt was, namelijk de topinkomens van bestuurders die staatsdeelnemingen besturen. Dat is geen nieuw punt; dat deed Hoogervorst ook al in 2003 toen hij de top van KPN, toen nog in handen van de overheid, te grazen nam. Op het gebied van fiscaliteit en topinkomens is dan wel een hele hoop geroepen, maar komen wij geen stap verder. In de brief van de minister van Financiën lees ik dat de CDA-fractie een interessant voorstel heeft gedaan. Dat zei hij dit voorjaar ook al, dat er allerlei interessante voorstellen door allerlei partijen worden gedaan. Het punt bij de algemene financiële beschouwingen was dat het een uitruil moest zijn: fiscale strafheffing op excessieve beloningen in ruil voor het ongedaan maken van de twee maatregelen inzake pensioenaftrek en het eigen huis. Daar lees ik allemaal niets over. De politieke onduidelijkheid hierover is dus maximaal. Ik vraag hierover duidelijkheid van de regering. Ik ga er maar van uit dat de minister van Financiën dat straks in persoon zal doen.

De heer Tang (PvdA): Dit is een terugkerende discussie, die wij hebben gevoerd bij de algemene financiële beschouwingen en tijdens een spoeddebat over de beloning van de bestuursvoorzitter van ABN AMRO. Vraagt de heer Vendrik niet naar de bekende weg?

Steeds is het standpunt geweest dat er wordt gewacht op de bevindingen van de commissie-Frijns. Het is een complex onderwerp, omdat er vele voorstellen zijn van vele partijen. Ik pleit dan voor slow politics, want er is geen haast mee. Keer op keer wordt aangedrongen op haast, terwijl wij ook kunnen wachten op de bevindingen van de commissie-Frijns. Is dit niet gewoon een herhaling van zetten, die wij nu al twee keer hebben gedaan? Begint de heer Vendrik nu weer een rituele dans?

De heer Vendrik (GroenLinks): Het is echt volstrekte flauwekul wat de heer Tang naar voren brengt, hoewel ik wel begrijp dat hij dat doet. Dit debat loopt al tien jaar. Het gebrek aan tempo is onderdeel van deze hele kwestie. Als puntje bij paaltje komt, is er op dit vlak in de Kamer geen meerderheid te vinden die wil doorpakken. Dat is al tien jaar zo. Het uitstel om tot concrete actie over te gaan, dat elke keer weer wordt gevraagd, ook door de minister van Financiën, is een gouwe ouwe. Ik ben het eerlijk gezegd zat. Daarnaast buigt de commissie-Frijns zich over de waardering van de code-Tabaksblat in relatie tot topinkomens. De code-Tabaksblat heeft niets met fiscaliteit te maken. Sterker nog, de code-Tabaksblat bevat strikt genomen geen enkele normering voor topinkomens, behalve een enkele verhoudingsmaatstaf die in het belonen van topbestuurders tot uitgangspunt zou moeten worden genomen. Aan die hele commissie-Tabaksblat hebben wij dus weinig. Ik vrees dat wij aan de commissie-Frijns, met respect voor de voorzitter, ook heel weinig hebben omdat haar taakopdracht te beperkt is. Deze commissie gaat ons dus niet adviseren over fiscaliteit en topinkomens. Dít is de gelegenheid. Het kabinet heeft 300 dagen, een klein jaar, kunnen studeren op dit onderwerp. Het wordt tijd om eens een voorstel van het kabinet te zien. Tot op heden is er nog geen enkel voorstel gekomen dat enigszins hout snijdt. Ik heb een amendement ingediend. Ik heb een voorstel gedaan dat ertoe strekt dat boven een bepaalde norm de onkosten die bedrijven maken voor topinkomens niet langer aftrekbaar zijn voor de vennootschapsbelasting. Ik vraag het kabinet op dat punt om een oordeel. Ik wil een keer een stap vooruitzetten, na tien jaar vruchteloos discussiëren.

De heer Tang (PvdA): Het wordt echt een herhaling van zetten, want de opmerking over die tien jaar heeft de heer Vendrik al vaker gemaakt. Ik heb keer op keer gezegd – het wordt nu echt een rituele dans – dat als hij al tien jaar heeft gewacht, die twee maanden er ook nog wel bij kunnen. Houd nu eens op met deze rituele dans. Daarnaast ligt er wel degelijk een voorstel dat het nodige stof doet opwaaien, terwijl de heer Vendrik doet alsof er niets gebeurt. Er gebeurt wat aan het eigenwoningforfait voor huizen boven het miljoen, er gebeurt wat aan de subsidies op pensioensparen boven een inkomen van € 185.000, dus zeg nu niet dat er niets gebeurt. Of zie ik dat nu helemaal fout?

De heer Vendrik (GroenLinks): Er zijn wel voorstellen, maar zoals ik al duidelijk maakte tijdens de algemene financiële beschouwingen, hebben die niet zozeer betrekking op het specifiek aanpakken van topbeloningen bij bijvoorbeeld beursgenoteerde ondernemingen, of op het tegengaan van excessieve beloningsbestanddelen, of op het verbieden van vertrekpremies, zeker indien overname in het geding is zoals bij ABN AMRO. Daarop heeft het allemaal geen betrekking. In het kader van algemene inkomenspolitiek zijn het overigens zeer terechte voorstellen. Dat wij ophouden om het huizenbezit van miljonairs te subsidiëren, vind ik een zinvol voorstel. Dat geldt ook voor de dure fiscale aftrek voor pensioensparen. Dat wij die beperken tot groepen mensen die het echt nodig hebben, wat meestal niet geldt voor mensen met een dik inkomen, vind ik vanuit algemene inkomenspolitiek een zeer zinvol voorstellen. Het zijn geen voorstellen, daar heeft de CDA-fractie gewoon een punt, die heel gericht iets doen aan het uit elkaar lopen van de beloningen aan de top en de gemiddelde beloning van werknemers in dit land. Daar gaat het debat over topinkomens over. Wij wachten op dat punt al tijden op goede voorstellen van dit kabinet en die zijn er op dit moment niet.

De voorzitter: Mag ik de leden eraan herinneren dat wij in het eerste blokje zitten? Volgens mij springen wij inmiddels over naar het derde blok. Ik zou dat toch willen beperken, want het gaat hier om de algemene inleiding.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik wil u graag bijvallen, voorzitter. Ik was erg blij verrast om de heer Vendrik mij te horen bijvallen op het punt dat de voorstellen in het Belastingplan misschien meer zijn gericht op hogere inkomens in het algemeen dan op excessieve topinkomens. Dat is voor de agenda van vanmiddag. Ik steun dus uw voorstel om ons te beperken tot algemene opmerkingen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dit is voor mijn fractie een heel aangelegen punt en het maakt dus onderdeel uit van mijn algemene opmerkingen. Ik mis daadwerkelijk voorstellen op het gebied van topinkomens. Waar blijven die nu een keer? Dat is een algemene opmerking, in ons oordeel funderend in het plan dat hier voorligt. Ik hoor dus graag een snelle toezegging van het kabinet en een positieve reactie op mijn amendement. Mijn tweede punt betreft de fiscale vergoeding. Daar gaat het al een stuk beter. Ik heb vijf jaar gewacht op een staatssecretaris van CDA-huize die op dat punt echt totaal stilzat, alsof hij permanent in de file stond. Nu hebben wij een staatssecretaris van CDA-huize die stappen vooruitzet: de wonderen zijn de wereld nog niet uit. Ik heb daar waardering voor. Toch wil ik echt weten wat het traject is voor de komende jaren. Ik heb dat in de schriftelijke voorbereiding al aangegeven. De koopkrachtconsequenties van fiscale voorstellen in het komend jaar zijn allemaal afgetimmerd in dit Belastingplan, terwijl op het terrein van de vergroening alles wordt opengelaten. Ik prijs de staatssecretaris er nogmaals voor dat het ongetwijfeld ook aan hem heeft gelegen dat de inzet in het regeerakkoord voor 1 mld. aan fiscale vergroening is verhoogd naar 1,6 mld. Dit smaakt echter naar meer. Nu dit Belastingplan toch een soort vooruitblik biedt naar de gehele kabinetsperiode, wil ik heel graag weten wat er gaat gebeuren. Ik wil hierover helderheid van de staatssecretaris. Tijdens de AFB ging het niet goed, terwijl het buitengewoon belangwekkend is om van de staatssecretaris te horen wat taakstellend nog meer aan vergroeningsambities in het vat zit. Mijn derde punt is weer wat kritischer. In de schriftelijke behandeling wordt dit punt echt weggezet en niet beantwoord; daarom herhaal ik het hier. In het Belasting-plan wordt met een boog om een aantal grote kwesties heen gelopen. Ik heb niet voor niets gevraagd om een budgettair beeld van de ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek. Ik zou denken dat iedereen die een beetje gevoel heeft voor de kwetsbare positie van de schatkist, daarvan schrikt. Ik wil gewoon een eerlijk antwoord van het kabinet op de vraag: laten wij dit allemaal maar lopen? Het budgettair beslag groeit, omdat er kennelijk in de coalitie is afgesproken dat er zelfs moet worden gezwegen over de hypotheekrenteaftrek. Er mag überhaupt niet eens over worden gesproken. Ik vind dat een gotspe. Dan moet de staatssecretaris mij ook maar uitleggen waarom het kabinet zo hoog van de toren blaast als het gaat om de buitengewone uitgaven. Dan wordt elke budgettaire ontwikkeling als problematisch beschouwd, dan moet de regeling worden ingedamd, dan kunnen wij het niet langer betalen en dan loopt het helemaal uit de hand. Op dat vlak worden grote woorden gebezigd, terwijl op het terrein van het eigenwoningbezit totale stilte in acht wordt genomen. Ik mis in het Belastingplan ook zicht op de discussie over fiscalisering van de AOW. Er ligt een compromis van het kabinet op dit terrein. Volgens mij is dat een heel onverstandig compromis, dat bijna niet uitvoerbaar is. Het is wel door het kabinet uitgevent als een onderdeel van het beleid om de begroting vergrijzingsbestendig te maken, maar wij horen daar eigenlijk helemaal niets meer over. Je zou dan met eigenhuis-en pensioenaftrek kunnen beginnen, maar goed, dat geldt ook voor het fiscaliseren van de AOW, wat zwaar geclausuleerd in het regeerakkoord staat. Ik lees er niets meer over. Ik wil dit debat ook gebruiken om meer helderheid te verkrijgen over de vraag hoe het hier nu mee staat. De inkomensontwikkeling is een onderwerp dat de fiscaliteit in essentie raakt. Ik wil de staatssecretaris daar graag over horen. Ik heb nog heel veel noten op mijn zang, maar die bewaar ik voor de blokjes. Ik zie uit naar de komst van de heer Bos.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Voorzitter. Vandaag spreken wij in eerste aanleg over het Belastingplan. Het gaat deels om een meer technische discussie, maar zoals de heer Vendrik al heeft geïllustreerd ongetwijfeld ook om een aantal belangrijke politieke punten. Daarbij zijn voor het CDA de volgende hoofdlijnen te onderkennen. Het Belastingplan is in grote lijnen de vertaling van het kabinetsbeleid, zoals neergelegd in het regeerakkoord en de Miljoenennota. Het kan dan ook op de steun van mijn fractie rekenen. Daarbij zie ik vier belangrijke overwegingen. Ten eerste ondersteunt het CDA de keuze tot vergroening, zoals die in het Belastingplan naar voren komt bij de bpm, de vliegbelasting en de verpakkingenbelasting. Ook ons congres heeft dat zaterdag opnieuw duidelijk onderstreept. Maar met het oog op verdere vergroening willen wij wel snel duidelijkheid creëren. Op dat punt sluit ik mij aan bij de woorden van mijn collega Vendrik. Ten tweede bevat dit Belastingplan, in tegenstelling tot wat collega’s herhaaldelijk hebben gezegd, ook een aantal belastingverlagingen, een aantal maatregelen die goed zijn voor het Nederlands bedrijfsleven. Vandaag voegen wij er nog het een en ander aan toe. Mijn fractie blijft echter ook zorgen hebben omtrent de invloed op het Nederlands vestigings-en ondernemingsklimaat van twee maatregelen gericht op de hogere inkomens. Daarop komen wij later ongetwijfeld terug. Ten derde is mijn fractie van mening dat juist nu in een tijd van hoogconjunctuur een aantal lastenverzwaringen mogelijk zijn om de ambitieuze agenda van de regering te kunnen uitvoeren, met een moeilijk woord anticyclisch beleid. Dat is Zalm nooit consistent gelukt en dit kabinet doet dat wel. Ten slotte. Leuker kunnen wij het niet maken, makkelijker wel. Die slogan van de Belastingdienst zijn wij bij het CDA nog steeds niet vergeten. U zult ons dus vandaag ook horen hameren op de eenvoud in de uitvoerbaarheid en vermindering van de administratieve lasten verbonden aan de belastingplannen. Bij een ambitieus kabinetsbeleid en daarmee een ambitieus Belastingplan is het makkelijk om een litanie op te hangen van kritische kanttekeningen, maar mijn fractie is van mening dat de regering een goed plan heeft voorgelegd. Tegen die achtergrond zullen wij vandaag de details van het plan bespreken.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb een vraag over de aftopping van de pensioenopbouw en de aanpassing van het eigenwoningforfait. Ik begrijp dat wij er later nog meer over horen van de heer Kortenhorst, maar is dat ook het wisselgeld als het gaat om de plannen voor de modernisering van het ontslagrecht?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Daar gaat het vandaag niet over. Wij praten vandaag over het Belastingplan. Ik weet niet wat de stand van zaken is met het ontslagrecht. Daarop zult u collega’s van mij moeten bevragen. Ik heb geen idee over wisselgeld.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb begrepen dat die twee punten door het CDA zijn opgeworpen, omdat dat een doorbraak in het ontslagrecht wil. Daarop wil ik toch een antwoord van de heer Kortenhorst.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik denk dat de lijn van het CDA heel consistent is. Bij de algemene politieke beschouwingen heeft mijn fractievoorzitter, de heer Van Geel, zijn zorg uitgesproken over deze twee maatregelen. De vraag is hoe dat het vestigingsklimaat in Nederland beïnvloedt. Bij de algemene financiële beschouwingen is mijn collega de heer De Nerée daarop teruggekomen met wederom een heel consistent verhaal. In geen van die discussies heb ik het woord ’’ontslagrecht’’ horen terugkomen. Dat is vandaag wat mij betreft ook niet aan de orde.

(…)

De heer Tang (PvdA): Voorzitter. Het Belastingplan draagt duidelijk de stempel van het nieuwe kabinet. Er worden duidelijke keuzes gemaakt en ik noem drie belangrijke: meer vergroening, meer participatie door een lagere druk voor lage inkomens en meer naar draagkracht door bijvoorbeeld huizen boven 1 mln. zwaarder te belasten. Voor alle duidelijkheid, de PvdA juicht deze keuzes van harte toe.

De heer Irrgang (SP): Ik kan mij nog de financiële beschouwingen herinneren. Daar deed het CDA voorstellen voor de aanpak van de topinkomens. Er was een duidelijk standpunt van de PvdA-fractie, waarmee wij het ook eens waren, dat die voorstellen van het CDA hoogstens aanvullend konden zijn voor en niet in de plaats konden komen van de aftopping van de pensioenaftrek en de verhoging van het eigenvillaforfait. Staat dat standpunt van de PvdA nog of is dit een nieuw uitruilmiddel voor het ontslagrecht?

De voorzitter: Minister Bos is uitgenodigd en komt tussen twaalf en half twee. Ik ben voornemens er een apart ingelast blokje van te maken. Ik kan mij voorstellen dat de inhoudelijke discussie die u nu dreigt te voeren aan dat blokje wordt gekoppeld. Ik zou dat ook willen aanbevelen, niet om de discussie nu dood te slaan, maar omdat ik denk dat wij die dan completer kunnen voeren. Uiteraard gaat u over uw eigen tekst. Dus als de heer Tang antwoord geeft op de vraag van de heer Irrgang, is dat uitstekend. Maar ik geef het u in overweging.

De heer Irrgang (SP): Ik zou toch graag een antwoord krijgen op mijn vraag naar het standpunt van de PvdA.

De voorzitter: Ik daag de heer Tang ook op dat punt uit.

De heer Tang (PvdA): Er is geen enkele reden om te veranderen, want sinds de financiële beschouwingen is er volgens mij niets gebeurd. Wij zeggen heel duidelijk dat het aanvullende maatregelen zijn. Daarin worden wij ondersteund door de ChristenUnie. De PvdA heeft een aantal voorstellen gedaan voor de maatregelen die nog in discussie komen bij de commissie-Frijns, zoals het bevriezen van beloning bij overname of het wettelijk vastleggen van gouden handdrukken. Hier wordt gesproken over de aanpak van hoge inkomens. Nogmaals, wij steunen deze voorstellen van harte. Overigens voelen wij weinig voor een handjeklap. Dat is ons door het CDA steeds voorgehouden, dus dat doen wij ook niet.

De heer Irrgang (SP): Dus de heer Tang acht het onmogelijk dat wij binnenkort moeten vernemen dat de PvdA-fractie om is, dat de verhoging van het eigenwoningforfait en de aftopping van de pensioenpremieaftrek uit het Belastingplan gaan en dat er een deal plaatsvindt?

(…)

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik wil proberen te illustreren dat wij vandaag toch wat kleren aan hebben. Ik denk dat de heer Remkes twee zaken door elkaar haalt. Mijn opmerkingen afgelopen zaterdag in Het Financieele Dagblad hadden heel specifiek betrekking op twee maatregelen gericht op hogere inkomens en de impact van die maatregelen op het vestigingsklimaat. Hier staat echter iets tegenover. De gaten in het dak worden gerepareerd op het moment dat het zonnetje schijnt. Helaas moeten wij constateren dat er in het verleden te vaak te gemakkelijk als het goed ging met de economie niet de keuze is gemaakt om die fiscale maatregelen te nemen die nodig waren voor goede en gezonde overheidsfinanciën. Het verhaal van de VVD is heel makkelijk: wij doen al deze leuke dingen voor de mensen, wij brengen de belastingen omlaag en wij zorgen ook nog voor het tekort. De heer Remkes kan ook rekenen: dat kan niet. Het verhaal is dus niet consistent. In het Belastingplan zit ook een aantal verlagingen. Ik noem het verlagen van de vpb-heffing voor de mkb-schalen. Over de hele linie gaat het om een bedrijfsvriendelijk en gezond Belastingplan.

De heer Remkes (VVD): Ik ben blij dat de heer Kortenhorst de twee concrete maatregelen noemt waarover het in het interview met name gaat. Ik heb de amendementen nog niet ingediend, maar ze liggen wel klaar. Mag ik concluderen dat wij op de punten van het eigenwoningforfait en de aftopping van het pensioenloon samen die amendementen indienen?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik heb de heer Remkes nu twee keer het artikel verkeerd horen citeren. Ik zeg heel nadrukkelijk dat ik vragen en zorgen heb rond het vestigingsklimaat en dat ik wil horen op welke wijze de regering de argumenten heeft gewogen. Pas daarna is het tijd voor amendementen.

(…)

De voorzitter: Ik onderbreek dit blok om nog in de gelegenheid te zijn met de minister te spreken over de topinkomens. De minister heeft vanwege buitenlandse verplichtingen ongeveer één uur de tijd.

De heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de minister van Financiën voor de brief die hij heeft gestuurd en voor het feit dat hij bij de behandeling aanwezig kan zijn. Zijn naam staat eronder, dus het is aan hem om hier tekst en uitleg te verschaffen. De minister zegt in de voorlaatste alinea van zijn brief dat het voorstel van het CDA om gouden handdrukken te beperken en extreme bonussen te belasten hem zeer aanspreekt. Er worden vervolgens wel wat mitsen en maren ten tonele gevoerd, maar het is toch een politiek oordeel dat er niet om liegt. Ik neem aan dat wij dan heel snel in het kader van dit Belastingplan een voorstel kunnen verwachten. Daar is de brief onhelder over. De minister meldt slechts dat hij de Kamer er zo spoedig mogelijk over zal informeren. Ik neem aan dat dit betekent: binnen twee weken. De suggestie gaat rond dat volgende week een uitruil zal plaatsvinden met het ontslagrecht. Donner gaat bewegen en het CDA krijgt het eigen huis van meer dan 1 mln. terug, plus een beetje pensioen. Een vreemde ruil, maar het kan in de politiek soms raar lopen. Bij elke coalitie is het weer even kijken hoe de spelregels zijn. Wordt het Belastingplan hieraan gekoppeld? De minister zegt dat het belasten van extreme bonussen als effect kan hebben dat ondernemingen uitwijken naar andere beloningsbestanddelen om de zakken van de topbestuurders te spekken, om de CDA-heffing te ontlopen. Ik heb een amendement ingediend waarmee verschillende beloningsbestanddelen worden samengevoegd en waarmee boven een bepaalde grens de kosten niet meer voor de vpb aftrekbaar zijn. Ik heb die grens op 1 mln. gesteld, maar daar kan over worden gediscussieerd. Volgens mij voer ik met dat amendement uit wat er in de brief staat. Zie ik dat goed? Begrijp ik dat de minister van Financiën ons voorstel zal steunen? Zo niet, op welke punten zal hij in zijn voorstel dan afwijken?

Wij zijn iets opgeschoten. Dit voorjaar was de minister van Financiën nog niet van plan om zelf met fiscale voorstellen te komen. Dankzij een ingewikkelde manoeuvre van het CDA heeft hij die positie verlaten. Dat vind ik bescheiden winst in het debat. Ik zeg het CDA daar dank voor, maar laat dat eigen huis en die pensioenaftrek nou gewoon gaan, want dat zijn goede voorstellen.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): De heer Vendrik constateert dat bestuurderen wellicht gebruik kunnen maken van constructies dan wel vestiging buiten Nederland om bepaalde belastingheffingen te ontlopen. Dat staat ook in de brief van minister Bos. Maar hoe zit het dan met de strafheffing van de heer Vendrik zelf? Stel dat wij de Nederlandse bedrijven even wat strafheffingen gaan opleggen. Is het denkbaar dat de bedrijven er dan voor kiezen om van vestigingsplaats te veranderen? Toen Koninklijke Olie en Shell Transport and Trading de keuze maakten om één gemeenschappelijke onderneming met één vestigingsplaats te worden, zou het dan mogelijk zijn geweest dat zij niet voor Nederland zouden hebben gekozen? Zouden de maatregelen van de heer Vendrik het paard niet nog veel verder achter de wagen spannen?

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik loop al een tijdje mee, maar soms zijn interrupties toch wel weer heel bijzonder. Mijnheer Kortenhorst, ik probeer uw karwei een beetje af te maken. Voordat u mij een verwijt maakt, moet u eerst bij uzelf te rade gaan. Ik heb een amendement liggen waarmee precies gedaan wordt wat de minister van Financiën in reactie op uw voorstel naar voren brengt. Als je bepaalde beloningsbestanddelen niet langer aftrekbaar voor de vpb maakt of als je ze extra belast, moet je oppassen dat men niet uitwijkt naar andere beloningsbestanddelen. Daar heb ik een voorstel voor gedaan. Laten wij samen ten strijde trekken tegen de topinkomens in dit land. Over die vestigingsdiscussie zou ik mij eerlijk gezegd niet zo heel druk maken. Wij moeten ons vooral druk maken over het feit dat de solidariteit in ons land – dat is ook economisch een heel groot goed – onder druk komt te staan als wij niet echt iets doen aan die topinkomens. Een solidaire inkomensontwikkeling en een verantwoorde loonkostenontwikkeling zijn gemeenschappelijke belangen van ons allemaal. De aanpak van topinkomens moet in dat kader geplaatst worden en moet aan de grote bedrijven helder gemaakt worden. Zij hebben er als eerste belang bij dat dit land samen met de vakbeweging een fatsoenlijke loonpolitiek heeft. Een goede aanpak van de topinkomens is daarbij nodig. Zoals minister De Geus ooit zei: als wij de topinkomens niet aanpakken, is de solidariteit in het geding. Ik was het op één punt even heel erg eens met die CDA-minister.

De voorzitter: Ik geef de heer Kortenhorst dringend in overweging om deze discussie af te maken in het derde blok.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Voorzitter. Het CDA deelt de zorg in de samenleving over de exorbitante miljoeneninkomens die sommige topbestuurders recentelijk hebben geïncasseerd. Volgens mijn fractie wordt daar een grens overschreden. Het toezicht van commissarissen schiet daar echt tekort. Maatregelen gericht op het beteugelen van dit soort excessen moeten heel nauwkeurig, precies daarop gericht zijn. De voorstellen in het Belastingplan hebben een veel breder karakter. Het zijn maatregelen die mensen treffen met een duur huis of burgers met hoge inkomens, een veel grotere groep dan die echte topinkomens. Voorkomen moet worden dat deze groepen door elkaar gehaald worden. In de algemene en de financiële beschouwingen heeft de CDA-fractie kanttekeningen geplaatst bij de invloed van de voorgestelde maatregelen op de Nederlandse economie. De zorgen over de invloed van deze maatregelen op het economisch vestigingsklimaat zijn door de regering nog niet weggenomen, niet door de korte opmerkingen hierover in de nota en ook niet door het briefje van vanmorgen. Overigens had de regering dat briefje ook wel eerder naar de Kamer kunnen sturen. Het getuigt niet van veel respect voor de discussie van vandaag dat wij dit anderhalve A4’tje pas vanochtend in onze mailbox mochten aantreffen. Mijn fractie heeft dus grote aarzelingen omtrent de invloed van deze maatregelen op het vestigingsklimaat. Deze aarzelingen zijn nog toegenomen door het interview van de heer Tilmant van ING in Het Financieele Dagblad, door de brief van de vier grote multinationals waarvan wij vanmorgen een afschrift hebben ontvangen en door de brief van buitenlandse investeerders vertegenwoordigd door de Amerikaanse Kamer van Koophandel. Hun argumenten zijn duidelijk en consistent en vragen dus om een antwoord. Heeft de regering deze argumenten wel op waarde geschat? Buitenlandse investeringen, succesvolle internationale ondernemingen en hoofdkantoren spelen een belangrijke rol in het succes van de Nederlandse economie. Ik neem aan dat de regering die mening onderschrijft. De regering kan ook niet ontkennen dat kapitaal en arbeid veel mobieler zijn geworden en dat deze belangrijke spelers in de Nederlandse economie wel degelijk kunnen verhuizen. Moet de Nederlandse regering er dan niet pal voor staan dat het vestigingsklimaat voor het internationale bedrijfsleven in dit land concurrerend blijft? Speelt belastingconcurrentie met de ons omringende landen niet een steeds belangrijker rol? Zijn de voorgestelde maatregelen niet juist het tegenovergestelde van de trend in ons omringende landen, zoals Frankrijk en Engeland? Hoe beoordeelt de regering de schatting van het bedrijfsleven dat de voorgestelde maatregelen samen kunnen neerkomen op een verlaging van het netto-inkomen in de orde van grootte van 5% tot 10%? Is dat aanvaardbaar? Steekt de nettobrutoverhouding in Nederland inderdaad met 45% schril af tegen 55% in Engeland of 70% in Zwitserland? Als wij vol overtuiging praten over de doelstellingen om van Nederland een leidende kenniseconomie te maken, hoe denken wij dan die kennistoppers naar Nederland te halen als de toon van onze maatregelen is: kom maar hier, dan zullen wij u wel even fiscaal aanpakken? Iemand van een andere partij zei vandaag: even fiscaal te grazen te nemen. Erkent de regering dat in de oorlog om het talent, zoals het wel wordt genoemd, deze maatregelen de slagkracht van Nederland juist ondermijnen? Het gaat bij deze maatregelen niet alleen om het internationale bedrijfsleven, maar evenzeer om ondernemers, om de mkb’ers die net zo cruciaal zijn voor de Nederlandse economie. Ik kom daar later op terug.

De heer Irrgang (SP): Het CDA-plan om de extreme bonussen tegen te gaan, kan je ook omschrijven als iemand fiscaal aanpakken. Dat is juist de bedoeling van dat plan.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ons punt is dat de toon van het debat hierover zorgvuldig moet zijn. Wij moeten niet ten opzichte van grote ondernemingen en het buitenland het beeld oproepen dat wij in Nederland klaar staan om mensen fiscaal te grazen te nemen omdat ze succesvol zijn, omdat ze ambitie hebben of omdat ze werken voor een grote onderneming en veel verantwoordelijkheid dragen. Ik heb inderdaad gezegd dat het CDA ook bezorgd is over de exorbitante bedragen, de excessen in de top van grote ondernemingen. Wij vinden dat maatregelen moeten worden genomen om dat soort excessen te voorkomen. Mijn fractie heeft herhaaldelijk uitgesproken dat zij zorgen heeft over de specifieke invulling van de twee onderhavige maatregelen. Zijn de argumenten inzake vestigingsklimaat, economie, ondernemerschap en innovatie wel voldoende meegewogen? Mijn fractie heeft inderdaad alternatieven aangedragen, niet om ze nog even aan het rijtje toe te voegen, maar omdat zij wellicht een betere uitwerking zijn van de doelstelling om de echte excessen aan te pakken. In de brief van vanmorgen geeft het kabinet zelf aan, nog niet klaar te zijn voor een definitief oordeel. De minister wil ons na verdere studie nog nader informeren. Vandaar dat de CDA-fractie vooralsnog een voorbehoud maakt omtrent de aftopping van de pensioenopbouw en de aanpassing van het eigenwoningforfait, zoals die voorlopig in het Belastingplan zijn vormgegeven.

De heer Vendrik (GroenLinks): Wat is een voorlopig voorbehoud?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ongeveer zeven dagen.

De heer Vendrik (GroenLinks): De tijd begint dringen. Is het nu ’’ja’’of ’’nee’’? Moet de minister zijn voorstellen terugnemen en een ander voorstel doen? Of krijgt hij van u de gelegenheid om hier nog eens heel rustig op te studeren?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Het is mijn gewoonte om bij dit soort discussies even naar de argumenten van de andere kant te luisteren. Dat was ik in dit geval ook van plan.

De heer Vendrik (GroenLinks): Wat is nu uw bedoeling? Moet de minister snel een voorstel in het kader van dit Belastingplan doen als uitruil voor de maatregelen voor de pensioenen en het eigen huis? Of accepteert het CDA dat dit Belastingplan eerst behandeld wordt en dat de minister pas daarna met de CDA-heffing op topbonussen komt?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik heb nadrukkelijk aangegeven dat de maatregelen van het CDA alternatieven zijn en niet als aanvulling op het rijtje zijn bedoeld. In die zin verwacht ik een antwoord van het kabinet.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Het woord ’’alternatief’’ zegt mij al genoeg. Ik heb maar tien minuten spreektijd in totaal, dus moet ik het zeer kort houden. Waarom is deze brief nu naar de Kamer gestuurd? Is dit een overvaltactiek ten opzichte van de fractie van het CDA?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): De minister heeft ons tijdens de financiële beschouwingen een brief toegezegd. Hij heeft ons beloofd om die brief voor het wetgevingsoverleg te sturen. Dat heeft hij gedaan. Dat is bepaald geen overvaltactiek. Misschien had de brief ook gisterenavond al gestuurd kunnen worden.

Minister Bos: Op zondag?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik bedoel natuurlijk zaterdagavond.

De voorzitter: Dank u wel, minister. Ik ben buitengewoon content met uw opmerking.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Het feit dat de heer Kortenhorst de brief liever gisteravond had gehad, zegt al genoeg. Wellicht is er toch wel sprake van een overvaltactiek.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Het is niet zo’n lange brief.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Er is druk op de onderhandelingen over het ontslagrecht. Vindt er nu een uitruil plaats tussen het ontslagrecht en de aftopping pensioenopbouw, het eigenwoningforfait en de topinkomens? Met name de eerste twee maatregelen zijn voor het CDA onbespreekbaar. Neemt de minister die terug? Welke invloed hebben de aftopping van de pensioenopbouw vanaf € 185.000 en de verhoging van het eigenwoningforfait tot 2,35% voor woningen met een waarde vanaf 1 mln., op de kenniseconomie en de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor bedrijven, kenniswerkers en expats? Op dit punt kan ik het eens zijn met de heer Kortenhorst, alleen draait hij er een beetje omheen. Is het juist dat alleen al bij het hoofdkantoor van Shell in Den Haag 800 werknemers door deze maatregelen getroffen worden? Is het verder juist dat de uitvoeringskosten van de pensioenfondsen inzake de aftopping terecht zullen komen bij degenen met lagere en middeninkomens, zoals de FNV stelt?

De heer Tang (PvdA): Voorzitter. De PvdA-fractie kan instemmen met het schrappen van de fiscale subsidie op pensioensparen en op zeer dure villa’s op grond van het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Je kunt er echter ook op een andere manier tegenaan kijken. Deze maatregelen zijn ook een manier om de grondslag te verbreden. Wij weten allen dat de kosten van de vergrijzing zullen toenemen. Er moet meer worden uitgegeven aan ouderdomsuitkeringen en aan zorg. Ik maak mij er zorgen over dat partijen nu niet de keuze willen maken om subsidies aan mensen die het echt niet nodig hebben, te schrappen en daarmee de grondslag te verbreden. Dit is een van de manieren om de kosten van de vergrijzing aan te pakken.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik maak mij zorgen over de opmerking van de heer Tang over verbreding van de grondslag. Dat is in ieder geval expliciet niet de intentie van de kabinetsmaatregelen. Als verbreding van de grondslag het doel is van de aftopping van de pensioenopbouw is de grens van € 185.000 volstrekt arbitrair. Die grens kan morgen bijvoorbeeld € 35.000 worden. In feite staat de aftrek van de pensioenopbouw daarmee op losse schroeven.

De heer Tang (PvdA): Ik weet dat de CDA-fractie altijd zenuwachtig wordt wanneer het over grondslagverbreding gaat, want daarmee komen wij in de buurt van de discussie over de hypotheekrenteaftrek. Gelukkig zijn er ook verstandige CDA’ers. Zo heeft het CDJA voorgesteld om toch maar onderzoek te doen naar de hypotheekrenteaftrek. Grondslagverbreding is essentieel om ons te kunnen voorbereiden op de oplopende kosten van de vergrijzing. Het CDA loopt daarvoor weg. Is het wel goed voor het vestigingsklimaat in Nederland als naderhand de belastingen fors moeten worden verhoogd?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik hoor ineens de woningmarkt voorbijkomen en daardoor word ik getriggerd. Wij willen graag weten wat de plannen van het kabinet zijn op dit zeer belangrijke terrein. Wil de heer Tang de discussie hierover starten omdat de woningmarkt helemaal vastzit?

De heer Tang (PvdA): De discussie hierover wordt al volop gevoerd. In de PvdA is hierover ook uitgebreid gediscussieerd, ruim voor de discussie in het CDA is gestart. U kunt gewoon kennis nemen van de rapporten die naar aanleiding hiervan zijn verschenen. Zijn deze maatregelen nu slecht voor het vestigingsklimaat? Het verbaast mij dat in de brief van Shell het world competitiveness report wordt aangehaald. Ik heb zaterdagavond dit er nog eens op nageslagen. Er zijn ruim honderd variabelen, maar geen enkele daarvan heeft betrekking op ongelijkheid. Sterker nog, meer gelijkheid blijkt gunstig te zijn, want Denemarken, Zweden en Finland staan op drie, vier en zes. Deze landen kennen een meer gelijke inkomensverdeling dan Nederland. De gelijkheid waar dit kabinet naar streeft – de sterkste schouders de zwaarste lasten – kan wel degelijk goed samengaan met een goed vestigingsklimaat. Overigens kent het competitiveness report ook een score voor brain drain. Op die lijst staat Nederland twaalfde, dus helemaal geen slechte score. Is de minister het met mij eens dat de zorg over het vestigingsklimaat overdreven is? Gaat het CDA-voorstel voor beperking van gouden of platina handdrukken niet minder ver dan de code-Tabaksblat? Volgens die code mag een gouden handdruk niet hoger zijn dan een jaarsalaris. De PvdA-fractie pleit voor het wettelijk vastleggen van deze nom.

De heer Remkes (VVD): Voorzitter. Ik zou het op prijs stellen als de minister van Financiën expliciet ingaat op de suggestie van de afgelopen dagen dat er sprake is van een soort uitruil tussen versoepeling van het ontslagrecht en deze beide voorstellen. Is dit geen koehandel? Volgens de heer Kortenhorst heeft de CDA-fractie alternatieven gepresenteerd. Ik herinner mij dat de minister van Financiën hier bij de financiële beschouwingen een aantal opmerkingen over heeft gemaakt. Wil de minister bij deze gelegenheid nader ingaan op deze voorstellen en de vraag in hoeverre deze onderling uitruilbaar zijn? Ik ben het in belangrijke mate eens met de waardering die de heer Kortenhorst aan beide voorstellen heeft gegeven. Hebben de bewindslieden van het CDA in de Trêveszaal wellicht zitten slapen? De voorstellen liggen nu wel op tafel. Bij de heer Tang is er sprake van een misverstand over het vestigingsklimaat. Het gaat niet om een tikkeltje meer of minder nivellering, maar om de stabiliteit van het fiscale klimaat, om de voorspelbaarheid. Beide voorstellen betekenen een breuk met de fiscale traditie van Nederland. Daarom lopen ondernemers ook te hoop tegen deze maatregelen. De brief van de vier ondernemingen riep bij mij associaties op met de brief van een aantal ondernemingen halverwege de jaren zeventig over het toenmalige kabinetsbeleid ter zake van de vermogensaanwasdeling. Toen ging het ook om de voorspelbaarheid en de betrouwbaarheid van ons stelsel. Ik kan geen andere conclusie trekken dan dat beide voorstellen volstrekt haaks staan op het hoofdkantorenbeleid van het kabinet en op de sterk gepromote gedachte van Holland Financial Centre. Met dat laatste is de VVD-fractie het overigens van harte eens.

Voorzitter: Blok

De heer Irrgang (SP): Voorzitter. Het is zeer verleidelijk om de debatten over de topinkomens over te doen, maar ik zal dat natuurlijk niet doen. In zijn brief reageert de minister ook op de voorstellen van de SP-fractie. Het valt mij op dat die worden afgedaan met de dooddoener van het vestigingsklimaat. Dat geldt blijkbaar niet voor het CDA-voorstel inzake de extreme bonussen. Ik vraag de minister, te bevestigen dat Nederland nog steeds in de top staat van de Economist Intelligence Unit. Ik incasseer overigens wel de politieke winst dat het CDA-voorstel om de extreme bonussen aan te pakken de minister zeer aanspreekt. Dat is belangrijk. Bij de financiële beschouwingen vond een groot deel van de Kamer dat een dergelijke voorstel niet in de plaats van de voorstellen voor het eigenwoningforfait en de aftopping van de pensioenopbouw moet komen, maar daar een aanvulling op moet zijn. Hoe ziet de minister dit? Staat het kabinet nog achter beide voorstellen? Volgende week stemmen wij over het Belastingplan. Ik wil snel een voorstel van de minister voor het aanpakken van de extreme bonussen, maar dat hoeft niet al volgende week. Dat kan ook over drie weken. Zo ongeduldig ben ik ook weer niet.

De heer Tony van Dijck (PVV): Voorzitter. De twee maatregelen in het kader van het Belastingplan zie ik los van de discussie over topinkomens. Het CDA-voorstel is erop gericht, excessen tegen te gaan. In de pers was onlangs veel aandacht voor mensen uit de top van bedrijven die gigantische bonussen kregen. De vraag is in hoeverre een en ander nog in proportie is. De fractie van de PVV is van mening dat de bonussen en de gouden handdrukken bij overnames gemaximeerd moeten worden. Het belang van topbestuurders mag niet meespelen bij een beslissing om een bedrijf in de etalage te zetten. Ook het bevriezen van de optieportefeuille bij een overname spreekt ons zeer aan. Wij hebben grote zorgen over de publieke en de semipublieke sector. In de brief kondigt de minister aan dat daarvoor de JP-norm moet gelden, maar daar komt helemaal niets van terecht. De CEO van Schiphol verdient € 850.000, bestuurders van De Nederlandsche Bank verdienen € 385.000 en de bestuurders van de NS – waarvoor weet ik niet – gaan met meer dan 0,5 mln. naar huis. Van de JP-norm komt dus niets terecht. Daarom vragen wij aan de minister of hij er zich gedurende deze periode keihard voor zal inzetten dat in de publieke en de semi-publieke sector, maar ook in de staatsdeelnemingen de JP-norm de norm zal zijn. Als je meer wilt verdienen, ga je maar ergens anders werken of naar het buitenland. Wij mogen ons niet laten meesleuren in een discussie die ertoe leidt dat er gigantische bedragen moeten worden betaald omdat betrokkenen anders naar het buitenland zullen vertrekken. Dat moeten zij dan maar doen.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ook mijn fractie is er voor dat de topinkomens kritisch worden bekeken. De exorbitante componenten ervan en de excessen moeten worden aangepakt, maar in alle debatten heb ik steeds erkend dat het kabinet maar een beperkte invloed heeft. Wij moeten ons dat wel realiseren. Voor de publieke sector is dit natuurlijk anders dan voor de marktsector, maar wij moeten onze invloed niet overschatten. Als er iets te doen valt, moet dat zeker gebeuren, maar nogmaals, onze mogelijkheden zijn beperkt. De enige vraag over de brief van de minister die mij relevant lijkt, is wat hij onder ’’zo spoedig mogelijk’’verstaat. Hij zet op een rijtje wat hij allemaal zal doen. Daar staan wij in principe welwillend tegenover. Andere dingen vergen nog nader onderzoek. Nu is de vraag hoe snel hij de Kamer over zijn bevindingen kan informeren. Kan dat nog voor de stemmingen volgende week over het belastingpakket dat wij nu bespreken, of daarna? Ik ga ervan uit dat hij de Kamer pas daarna kan informeren. Hoeveel tijd heeft hij hiervoor nodig? Hoe ziet het traject eruit?

De heer Cramer (ChristenUnie): Ik constateer dat de minister nog heel veel open laat in zijn brief. Mijn fractie heeft tijdens de algemene financiële beschouwingen opgemerkt dat zij de plannen die door andere fracties zijn opgesteld, een aardige aanvulling acht op de voorstellen van de regering. Ik stel vast dat de minister zich alleen positief uitlaat over een onderdeel van de voorstellen van de CDA-fractie. Misschien kan hij nu toelichten hoe ver hij met zijn onderzoek is gevorderd?

Minister Bos: Voorzitter. Dank voor de uitnodiging om ook vandaag het debat te mogen opluisteren met mijn aanwezigheid. Zoals bekend doe ik dat altijd met groot genoegen. Alle vragen die specifiek zijn gericht op de fiscale merites van de kabinetsvoorstellen dan wel van de alternatieven die door de Kamer zijn voorgesteld, zullen door de staatssecretaris worden beantwoord. Ik zal mijn antwoord toespitsen op de vragen die daar min of meer omheen cirkelen. In de eerste plaats de vragen over de algemene politieke context, in de tweede plaats de vragen naar het argument over het vestigingsklimaat en de brief van een aantal leidinggevenden uit het bedrijfsleven en ten slotte de vragen over de gevolgen van een en ander voor de begroting en de begrotingsspelregels. De heer Vendrik heeft gevraagd wanneer de Kamer een voorstel van het kabinet tegemoet kan zien. Ik wijs erop dat dit niet aan het kabinet is gevraagd. Er is aan het kabinet gevraagd om commentaar te leveren op voorstellen en alternatieven van de Kamer. Wij hebben dit gedaan in onze brief aan de Kamer. Wij vinden de richting van een aantal voorstellen interessant. Dit geldt met name voor het voorstel van de CDA-fractie over verhoging van de belastingdruk op extreme bonussen en gouden handdrukken. Ik neem aan dat het dan vooral gaat om gouden handdrukken terwijl er sprake is van achterblijvende prestaties. Wij hebben hierop commentaar geleverd. Wij zijn dus tegemoet gekomen aan het verzoek van de Kamer. Het kabinet is niet gevraagd om een alternatief te ontwikkelen. Ik ben ook niet van plan om dat te doen, maar wij staan natuurlijk open voor alternatieven of nadere specificaties van eerdere globale voorstellen. Dit geldt overigens ook voor de alternatieven waarover de executives uit het bedrijfsleven spreken. Zij willen met ons in overleg treden en wij doen dat uiteraard graag. Een aantal leden heeft gevraagd of er sprake is van een uitruil. Dit lijkt mij niet. De staatssecretaris en ik verdedigen hier het Belastingplan dat de status heeft van een wetsvoorstel. Het is door de ministerraad vastgesteld, tijdens de algemene politieke beschouwingen verdedigd door de minister-president en ik heb dat gedaan tijdens de algemene financiële beschouwingen. Een aantal leden heeft ook gerefereerd aan voorstellen voor het ontslagrecht, maar voor zover ik weet heeft het kabinet daarvoor tot op heden geen voorstellen geformuleerd. Daarover vindt wel uitgebreid overleg plaats, lees ook ik in de kranten, maar er is geen voorstel.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik begrijp dat het dus uitgesloten is dat de Kamer tussen vandaag en volgende week donderdag een voorstel van het kabinet krijgt voor een strafheffing of fiscale boete al dan niet in uitruil met die twee elementen die al in het Belastingplan zijn verwerkt. Met andere woorden: het kabinet doet niets; het geeft alleen een oordeel over de voorstellen van de Kamer. Ik heb een voorstel gedaan en ik hoor graag het oordeel van de minister daarover.

Minister Bos: De staatssecretaris heeft het voorstel van de heer Vendrik bestudeerd. Ik heb dit niet gedaan. Ik ben hier vooral om een nadere toelichting te geven op mijn brief. De staatssecretaris heeft zich voorbereid om commentaar te leveren op de voorstellen en zal dit zo dadelijk doen. Ik weet niet wat er in de komende zeven dagen zal gebeuren. Ik weet wel dat wij concreet uitgewerkte voorstellen hebben opgenomen in het Belastingplan. Er bestaat geen twijfel over dat die juridisch goed zijn uitgewerkt en uitvoerbaar zijn. Het nadenken over alternatieven of aanvullingen stopt natuurlijk niet na de komende zeven dagen. Ik ben van plan dit debat eerlijk en serieus aan te gaan, ook omdat ik argumenten over het vestigingsklimaat zeer serieus neem. Ik begrijp dat de CEO’s hun brief inmiddels openbaar hebben gemaakt. Ik kan er dus ook wat meer gedetailleerd op ingaan. Er valt natuurlijk ook wel wat af te dingen op de argumenten die zij in hun brief naar voren brengen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik word hier een beetje moe van. Nu ligt er een brief waarin de minister een politiek oordeel geeft over een voorstel van de CDA-fractie, een voorstel dat hem zeer aanspreekt. Hij heeft de expertise, hij heeft de ambtenaren, hij doet onderzoek, maar hij komt weer niet met een eigen voorstel. Vervolgens vraag ik of het de komende tien dagen stil blijft en dan krijgen wij weer geen antwoord. Wat is hier aan de hand? Brengt de minister in de komende tien dagen nog een voorstel uit? Moeten wij daarmee rekening houden of niet? Heeft hij een idee over wat hij wil met de topinkomens, al dan niet in uitruil met het ontslagrecht, of komt hij niet met een voorstel? Waar staat de minister nu eigenlijk?

Minister Bos: De heer Vendrik voert drie keer hetzelfde circusnummer op over hetgeen het kabinet ook al drie keer precies hetzelfde heeft gezegd. Dit debat wordt gevoerd, omdat dit kabinet voor het eerst komt met concrete voorstellen om ook iets van de allerhoogste inkomens te vragen. Dit debat wordt gevoerd, omdat dit kabinet heeft gezegd dat de ondernemingsraad meer invloed krijgt op de vaststelling van het beloningsbeleid. Wij gaan nu iets vragen van de mensen met de allerhoogste inkomens. Dan wordt er een debat gevoerd over vragen als: is dit de beste manier, zijn er andere manieren, is er meer nodig. In dit kader is al verwezen naar de rapportage van de commissie-Frijns die vooral zal ingaan op de relatie tussen verkregen beloning en geleverde prestatie. Geen ander kabinet heeft ooit zo open gestaan voor een discussie over deze materie of zich zo bereid getoond om concrete maatregelen te nemen. Daar staat dit kabinet. Wij zullen serieus ingaan op alle suggesties die ons worden voorgelegd. Ik heb steeds gezegd dat met name de richting van een van de suggesties van de CDA-fractie ons aanspreekt, maar dat ik daar vooralsnog veel haken en ogen aan zie. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de vraag van de heer Tang of het wel consistent is om enerzijds in de Code Tabaksblat vast te leggen dat een ontslagvergoeding maximaal een jaarsalaris mag zijn en anderzijds een maatregel voor te stellen waarin staat dat het eigenlijk wel meer mag zijn maar dat de vergoeding dan extra zal worden belast. Verder is het de vraag of een zwaardere belasting van variabele beloningen zal leiden tot ontwijkinggedrag omdat men gewoon de vaste beloningscomponent gaat oppompen. Dit zijn reële, inhoudelijke argumenten. Wij staan open voor een debat met de Kamer hierover, maar dat neemt niet weg dat er thans voorstellen voorliggen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): In de media zijn wel degelijk allerlei artikelen verschenen over de uitruil en dan met name de aftopping van de pensioenopbouw en het eigen woningforfait. Zegt de minister nu dat daar geen sprake van is, dat dit onzin is? Als het geen onzin is, blijven die twee punten de komende zeven dagen dan wel staan? Dit zijn de punten die de minister heeft voorgesteld en daar zal hij dan toch aan vast moeten houden tijdens de onderhandelingen over het ontslagrecht. Of zegt hij: wij gaan daar nog wel over discussiëren?

Minister Bos: Toen de Kamer en met name de CDA-fractie mij vroeg om een brief te schrijven over voorstellen over deze problematiek, is vooral gevraagd om binnen dezelfde budgettaire mogelijkheden te kijken naar alternatieven die gerichter zouden zijn dan de voorstellen van het kabinet. Ik heb hieraan voldaan in deze brief. Ik heb ook van alles gelezen over alle mogelijke koppelingen. Ik kan alleen maar zeggen dat er op dit moment geen kabinetsvoorstel is voor het ontslagrecht. Er is wel een kabinetsvoorstel met de titel Belastingplan en dat wordt hier vandaag besproken.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Dit is geen antwoord op mijn vraag. Ik heb het niet over het brede onderwerp topinkomens, maar specifiek over de twee genoemde onderdelen ervan. Zijn die twee onderdelen bespreekbaar of niet? Op die vraag geeft de minister geen antwoord.

Minister Bos: In een parlementaire democratie is alles wat in een wetsvoorstel wordt voorgelegd, per definitie bespreekbaar.

De heer Remkes (VVD): Ja, bespreekbaar, maar ook veranderbaar naar de politieke opvatting van de minister?

Minister Bos: Als er goede argumenten zijn, maar die heb ik nog niet gehoord.

De heer Remkes (VVD): Dus ook de argumenten van de heer Kortenhorst zijn naar uw kwalificatie niet goed.

Minister Bos: Ik wil daar nu op ingaan. Zoals gezegd hebben de CEO’s hun brief kennelijk publiek gemaakt en dan kan ik er iets uitgebreider op ingaan. Ik begin met de vaststelling van de maatregelen die in die brief worden opgevoerd als schadelijk voor het vestigingsklimaat. Het gaat dan niet alleen over de voorgestelde beperking van de aftrekbaarheid van pensioenpremies en de verhoging van het eigenwoningforfait voor huizen met een WOZ-waarde boven de 1 mln. Er wordt nu nee geschud aan de andere kant van de tafel? In de brief die ik heb gekregen, gaat het ook om de verhoogde bijtelling van leaseauto’s. Blijkbaar heb ik een andere brief ontvangen. Dat is interessant, ik heb een andere brief. Is men toch geschrokken omdat men wist dat de andere argumenten misschien iets minder sterk waren zoals de aanrechtsubsidie, de verhoging van de btw en de verlaging van de kinderbijslag. Of zou mijn weblog van vanochtend invloed hebben gehad? Heel interessant, deze brief ken ik niet. Blijft staan dat het in de brief die ik heb ontvangen, gaat over aftrekbaarheid van de pensioenpremies, verhoging van het eigenwoningforfait en bijtelling van de leaseauto. De staatssecretaris heeft al vele malen verdedigd dat lastenverzwaring in het autodossier over het algemeen elders weer terugkomt als lastenverlichting. Er is dus geen sprake van een netto lastenverzwaring, maar van verplaatsing van de belastingdruk. Tegenover het beperken van de aftrekbaarheid van pensioenpremies staat natuurlijk het feit dat de pensioenuitkering na 65 jaar onbelast blijft indien men toch bovenmatig pensioen opbouwt. Hier is per saldo dus ook geen sprake van lastenverzwaring. Deze argumenten moeten natuurlijk meegewogen worden. Het meer principiële argument is dit. De redenering in de brief is dat eigenlijk alles wat lastenverzwarend werkt voor de hogere inkomens, per definitie wordt gezien als schadelijk voor het vestigingsklimaat. Het alternatief is kennelijk dat je wel mag heffen bij de lagere en de middeninkomens. Dit lijkt mij een moeilijke conclusie als je ervan uitgaat dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Een tweede implicatie van deze redenering is dat alternatieven zoals die bijvoorbeeld worden voorgesteld door de heer Kortenhorst en die uiteindelijk hetzelfde moeten opbrengen als de maatregelen van het kabinet, in de logica van deze brief net zo lastenverzwarend en dus net zo schadelijk zijn voor het vestigingsklimaat. Iedere lastenverzwaring voor hogere inkomens wordt immers gezien als schadelijk voor het vestigingsklimaat. Ik vind dit een moeizame redenering. Dit doet niets af aan het feit dat ik het debat met het bedrijfsleven graag aan ga. Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de heer Tilmant al gezegd dat ik daar met hem over zal praten. Die uitspraak ging over meer dan alleen topbeloningen. Ik kende zijn argumentatie op dat punt wel, maar niet op een aantal andere punten. Er is dus sowieso reden om met elkaar te praten. De andere heren weten mij ook te vinden.

De heer Tang (PvdA): Ik raak een beetje in de war door die verschillende brieven. Wat staat er in de brief van de multinationals? Ik begrijp dat daarin staat dat verlaging van de kinderbijslag, het afschaffen van de aanrechtsubsidie en de verhoging van de btw slecht zijn voor het vestigingsklimaat.

Minister Bos: Ja, dat staat in de brief die ik heb ontvangen.

De heer Tang (PvdA): Interessante brief.

De heer Irrgang (SP): Ik verbaas me over de opstelling van de minister. Een van de frustraties van de Kamer is dat de minister de voorstellen van haar kant om iets te doen aan de topinkomens, van tafel heeft geveegd. Nu ligt er een voorstel van de CDA-fractie om de extreme bonussen aan te pakken dat hem, zoals hij zegt, zeer aanspreekt. Vervolgens zegt hij dat hij zelf geen voorstel zal doen. Ik vind dit merkwaardig. Als de minister echt iets wil doen aan de topinkomens en dit voorstel spreekt hem zeer aan, dan gaat hij toch aan het werk. Hij heeft hier een hele batterij ambtenaren zitten. Ik heb me laten vertellen dat hier twee zalen vol zitten. Waarom werkt hij dit niet verder uit om vervolgens met een voorstel te komen? Dit hoeft niet voor de stemmingen volgende week klaar te zijn; hij mag er best wat langer over doen. Waarom gaat hij niet aan de slag in plaats van de bal terug te leggen bij de Kamer en te vragen of zij met een voorstel komt? De Kamer heeft al heel veel voorstellen gedaan en zij vraagt nu aan de minister om alle ambtelijke ondersteuning te gebruiken en met een voorstel te komen.

Minister Bos: Ik probeer volmaakt dienstbaar te zijn aan de wensen van de Kamer. Het was de wens van de Kamer dat het kabinet commentaar zou leveren op maatregelen die globaal werden voorgesteld. Ik heb dit in de voorliggende brief gedaan. Als de Kamer van mening is dat er bovenop de voorstellen in het Belastingplan nadere voorstellen moeten worden uitgewerkt, dan hoor ik wel of de Kamer die uitspraak doet. Volgens mij is die uitspraak niet door de Kamer gedaan. Ik heb zelf al gezegd dat de vraag of er meer nodig is, in ieder geval aan de orde komt als de rapportage van de commissie-Frijns aan de orde is. Daarnaast heeft de CDA-fractie gezegd dat haar voorstellen wellicht beter zijn dan de maatregelen die het kabinet voor ogen staan. Dit debat ben ik nooit uit de weg gegaan en ik ga het nu ook niet uit de weg. Ik wijs in deze brief alleen wel op een paar problemen die er in ieder geval in deze onuitgewerkte vorm aan dit voorstel kleven. Misschien is dit een reden voor de fractie van het CDA om dit debat in de komende tijd verder te voeren. Ook daar sta ik voor open.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik wil ingaan op de alternatieven die door mijn fractie naar voren zijn gebracht.

Minister Bos: Ik ben er niet op voorbereid om alle fiscaal-technische bezwaren tegen die alternatieven nu te bespreken. De staatssecretaris heeft dit wel gedaan. Ik ben gevraagd om hier te komen om in te gaan op de politieke context van een en ander. Ik wil me graag bij die rol houden.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): De maatregelen die de CDA-fractie voorstelt zijn destijds gepresenteerd als alternatieven voor en niet als aanvulling op de maatregelen die het kabinet voorstelt in het Belastingplan. Ze sluiten aan bij de exorbitante excessen waarover iedereen in deze zaal zich zorgen maakt. Wij hebben naar aanleiding van de maatregelen die het kabinet voorstelt voor de hogere inkomens, aandacht gevraagd voor de argumenten voor het vestigingsklimaat. De minister zegt dat hij de argumenten en de redenering van de CEO’s van vier grote bedrijven voor een deel kan volgen. Wij hebben niet alleen die brief ontvangen, maar wij hebben vanmorgen ook een brief ontvangen van de American Chamber of Commerce in The Netherlands die hetzelfde punt maakt. Iedere keer hoor ik zeggen dat buitenlandse investeringen belangrijk zijn voor Nederland, hoofdkantoren zijn belangrijk, internationale ondernemingen zijn belangrijk. Onderschrijft de minister dat het belang van hoofdkantoren van internationale investeringen en van mobiele arbeid en kapitaal vereist dat wij heel zorgvuldig kijken naar de vormgeving van deze maatregelen, zodat zij het vestigingsklimaat van Nederland niet ondermijnen?

Minister Bos: Het antwoord op die vraag is ja. De heer Kortenhorst maakte ook nog een opmerking over zijn kennelijke veronderstelling dat Nederland hier in isolement iets doet wat in andere landen niet aan de orde is. Daarmee moet ook iets voorzichtiger worden omgegaan. Bij de laatste begrotingspresentatie in Engeland heeft de Engelse minister van Financiën op belastinggebied een aantal voorstellen gedaan die juist op dit dossier grote gevolgen hebben, bijvoorbeeld inzake de problematiek van carried interest en private equity fund managers, waarvoor in Nederland met name door de SP aandacht is gevraagd. Daar is echt sprake van een enorme toename van de belastingdruk. Sarkozy is in Frankrijk mede gekozen omdat hij beloofde dat hij op dit punt de teugels strakker zou aantrekken. Hij heeft ook al maatregelen genomen om wettelijk vast te leggen dat er een transparanter verband komt tussen geleverde prestatie en verkregen beloning. Duitsland heeft een paar jaar geleden een verhoging van het toptarief gehad, zij het nog altijd dik onder het toptarief dat Nederland heeft. Het is dus niet zo dat de wereld stilstaat terwijl er alleen in Nederland iets gebeurt. Net zoals de heer Kortenhorst vind ik het vestigingsklimaat belangrijk. Naar mijn mening spelen er naast het fiscale klimaat vele andere zaken een rol, die ook allemaal belangrijk zijn. Ik denk dat deze maatregelen goed te verdedigen zijn, daarom worden zij hier ook verdedigd. Ik ben bereid om op alles verder te studeren, sta daar zeer open in, maar in de globale bewoordingen waarin het ons tot nu toe is aangereikt, zien wij vooral ook een paar knap moeilijke dilemma’s om op te lossen, willen wij met elkaar een stap verder komen. Om misverstanden te voorkomen, wil ik ten slotte het volgende zeggen. Ik hoor steeds dat het slechts om 75 mln. zou gaan. Dat betreft begrotingstechnisch alleen de belasting van het kader. Bij de pensioenmaatregelen draait het om 60 mln. en bij de eigenhuismaatregelen om 15 mln. Het saldo in 2011, zoals bekend een belangrijke doelstelling van het kabinet waaraan vooral de CDA-fractie mij bij tijd en wijle pleegt te herinneren, zou 250 mln. lager uitvallen als de pensioenmaatregel werd geschrapt. Dat dienen wij met elkaar in de uiteindelijke aftrekking te betrekken.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik wil toch even helderheid krijgen over de vraag waartoe dit uur heeft geleid. Is mijn conclusie juist dat het kabinet de komende tien dagen op geen enkele wijze met aanvullende voorstellen rondom topinkomens zal komen – het Belastingplan ligt er en dat is het – maar dat er wel alle ruimte is voor de Kamer om daarop aanvullend met voorstellen te komen, die de minister waarschijnlijk bijzonder zullen aanspreken? Klopt dat nu? Is dat de politieke toestand waarin wij vandaag, morgen, volgende week met elkaar spreken over het Belastingplan?

Minister Bos: De Kamer heeft rechten die ik haar niet kan of zou willen ontnemen. Een daarvan is het recht om met eigen voorstellen te komen, of die nu aanvullend of vervangend zijn.

De heer Vendrik (GroenLinks): Geef nu toch ook antwoord op het eerste deel van mijn vraag. Waar staan wij nu? Komt het kabinet nu met voorstellen of niet? Ik denk van niet, maar klopt dat nu? Zeg nu gewoon ja of nee, is dat nu zo ingewikkeld? Kan de minister niet overzien wat er de komende tien dagen gebeurt?

Minister Bos: Wij zitten hier om het Belastingplan te verdedigen. Daar zijn wij mee gekomen. Wij hebben geen enkele behoefte om op dit moment aanvullingen op het Belastingplan voor te stellen. Omdat de Kamer ons daarvoor een aantal punten heeft aangereikt, hebben wij gezegd dat wij ons wel kunnen voorstellen om tegen de tijd dat de commissie-Frijns rapporteert, te kijken waar wij dan staan en of er aanvullende noodzaak is voor van alles. Dat is de formele situatie. Dat doet verder niets af aan wat ik in eerste instantie antwoordde op de vraag van de heer Vendrik, namelijk dat het de Kamer vrij staat om met van alles en nog wat te komen op elk moment dat zij dat wil.

De heer Irrgang (SP): Mijn politieke conclusie is dat op dit moment deze twee voorstellen ter discussie staan en mogelijk worden vervangen door andere voorstellen. Ik vind dat jammer, omdat het zou betekenen dat wij dus niet verder komen in de aanpak van de topinkomens, maar dat wij met andere maatregelen komen die in de plaats komen van deze. De minister merkte op dat de maatregelen voor de pensioeninkomens heel netjes zijn begroot, niet op kasbasis maar op basis van het structurele effect. Hij zei dat het kasbasiseffect 250 mln. in 2011 is. Betekent dat ook dat als er vervangende maatregelen komen, hij van die maatregelen verwacht dat zij hetzelfde effect in 2011 hebben op het saldo dat door de coalitiepartijen als doel is geformuleerd?

Minister Bos: De conclusie die de heer Irrgang in eerste instantie trekt, laat ik maar voor zijn rekening. Ik constateer slechts dat hij ogenschijnlijk een diametraal tegengestelde conclusie trekt tot datgene wat de heer Vendrik net uit mijn beantwoording meende te mogen opmaken. Ik geloof dat men dat in diplomatentaal constructieve ambiguïteit noemt, dus dat laten wij dan maar even zo. Wat zijn tweede punt betreft, weet hij dat dit kabinet sterk hecht aan het saldo dat het in 2011 achterlaat. Ook dat is dus een punt van overweging bij alles wat financieel op welk moment in welk debat dan ook aan de orde is.

De heer Tony van Dijck (PVV): De minister is niet ingegaan op de publieke en semi-publieke sector en de Balkenendenorm.

De voorzitter: Ik maak als voorzitter daar even een voorbehoud bij: dit staat nu niet expliciet op de agenda, maar dat komt het nog wel. Ik dank de minister voor zijn komst naar de Kamer. Ik wil voor de lunchpauze de inbreng van de Kamer in blok 1 afmaken, natuurlijk een beetje in de hoop dat u honger krijgt. Wij waren aangekomen bij de heer Irrgang.

De heer Irrgang (SP): Voorzitter. Ook mijn fiscale honger is groot, dus ik stel het op prijs dat wij dit nu kunnen afmaken. Ik begin met een algemene beoordeling van het Belastingplan. Het Belastingplan is natuurlijk een cruciaal onderdeel van het kabinetsbeleid en van datgene wat het kabinet volgend jaar voor de burgers in petto heeft. Het is samen met het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen een flinke netto lastenverzwaring. Er vindt een bescheiden lastenverschuiving plaats van arbeid naar milieuonvriendelijk gedrag en er wordt flink wat gesleuteld aan het koopkrachtbeeld, in goede en in slechte zin. Wij zullen vandaag spreken over de buitengewone uitgaven, over het eigenwoningforfait, de aftopping van de pensioenpremies en de topinkomens. De SP-fractie steunt de staatssecretaris in vergroeningsmaatregelen die werken, maar niet in vergroeningsmaatregelen die niet werken, zoals de verschuiving van bpm naar de motorrijtuigenbelasting. Wij constateren wel dat het uiteindelijk resulterende koopkrachtbeeld waarvan het Belastingplan een cruciaal onderdeel is, wel heel erg moeilijk is. Dat is een probleem, want wij vinden wel dat er nu, op dit moment, iets moet worden gedaan aan armoedebestrijding in dit land. Het meest positieve is dat er eigenlijk geen koopkrachtvooruitgang is; dat vindt mijn fractie onvoldoende. Daarom pleiten wij voor meer nivellering. Wij vinden niet dat dit nu kan blijven liggen. Wij zullen het Belastingplan dus vooral beoordelen aan de hand van ons verkiezingsprogramma en de concrete richting van de voorstellen daarin, en natuurlijk aan de hand van ons eigen belastingplan dat wij begin september in de vorm van een tegenbegroting hebben gepresenteerd.

Ik wilde tot slot van dit algemene blokje alvast vooruitblikken op iets waarop ik straks zal terugkomen, namelijk de fiscale sprinkhanenbestrijding. Dat staat in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. Dit suggereert eigenlijk dat het niet belangrijk is, maar dat is het wat mij betreft wel. Ik was gisteren op een interessante bijeenkomst in De Rode Hoed, waar dit punt ook aan de orde kwam. Vorige week zaterdag stond in NRC Handelsblad dat het kabinet 0,5 mld. armer wordt aan het leeghalen van ondernemingen door de renteaftrek. Ik zal straks met een aantal concrete suggesties komen om wat te gaan doen aan die renteaftrek, om het aan te scherpen. Ik vind niet dat de fiscus dit soort gedrag, dus het leeghalen van ondernemingen, het zwaar ’’verschulden’’ van ondernemingen, nog eens een keer fiscaal moet subsidiëren.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Ik maak toch bezwaar tegen het gebruik van taal zoals ’’te grazen nemen’’ en ’’bestrijden van sprinkhanen’’ door mijn collega’s, wanneer het gaat over fiscale maatregelen. Dat draagt duidelijk niet bij aan de toon van het debat over het vestigingsklimaat in Nederland. In ieder geval zijn er van de kant van mijn fractie grote bezwaren tegen een dergelijke terminologie.

De heer Irrgang (SP): Ik waag te bestrijden dat dit namens uw fractie is. De heer De Nerée, die in de Kamer hierover begon, gebruikt ook het woord ’’sprinkhanen’’. Vergeet ook Joop Wijn niet, gewezen minister van Economische Zaken. Ik meen hierin in het CDA een bondgenoot te hebben. Dat geldt kennelijk niet voor de heer Kortenhorst, maar ik hoop toch dat ik hierin met het CDA, met zijn collega de heer De Nerée en met deze nieuwe staatssecretaris van Financiën, stappen vooruit kan zetten.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Nee, mijnheer Irrgang. Wanneer het aankomt op een gedegen debat over het fiscale vestigingsklimaat in Nederland, gebruik ik geen termen zoals ’’te grazen nemen’’ en ’’sprinkhanen’’. Ik denk dat dit niet bijdraagt tot een Nederland dat concurrerend is, een Nederland dat een innovatieve economie heeft, een Nederland dat een goed vestigingsklimaat heeft. Ik doe daar dus niet aan mee.

De heer Irrgang (SP): Ik denk dat het niet in het Nederlands belang is dat bedrijven zodanig in de schulden worden gestoken dat zij nagenoeg allemaal verlieslijdend worden en dat dit ook nog eens wordt gesubsidieerd door de fiscus. Dat is niet het vestigingsklimaat dat je zou moeten willen. Ik wil dus samen met het CDA – ik dacht dat ik daarin de heer De Nerée als bondgenoot had – en hopelijk ook samen met deze staatssecretaris kijken of wij daaraan kunnen werken. Ik zal daarvoor straks een aantal concrete richtingen suggereren. Ik hoop dan een constructieve opstelling, niet alleen van deze CDA-staatssecretaris, maar ook van de heer Kortenhorst te mogen bemerken.

De heer Tony van Dijck (PVV): Voorzitter. Het kabinet komt met een pakket aan fiscale maatregelen waar je u tegen zegt. In 2008 wordt maar liefst 2 mld. extra bij de burgers weggehaald en dit stijgt naar 5 mld. in de jaren daarna. De grote vraag in dit verband is ’’waarom’’. Waarom moet de belastingdruk verder worden verhoogd voor burgers en ondernemers? Deze is al bijna het hoogste van heel Europa. Zitten wij soms in een recessie en moet iedereen zijn steentje bijdragen om uit het economische dal te klimmen? Zitten wij soms in een buitensporigtekortprocedure bij de Europese Unie? Gaat dit kabinet de staatsschuld versneld aflossen? Niets is minder waar. Het kabinet doet niets aan dit alles. Het kabinet heeft gewoon meer geld nodig voor linkse hobby’s. Het is nooit genoeg: meer geld naar ontwikkelingshulp, immigratie, kunst, cultuur, publieke omroep, generaal pardon, krachtwijken en noem maar op. Het zijn allemaal zaken waarop de burger, de ondernemer en de economie van Nederland niet zitten te wachten, maar zij mogen het wel betalen. Wat de effecten van deze lastenverzwaring betreft, verwijst de staatssecretaris naar het CPB. Het is echter niet bekend in hoeverre hierbij ook rekening is gehouden met externe factoren zoals de prijs van de olie, die op bijna 100 dollar zit, de valutaontwikkeling – de euro staat het hoogst sinds de introductie ervan – en de kredietcrisis in de Verenigde Staten. Is het niet meer dan billijk dat in het licht van deze recente ontwikkelingen de optimistische blik op de toekomst en de economische groei moet worden bijgesteld en daarmee ook het kabinetsbeleid voor zover het gaat om lastendruk? De prijs van de brandstof is, zo hebben wij in de laatste weken kunnen zien, naar een recordhoogte gestegen. Die staat nu op € 1,53. Op 1 januari van dit jaar was dit nog € 1,34. Als gevolg van deze ontwikkeling gaat de automobilist er nu fors in koopkracht op achteruit. Met andere woorden, voor deze negatieve koopkrachtontwikkeling hebben wij de overheid niet eens nodig. Ook zonder overheid gaan wij allen er volgend jaar flink op achteruit. Wat dit kabinet doet, is zout strooien in de open wonden bij de burgers en dit gaat heel veel pijn doen. Wij hebben vraagtekens bij de effecten van deze belastingmaatregelen. Hebben zij wel het gewenste effect? Wij denken eerder het tegenovergestelde. De lastendruk in Nederland heeft zijn maximum bereikt. Verder verhogen van de belastingdruk resulteert in minder inkomsten voor de staatskas. De bereidheid van burgers om nog meer aan de staatskas af te dragen is verdwenen, waardoor men gericht op zoek gaat naar alternatieven om de belasting te ontwijken. Veel burgers lopen met plannen voor emigratie, zwartwerken, illegaal importeren van drank en sigaretten in de grensstreek en noem maar op. Daarom hebben wij een algemene vraag aan de staatssecretaris. Heeft hij de effecten van de voorgenomen belastingmaatregelen voldoende doorgerekend? Op welke operationele budgettaire doelstellingen kunnen wij hem afrekenen? Welk scenario heeft hij in petto indien de verwachte extra inkomsten blijken tegen te vallen of wanneer volgend jaar de economische groei stagneert? Gaat het kabinet dan intensiveringen schrappen of gaat het verder met extra lastenverzwarende maatregelen? Ik kom bij de uitvoerbaarheid. Wij weten allemaal dat de Belastingdienst onder vuur ligt. De IT is een puinhoop en men kan de stroom van klachten nauwelijks aan. De grootschalige complexe gegevensverwerking en -uitwisseling is onbeheersbaar gebleken. De staatssecretaris kwam in de zomer met een plan voor een vereenvoudigingsoperatie bij de Belastingdienst. Toch presenteert dit kabinet weer een veelheid aan extra belastingmaatregelen, waardoor de Belastingdienst extra wordt belast. Kan de staatssecretaris garanderen dat dit niet leidt tot extra problemen in de uitvoering bij de Belastingdienst? Is het niet verstandiger om maatregelen gefaseerd in te voeren en eerst een gedegen proefdraaiperiode in te stellen alvorens een maatregel tot wetgeving te bombarderen? Afgesproken was ook dat alle wet-en regelgeving eerst zou worden getoetst op uitvoerbaarheid door de Belastingdienst. In hoeverre is dit met het Belastingplan 2008 gebeurd? De staatssecretaris stelt dat de betrokken partijen uit de praktijk uitvoerig zijn betrokken bij deze maatregelen, met name maatregelen die in het kader van de vergroening zijn voorgesteld. De Partij voor de Vrijheid ziet dit niet. Wij krijgen en zien alleen maar reacties van betrokken partijen die fel uithalen tegen alle maatregelen en die deze naar de prullenbak verwijzen. MKB Nederland, VNO-NCW, Bovag ANWB, de RAI, stopbos.nl; iedereen is bezig om deze plannen af te schieten. Wij willen graag weten met wie de staatssecretaris overleg heeft gevoerd.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Zegt de heer Van Dijck dat hij de noodzaak van vergroening en de ernst van het klimaatprobleem niet ziet? Of ziet hij niet hoe daarover overleg is gevoerd?

De heer Tony van Dijck (PVV): Wij zien zeker de noodzaak tot een zekere mate van vergroening. Het valt ons op dat de staatssecretaris in de stukken stelt dat er met name over de vergroening overleg is geweest, terwijl wij zien dat partijen hebben gereageerd op die maatregelen.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Het Belastingplan is een voertuig voor de financiering van de samenleving. Het belastingpakket moet evenwichtig en naar draagkracht ingericht zijn. Het is ook een beleidsinstrument tot gedragsbeïnvloeding en er zijn diverse maatregelen die in die context moeten worden begrepen. Het komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Wij hebben het debat gehad over de regeringsverklaring en daarna over het beleidsprogramma. Daarna hebben wij de algemene politieke beschouwingen gehad en daarna de algemene financiële beschouwingen. Daarbij waren de maatregelen die nu concreet neerslaan in het Belastingplan natuurlijk al in discussie. Ik reageer daarmee even op collega Remkes, die natuurlijk een punt had toen hij een knip maakte tussen bestaande maatregelen en de modaliteiten erin enerzijds en nieuwe belastingmaatregelen anderzijds. Hij heeft enkele voorbeelden gegeven. Daarover zou je eigenlijk eerst separaat moeten spreken: willen wij dat en zo ja, hoe willen wij dat, in welke mate enzovoort? Ik dacht dat het toch nuttig was even te refereren aan de vier eerdere momenten waarop die maatregelen ten principale al ter discussie stonden. Het gaat de SGP-fractie erom dat er een duurzaam en eenvoudig pakket komt met enige daadkracht en, kan het zijn, ook het perspectief dat je binnenhaalt wat je ermee wenst te bereiken. Het geheel overziende hebben wij natuurlijk ook onze kanttekeningen. Daarover komen wij in de loop van de dag verder te spreken. Zelfs hebben wij forse kritiekpunten, maar ik zie de gelegenheden daarvoor opdoemen in de andere blokken. Ik hoef er nu dan ook niet over te spreken.

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Onlangs hoorde ik iemand zeggen dat het Belastingplan dit jaar topzwaar is. Ik vond dat een rake opmerking. De staatssecretaris is met frisse moed begonnen en heeft een indrukwekkend pakket aan belastingmaatregelen gepresenteerd. Zijn enthousiasme heeft er zelfs toe geleid dat wij vandaag al plannen bespreken voor 2009. Een voortvarend man! Wij complimenteren de staatssecretaris met dit Belastingplan. Wij zien veel maatregelen terug die bijdragen aan de doelen waar wij ons al jarenlang hard voor maken, zoals de vergroening van het belastingstelsel en het minder belasten van arbeid. Concreet noem ik onze lang gekoesterde wens van een verpakkingstaks en de milieudifferentiatie voor autobelastingen. Wij geloven dat met dit pakket forse stappen worden gezet om de genoemde doelen te realiseren.

De heer Vendrik (GroenLinks): De heer Tang heeft daarstraks de politieke wens uitgesproken om verder te gaan met de vergroening, zowel binnen de taakstelling van 1,6 mld. als daarbuiten. Geldt die wens ook voor de ChristenUnie?

De heer Cramer (ChristenUnie): Je moet steeds stappen zetten. Met dit Belastingplan zijn stappen gezet. Het is de vraag hoe hard je moet gaan lopen. Je moet voorkomen dat je struikelt over je eigen benen. De voorstellen die de heer Vendrik aan de heer Tang deed, bergen het grote risico in zich dat je tijdens de marathon je benen dubbel slaat en je op je plaat gaat. Maar wij zullen stappen moeten blijven zetten.

De vergadering wordt van 13.18 uur tot 14.00 uur geschorst.

(…)

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Voorzitter. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de ambtenaren in het gebouw te bedanken voor hun ondersteuning. Het belangrijkste onderwerp uit dit blok zijn voor mijn fractie de maatregelen voor de hogere inkomens. Hierover hebben wij vanmorgen al onze gedachten laten gaan en ik hoef dan ook niet al mijn argumenten herhalen. Voor de continuïteit van de discussie vat ik wel enkele van die argumenten samen. Ik voeg er overigens ook enkele aan toe. Vanmorgen zei ik al dat mijn fractie de zorgen in de samenleving deelt over de exorbitante beloningen van een beperkt aantal bestuursleden van grote beursgenoteerde ondernemingen. Het is een groot probleem, vooral door de uitstraling die individuele gevallen hebben naar de samenleving. Juist daarom hecht mijn fractie eraan om met zorg na te denken over de maatregelen die wij moeten nemen. Mijn fractie is daarbij consistent, want wij hebben keer op keer gezegd dat de maatregelen uit het Belastingplan in onze ogen bepaald niet afdoende zijn om de excessen aan te pakken. Dat is ook de reden dat mijn fractie alternatieven heeft gepresenteerd. Ik zeg nadrukkelijk alternatieven en geen aanvullingen. Verder sluiten onze alternatieven beter aan bij de problemen die door de samenleving worden gesignaleerd. Ik heb vanmorgen uitgebreid gesproken over mijn zorgen over het Nederlandse vestigingsklimaat. Het internationale bedrijfsleven, buitenlandse investeerders en hoofdkantoren zijn wel degelijk extreem belangrijk voor Nederland. Ik herinner hiervoor maar aan het feit dat de Tweede Kamer de afgelopen maanden regelmatig met zorg heeft gesproken over het mogelijke vertrek van ABN AMRO en het verlies van de ABN AMRO als hoofdkantoor van de Nederlandse economie. Wij moeten de zorgen van de heer Tilmant van ING, de vier grote Nederlandse bedrijven die de Kamer een brief hebben geschreven, de buitenlandse investeerders van wie wij ook een brief hebben gekregen, dan ook wel degelijk serieus nemen. In de afgelopen maanden hebben wij regelmatig met elkaar gesproken over het belang van Nederland als kenniseconomie, het belang om buitenlandse kenniswerkers aan te trekken en om Nederlandse kenniswerkers vast te houden. Ook dat is cruciaal voor het succes van onze economie. Het valt niet te ontkennen dat in een globaliserende wereld de mobiliteit van arbeid en kapitaal is toegenomen. Misschien vinden wij dat geen leuke realiteit, maar het is wel de realiteit. Noch in de nota naar aanleiding van het verslag, noch in de brief, noch in het korte debat met minister Bos van vanmorgen worden mijn zorgen weggenomen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik snak naar uw politieke conclusie over de wijze waarop het debat met het kabinet tot nu toe is gevoerd. In de algemene financiële beschouwingen en het debat van vanmorgen met de minister van Financiën kreeg u uw zin niet. U krijgt tot op heden gewoon uw zin niet. Je kunt twee dingen doen: je gaat echt dreigen in de richting van de staatssecretaris (intrekken die twee maatregelen of er zwaait wat), maar dat hoor ik u niet doen of je doet er het zwijgen toe. U doet echter geen van beide. Wat hebt u vandaag geleerd? Wat doet u daar nu mee? Gaat u nu herhalen dat u bezwaren heeft en dat hij, dus de staatssecretaris, in dit geval niet naar u luistert? En dan? Wat gaat u dan doen?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Mijnheer Vendrik, u zult nog even geduld moeten hebben. Ik heb begrepen dat u een hele hoop ervaring in dit huis hebt. Ik heb dat wat minder, maar ik heb inmiddels wel een ding snel geleerd: alles heeft zijn tijd. En de tijd wordt hier bepaald door degenen die de klok in handen hebben. Dat is in dit geval niet de fractie van GroenLinks. U zult dus nog even geduld moeten hebben, voordat u mijn definitieve conclusie bij dit onderwerp zult krijgen. Voorzitter. Nogmaals, het gaat bij deze maatregelen niet alleen om het internationale bedrijfsleven. Het betreft evenzeer de ondernemers, mkb’ers, die net zo cruciaal zijn voor de Nederlandse economie. Ik citeer onze minister-president tijdens het CDA-congres van afgelopen zaterdag: Nederland moet weer een toonbeeld worden van ondernemerschap en innovatie. Zowel hij als minister Van der Hoeven heeft recent ook gezegd: wij moeten af van de zesjescultuur. Heeft Nederland Innovatieland niet juist behoefte aan mensen die durf en ambitie hebben, die bereid zijn om risico’s te nemen en die iets willen opbouwen? Hoe moeten wij die stelling dan rijmen met de plannen om hogere inkomens aan te pakken, te grazen te nemen, zoals collega Vendrik zelfs zei? Hoe verhoudt het stimuleren van ondernemerschap zich met de mentaliteit waarbij men ervan uitgaat dat hogere inkomens en grote huizen aangepakt moeten worden? Vanwaar het morele oordeel dat, als je meer dan € 185.000 verdient, je eigenlijk verkeerd bezig bent? Deelt de regering mijn zorg dat vooral de toon van deze maatregelen in strijd is met de ambitie van de regering om Nederland ondernemend innovatieland te maken? Mijn fractie heeft reeds herhaaldelijk uitgesproken dat wij zorgen hebben over de specifieke invulling van deze maatregelen. Zijn de argumenten omtrent vestigingsklimaat, omtrent de Nederlandse kenniseconomie en omtrent het ondernemerschap en innovatie wel voldoende meegewogen? Mijn fractie heeft alternatieven aangedragen, wederom, niet om ze aan het rijtje toe te voegen, maar omdat ze misschien een betere uitwerking zijn van de doelstelling om de echte excessen aan te pakken. In de brief van vanmorgen is ook nog niet kant-en-klaar een oordeel geveld. De minister geeft ons na nadere studie namelijk verdere informatie. Vandaar ons voorbehoud en, inderdaad mijnheer Vendrik, nog even de tijd.

De heer Tang (PvdA): De vraag is of hier nu een moreel oordeel wordt uitgesproken. Ik weet niet wie u dat heeft horen doen. Volgens mij zijn deze maatregelen een toepassing van het principe dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Zo worden de maatregelen ook door het kabinet gepresenteerd. Dat is geen moreel oordeel, maar een moreel uitgangspunt. Vandaar mijn vraag waar u dat morele oordeel gehoord hebt. Dat hebt u toch niet van het kabinet gehoord? Verder spreekt u over durf en ambitie. Ik heb vanmorgen al gezegd dat durf en ambitie ook betekenen dat partijen kiezen voor grondslagverbreding. Bij onnodige fiscale subsidies gaat het erom dat die gaan naar mensen die deze subsidies niet nodig hebben. Die onnodige fiscale subsidies moeten dus aangepakt worden. Daarom: ontstijg de zesjescultuur en durf op dit punt door te pakken, dus toon durf en ambitie.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Het morele oordeel is wel degelijk een ondertoon in de discussie die over dit onderwerp in de afgelopen weken, zelfs maanden gevoerd is. Het is misschien niet de letterlijke tekst van het wetsvoorstel, maar volgens mij is het dus wel degelijk de toon van de discussie die wij met elkaar gevoerd hebben. Het tonen van durf en ambitie komt misschien ook wel een beetje neer op tegendraads handelen en zeggen: dat doen wij dus niet. Als u vindt dat de grondslag verbreed moet worden, zet u daarmee een veel bredere stap dan de stap die het kabinet voorstelt. Dit geldt met name op het gebied van de pensioenen, alsook op dat van het eigenwoningforfait. In mijn ogen zijn deze maatregelen in ieder geval niet geformuleerd als algemene grondslaguitbreidingen, waarbij een veel bredere basis van het pensioen en van het eigen huis in de grondslag van de belasting betrokken kan worden. Als dat wel zo was, zou de zorg van mijn fractie nog veel groter worden. Laat duidelijk zijn dat Nederland ontzettend trots is op zijn pensioenstelsel. Het is een van de redenen waarom wij de toekomst met veel meer vertrouwen qua financiële stabiliteit tegemoet kunnen treden, ook al rukt de vergrijzing verder op.

De voorzitter: Ik ga u even onderbreken, want bijna iedereen wil u hierover een vraag stellen. Het helpt als u een kort antwoord geeft.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Daarom is het heel duidelijk dat wij niet en masse het pensioenstelsel in Nederland gaan betrekken bij de grondslag van onze belasting, want dan is € 185.000 alleen nog maar een tijdelijke grens en niet langer een maatregel, gericht op topinkomens.

De heer Remkes (VVD): Enig historisch besef is in dit soort discussies wel goed. Is de heer Kortenhorst zich ervan bewust dat de slogan over de sterkste schouders en de zwaarste lasten het Leitmotiv was van het kabinet-Den Uyl? Is hij eigenlijk ook niet van mening dat wat hij zojuist heeft gezegd, eigenlijk een antwoord op de vraag van de heer Vendrik is? Ik heb er politiek begrip voor dat de heer Kortenhorst namens de fractie van het CDA wat tijd wil kopen, maar eigenlijk heeft hij de vraag van de heer Vendrik met ja beantwoord. Gewoon terugdraaien dus.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Die laatste conclusie kan ik in ieder geval niet volgen, maar misschien wil de heer Remkes dit nog eens toelichten. Op de vraag over Den Uyl kan ik alleen maar antwoorden dat het leeftijdsverschil waarschijnlijk een rol speelt. Op dat moment was ik nog niet zo politiek betrokken. Ik was meer gefocust op andere dingen in het leven zoals sport enne ...

De heer Remkes (VVD): Ik deed toen verschillende dingen naast elkaar.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Knap. Het spijt mij, daar was ik mij niet van bewust. Ik heb die slogan zojuist in ieder geval niet in de mond genomen; daar ben ik braaf omheen gezeild. Ik heb er namelijk niet zo veel mee.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. De heer Kortenhorst heeft het over innovatie en de zesjescultuur. De heer Kortenhorst is vast ook op de hoogte van het advies van Rinnooy Kan. De zesjescultuur wordt vooral veroorzaakt doordat er geen geld wordt uitgetrokken voor het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs. Vindt de heer Kortenhorst niet dat er 1 mld. voor innovatie en voor het doorbreken van de zesjescultuur moet worden uitgetrokken?

De voorzitter: Mevrouw Koşer Kaya, dit bespreken wij niet in dit debat. Mijnheer Kortenhorst, u hoeft hier niet op te reageren.

De heer Cramer (ChristenUnie): Ik houd van krachtige ingrepen. Ik val de heer Tang bij die zegt dat hij bij de heer Kortenhorst ten onrechte een morele ondertoon beluistert. Het kabinet heeft een standpunt ingenomen ten aanzien van de sterke schouders en de zwaarste lasten. Vanuit dat oogpunt is er voor een bepaalde grens gekozen. Volgens mij is de keuze voor de € 185.000 breder dan u volgens uw bijdrage maakt: innovatie en hoge inkomens aan elkaar koppelen. Kunt u dat toelichten? Als je in de innovatiesector een goede baan hebt, hoef je je over deze ontwikkelingen toch minder zorgen te maken dan iemand die ver onder die grens zit en heel grote veranderingen in het pensioen-of verzekeringsstelsel dat wij in Nederland kennen en dat door u wordt geroemd, op zich af ziet komen?

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Daar kan ik wel antwoord op geven. Ik ben als woordvoerder innovatie van mijn fractie de afgelopen jaren regelmatig op bezoek geweest bij innoverende bedrijven. Er is eigenlijk bijna altijd wel iemand met passie. Ik noem die persoon maar even een ondernemer, al hoeft die niet altijd een ondernemer in de traditionele zin van het woord te zijn. Er is bij een innovatie altijd wel zo iemand met ondernemingszin, lef, durf en ambitie betrokken geweest. Vaak komen de ambitie en de drive voort uit wat de ondernemer onderneemt. Daar kleeft vaak ook een economisch argument aan. De combinatie van die twee leidt tot een succesvolle, ondernemende, dynamische en innovatieve economie. Dat mogen wij niet kwijtraken.

(…)

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ik begin met de algemene heffingskorting. D66 vindt dat de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting sneller moet worden afgeschaft dan het kabinet doet. Het kabinet kiest voor een periode van vijftien jaar, met een vrijstelling voor mensen die voor 1972 zijn geboren en voor ouders met kinderen tot zes jaar. Dat het kabinet mensen niet van de ene op de andere dag confronteert met een financiële tegenvaller van € 2000 kan ik begrijpen. Ik vind het echter onbegrijpelijk dat het kabinet zo halfslachtig is in het doorvoeren van een maatregel, waarvan alle deskundigen, van het CPB tot de Raad van State, zeggen dat dat de maatregel is om de arbeidsparticipatie, met name die van vrouwen, te bevorderen. Dan de aftopping pensioenopbouw en aanpassing eigenwoningforfait. Ik heb aan minister Bos deze vragen ook gesteld, maar hij verwees mij naar staatssecretaris De Jager. Hij wilde alleen op de politieke vragen ingaan. Dat is prima, maar dan herhaal ik mijn vragen nu wel even. Wat betreft de aftopping van de pensioenopbouw bij € 185.000 en de verhoging van het eigenwoningforfaitpercentage naar 2,35 bij woningen vanaf 1 mln. wil ik de staatssecretaris vragen welke invloed hij denkt dat dit heeft op de kenniseconomie en de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor bedrijven, kenniswerkers en expats. Is het juist dat alleen al bij het hoofdkantoor van Shell in Den Haag 800 werknemers getroffen worden door deze maatregel? Ik begrijp van mijn collega van het CDA dat zij deze maatregelen eigenlijk symboolmaatregelen vinden, maar dat zij vooralsnog niet bijten. Ik hoop dat dat bijten toch nog komt. Ik wil dan wel van het CDA weten hoe het zit met de motie die op hun congres is ingediend en waarin werd gevraagd om een visie op de woningmarkt en hoe de overheid financieel betrokken wil zijn bij de woningmarkt. De woningmarkt is dichtgeslibd. Als de CDA-fractie dit punt zo belangrijk vindt, hoort zij daar een visie op te hebben.

De voorzitter: Deze procedure kennen wij natuurlijk niet, dat u in uw eigen termijn anderen gaat vragen te interrumperen. Daaraan wil ik niet meewerken, gaat u maar gewoon verder.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Het antwoord is dat het in de motie staat.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ik had daar nog zo op gehoopt, want ik kon die vraag net niet stellen. Is het verder juist dat de uitvoeringskosten voor de pensioenfondsen van de aftopping terecht zullen komen bij de lagere en middeninkomens zoals de FNV stelt? Dat zouden wij niet moeten willen. Ik heb een paar uur geleden met de heer Tang een debat gevoerd over de koopkracht van middeninkomens alleenstaanden en middeninkomens zonder kinderen in 2008. Na de Macro-economische Verkenningen zijn er volgens mij geen berekeningen van de koopkracht meer geweest. Volgens mij gaan de middeninkomens alleenstaanden en middeninkomens zonder kinderen er helemaal niet op vooruit. Ik vraag mij überhaupt af of die middeninkomens met kinderen wel vooruitgaan, want zij hoeven het niet van die schoolboeken te hebben. Ik zou het waardevol vinden als er een berekening komt, zodat wij kunnen nagaan of deze groepen er enigszins op vooruitgaan. Ik wil hierop voor het eind van het jaar antwoord hebben; die berekeningen zouden er al moeten zijn.

(…)

De heer Tang (PvdA): Ja, maar de maatvoering is nog niet vastgelegd. Naar aanleiding van het betoog van de heer Kortenhorst heb ik een aantal opmerkingen. Het is niet zozeer dat mensen die alleen een duur huis hebben meer belasting gaan betalen vanwege het eigenwoningforfait, het zijn met name mensen die meer schulden hebben. Het is niet zo dat mensen met een duur huis zonder hypotheek door deze maatregel getroffen worden, want er is een aftrek vanwege geen of geringe eigenwoningschuld. Overigens heeft uw partij daar nog voor gezorgd, dus u had deze mensen gewoon gerust kunnen stellen. Het bezwaar tegen het huidige eigenwoningforfait is dat dit schulden bevordert. Ik kan mij niet voorstellen dat het CDA het laten oplopen van schulden gewenst beleid vindt. Terecht is de nadruk gelegd op ondernemerszin. Veel mensen starten uit ondernemerszin activiteiten. Zij laten zich niet alleen drijven door geld. Door er steeds de nadruk op te leggen dat wij niet iets van de hoge inkomens moeten vragen, lijkt het net of deze mensen het alleen maar doen vanwege geld, terwijl ik denk dat zij het doen vanwege ondernemerszin. Ik vind dat het CDA meer mag benadrukken dat het niet alleen gaat om het geld, maar juist om ondernemerszin. Zij kunnen dus best wat bijdragen. Ik zeg dit omdat ik niet wil dat hier een moreel oordeel wordt geveld over deze mensen. Wij kunnen bewondering hebben voor mensen die een eigen bedrijf opbouwen en daarin succesvol zijn. Dat is niet het punt. Het morele oordeel sluipt erin op het moment dat wij praten over bestuurders die in ons perspectief eigenlijk helemaal geen ondernemers zijn omdat zij geen risico lopen en die vervolgens zakken met geld opstrijken waar geen prestatie tegenover staat. Dan kruipt er inderdaad een moreel oordeel in, maar ook dat zal de heer Kortenhorst goed begrijpen. Daarin verschillen wij niet.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Daarin verschillen wij inderdaad niet. Maar juist daarom is het zo belangrijk dat deze maatregelen nauwkeurig gericht worden op precies de groep waar de heer Tang het over heeft. Hij wil mij toch niet wijsmaken dat iedereen die in Nederland in een huis woont met een waarde van meer dan 1 mln. en iedereen die in Nederland een pensioen opbouwt boven de € 185.000 bij die groep van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen behoort die buitenproportioneel exorbitant beloond wordt? Daarom lopen deze twee maatregelen inderdaad spaak.

De heer Tang (PvdA): Dat zeg ik ook niet. U hebt gelijk dat deze maatregelen niet zijn bedoeld om de excessen aan te pakken. Vandaar dat wij uw voorstel steeds als aanvulling hebben gezien en niet als alternatief.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Er bloeit liefde tussen beiden.

De heer Remkes (VVD): Volgens mij valt dat tegen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Daarom zeg ik het ook.

(…)

De heer Remkes (VVD): Voorzitter. ’’De AOW gehandhaafd wordt als welvaartsvast basispensioen op 65 jaar, er geen extra belastingheffing voor 65+’ers en de pensioenaftrek blijft bestaan om zo ons solidaire pensioensysteem overeind te houden.’’ Het voorstel dat nu op tafel ligt, is flagrant in strijd met die passage. Die passage komt echter wel uit het verkiezingsprogramma van het CDA! Nog los van dat feit – wat het CDA in haar verkiezingsprogramma schrijft, is voor mij niet altijd leidend – betekent dit voorstel ten principale een trendbreuk met de systematiek die wij tot dusver hebben gehanteerd. Het is niet voor niets dat werkgevers én werknemers zich tegen dit voorstel verzetten. De argumentatie van het kabinet voor dit voorstel en zijn budgettaire consequenties is flinterdun. In wezen is het symboolpolitiek, waarbij ten onrechte een verband wordt gelegd tussen de discussie over zelfverrijking en het in stand houden van het solidaire pensioensysteem. Aan dit kabinetsvoorstel kleeft het risico van precedentwerking. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt geruststellend geantwoord: Ik kan de leden van de fractie van de VVD echter mededelen dat er geen enkel voornemen is tot verlaging van de aftoppingsgrens. Maar dat geldt alleen voor dit kabinet! Wie garandeert mij dat het kabinet-Marijnissen, -Bos, -Verhagen of -Eurlings – ik neem aan dat Balkenende niet tot zo’n kabinet toetreedt – in een keer de grens niet veel verder verlaagt?

De heer Vendrik (GroenLinks): De VVD zien wij in ieder geval jarenlang niet terug.

De heer Remkes (VVD): Bij dit soort voorstellen niet. Ik vertrouw er overigens op dat de kiezer het niet zo ver laat komen. Hetzelfde geldt voor het voorstel voor het eigenwoningforfait. Ook daaraan wordt ten principale gemorreld, in tweeërlei opzicht. In de eerste plaats gaat het plafond eraf en in de tweede plaats geldt het percentage van 2,35. Ik heb mijn hoofd aan alle kanten over dat percentage gebroken. Waar is het op gebaseerd? Ik heb daarnaar in de inbreng gevraagd, maar er geen antwoord op gekregen. Ik ben nog eens aan het rekenen geslagen. Kan het te maken hebben met de rekensom 2,35 x 0,52? Dat is namelijk 1,2. De staatssecretaris kan het mij erg gemakkelijk maken voor het vervolg van het debat door even nee te schudden of ja te knikken. Heeft het daar iets mee te maken? Ik krijg hier geen reactie op.

Staatssecretaris De Jager: Het antwoord is iets genuanceerder. Ik wilde er in mijn termijn netjes op terugkomen. Ik besef dat de grens van € 185.000 gevaarlijk dicht bij de Balkenendenorm ligt, maar zij is daar toch niet aan gerelateerd. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de 2,35% oorspronkelijk wel een combinatie was van het box 1-tarief met het tarief dat lijkt op het box 3-tarief en verband houdt met het vermogensbestanddeel. Wij hebben het daar toch niet aan gerelateerd.

De heer Remkes (VVD): Dat begrijp ik in formeel opzicht heel goed.

Staatssecretaris De Jager: Als het box 3-tarief omlaag gaat, hoeft dit tarief niet automatisch omlaag te gaan.

De heer Remkes (VVD): Dat begrijp ik heel goed, maar de samenloop van omstandigheden is echt wel heel toevallig.

Staatssecretaris De Jager: Nee, het is niet geheel toevallig.

De heer Remkes (VVD): Het CDA zou hier ten principale goed bij stil moeten staan, want wij zitten heel dicht bij de behandeling van de eigen woning in box 3. Daar praten wij concreet over. Met dit voorstel wordt daar natuurlijk ook een voorschot op genomen. Dit onderstreept mijn stelling van hedenochtend dat de bewindslieden van het CDA hebben zitten slapen toen dit voorstel in de Trêveszaal aan de orde was. Het verkiezingsprogramma van het CDA is op dit punt helder. Het regeerakkoord is dat eveneens. Er wordt geen wijziging van de fiscale behandeling van de eigen woning overwogen. De inkt is nog niet droog of de gewekte verwachtingen worden onderuit geschoffeld en de betrouwbaarheid van de politiek is daarmee dus totaal onderuit gehaald. Feitelijk wordt er natuurlijk via de achterdeur wel aan gemorreld.

De voorzitter: Mijnheer Kortenhorst, ik wijs erop dat u alleen vragen mag stellen en geen betogen mag houden.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Voorzitter. Ik vraag mij af of de heer Remkes geen tel-, reken-of denkfout heeft gemaakt. In de berekening dat 2,35 x 0,52 1,2 is, zit een fout, want in box 3 mogen normaal gesproken de verwervings-en instandhoudingskosten van het eigen vermogen in mindering mogen worden gebracht op het rendement. Als dat zo was, zou u toch in dit geval 0,7, 0,8 of 0,9% – laten wij voor het gemak zeggen 1% – hebben moeten aftrekken van het rendement op dat eigen huis. Dus dan zou die 2,35% maar 1,35% moeten zijn. Ik denk dus dat u toch een telfout hebt gemaakt.

De heer Remkes (VVD): Dat is niet aan de orde. Ik heb dit echt nagerekend. U kunt de toevalligheid van deze samenloop ook niet helemaal ontkennen. Dat was ook precies waarom ik de staatssecretaris een interruptie uitlokte, waarop hij keurig heeft gereageerd, of deze zaken iets met elkaar te maken hebben. Hij heeft dat met zoveel woorden toegegeven.

De heer Jules Kortenhorst (CDA): Nee, want als het zou gaan om een huis, zou je de onderhoudskosten van dat huis hebben mogen aftrekken in box 3. Als je diezelfde logica hier toepast, moet je van het eigenwoningforfait eerst de onderhoudskosten aftrekken. Dan kom je op een ander resultaat uit, dus dit kan nooit zo zijn.

(…)

De heer Irrgang (SP): ...dan spreken wij er zo meteen verder over. Wat de aftopping van de pensioenopbouw betreft, was mij ook opgevallen dat die grens van € 185.000 verdraaid veel lijkt op de MP-norm van € 171.000. Dat is dus volkomen toevallig? Net zo toevallig als de 1,2%?

Staatssecretaris De Jager: Die is niet toevallig.

(…)

De heer Tony van Dijck (PVV): Voorzitter. Dit kabinet is voornemens om, weliswaar in 2009, een belangrijke verworvenheid te elimineren, namelijk de algemene heffingskorting. Over lastenverlichting gesproken: partners die ervoor kiezen de rol van huisvrouw of moeder te vervullen, worden min of meer gedwongen om te gaan werken. De mogelijkheid om de algemene heffingskorting over te hevelen naar de meest verdienende partner geeft veel mensen net dat beetje lucht om te kunnen blijven ademen. Door dit voornemen wordt de belastingdruk in dit land verder verhoogd. Veel gezinnen rekenen op deze heffingskorting en hebben hun uitgaven daarop afgestemd. Dit kabinet geeft dan ook een brevet van onbetrouwbaarheid af door de introductie van deze maatregel, waardoor veel gezinnen in de problemen kunnen komen. Hetzelfde geldt voor de bevriezing van de algemene heffingskorting. Doordat deze niet meer wordt geïndexeerd voor de inflatie, zal de fiscale aftrek elk jaar minder worden. Deze maatregel betekent wederom koopkrachtverlies voor elke burger. De maatregel levert de schatkist in totaal maar liefst 3 mld. op. De maatregel rond de pensioenpremieaftrek legt een bom onder het fundament van het pensioenstelsel van Nederland. Voor het eerst wordt de omkeerregel losgelaten. Deze maatregel is typisch voor kortetermijnpolitiek. Hij genereert op korte termijn extra inkomsten, maar minder inkomsten op de langere termijn, waardoor de financiering van de vergrijzing in gevaar komt. Daarnaast vindt de PVV-fractie het levensgevaarlijk om dit fundament van ons pensioenstelsel aan te tasten. Dankzij deze omkeerregel kunnen wij de toekomstige vergrijzing het hoofd bieden. Met deze maatregel zaagt het kabinet aan de poten van het pensioenstelsel. Wij lopen het risico om op een glijdende schaal te komen van verdere aftopping van de pensioenpremieaftrek bij elke gelegenheid waarbij men extra inkomsten nodig heeft. De PVV-fractie zegt dan ook: blijf van het pensioenstelsel af. Deze regeling zet geen zoden aan de dijk, want wat men er op de korte termijn mee ophaalt, loopt men straks aan inkomsten mis. Ook het opheffen van het plafond en het opheffen van het percentage bij het eigenwoningforfait is typisch een maatregel van een onbetrouwbare overheid. Mensen hebben hun investeringsbeslissing wel genomen op basis van gemaakte afspraken. Dit kabinet zet deze afspraken zonder blikken of blozen aan de kant en begint een aanval op de woningmarkt. Deze maatregel is eigenlijk een eerste inperking van de hypotheekrenteaftrek, die nog geen zes maanden geleden heilig is verklaard in het coalitieakkoord. Het is gevaarlijke symboolpolitiek. Deze maatregel, zogenaamd om de topinkomens aan te pakken, is een gevaarlijke ontwikkeling. Eerst zaagt men aan de poten van het pensioenstelsel en vervolgens ook nog eens aan die van de hypotheekrenteaftrek. En wat levert deze risicovolle onderneming de schatkist op? Slechts 15 mln. De toon is gezet: de overheid blijkt niet te vertrouwen. De regering wil de regeling voor buitengewone uitgaven in 2008 versoberen en in 2009 afschaffen. Het kabinet is voornemens deze regeling over te hevelen naar de Wmo, met alle gevaren voor willekeur van dien. Door deze constructie vallen de niet-chronisch zieken automatisch buiten de boot: opgeruimd staat netjes. Het kabinet wil de klok terugdraaien en extra inkomen generen over de ruggen van mensen met niet te voorziene zorguitgaven. Deze maatregel is onder de gordel en dupeert hulpbehoevende mensen voor maar liefst 1,2 mld. De PVV-fractie volgt de staatssecretaris in zijn stelling dat het gebruik van deze regeling een enorme vlucht heeft genomen. Wij zien hierin echter geen reden om dan maar de hele regeling af te schaffen. Is de staatssecretaris bereid om een onderzoek te laten doen naar mogelijkheden om de regeling te versoberen of aan te passen en pas daarna te beslissen om de regeling wel of niet af te schaffen? Ook stelt de staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het verslag dat de afschaffing van deze regeling tot een vereenvoudiging van het belastingstelsel en tot een aanzienlijke administratievelastenverlichting bij de burgers zal leiden. Zo ken ik er nog wel een paar! Het is nogal logisch dat de afschaffing van een fiscale aftrekregeling leidt tot administratievelastenverlichting. Dat is altijd zo.

(…)

Staatssecretaris De Jager: Datgene wat is gedaan hoeven wij niet over te doen. Ik zal goed kijken wat er is gedaan en dat actualiseren. Ik heb ook wel eens tentatieve berekeningen bij elkaar gezet. Dat kunnen wij doen. Wij zullen met een grafiek komen. Ik hoop dat die wellicht ook met het ministerie van SZW zal zijn afgestemd. Ik dank de heer Vendrik voor zijn verwijzing naar dat departement. Soms zegt hij dat ik balletje-balletje doe wanneer ik met zo’n verwijzing kom. Hij heeft gelijk dat SZW ook hier een belangrijk departement is. Met uw permissie kom ik bij de topinkomens en begin ik met het goede nieuws. U weet dat ik straks naar Brussel moet. Daar vindt de Ecofin plaats. De ministers van Financiën waren eerder vanavond al bijeen als Eurogroep. Daar hebben zij het standpunt ingenomen dat de landen met de euro samen gaan bezien wat zij kunnen doen aan de enorme verschillen tussen vertrekpremies voor topmensen in vergelijking met andere werknemers. Jean-Claude Juncker heeft aangegeven dat dit een probleem van billijkheid is. De hoge premies voor topleiders ondermijnen onze oproep tot loonmatiging. Juncker heeft ook opgeroepen om in ambtenaren-cao’s een beter voorbeeld te geven met loonmatiging. Tegelijk hebben de ministers van Financiën afgesproken om winstdeling belangrijker te maken als beloningscomponent. Ik weet niet hoe wij daarmee in Nederland omgaan, maar ik wil dit actuele gegeven van vanavond de Kamer niet onthouden. Tijdens dit wetgevingsoverleg zijn verschillende vragen gesteld over het onderwerp van de topinkomens en het effect op het vestigingsklimaat. Ik heb overigens zojuist nog een grafiekje gekregen van het World Economic Forum uit het Global Competitive Report 2007-2008. Daarop is Nederland een tiende plaats toebedeeld in 2007. Overigens geeft de Economist Intelligence Unit aan Nederland niet een top-driepositie maar nummer zes, en krijgt het van het International Institute for Management Development nummer acht. De scores verschillen dus, maar het zijn wel allemaal hoge plaatsen.

De heer Remkes (VVD): Dan zijn de voorstellen van het Belastingplan er nog niet in verwerkt.

Staatssecretaris De Jager: De heer Remkes is ook lange tijd verantwoordelijk geweest voor het kabinetsbeleid. Ik moet helaas zeggen dat Nederland op total tax rate slechts een zeventigste plaats was toebedeeld, dus op dat punt deden wij het al niet bijzonder goed. Onze hoge positie is met name te danken aan andere zaken. Die zeventigste plaats is binnen onze detail ranking – ik heb hier heel veel variabelen – een van de slechtste. Zo te scoren wij alleen op hiring and firing practices, op pay and productivity en op government debt nog slechter. Van de honderd variabelen zijn dit relatief de slechtste, maar gelukkig hebben wij ook heel veel goede zaken waardoor wij toch nog op een tiende plaats uitkomen. Ik zal uw commissie een kopie hiervan doen toekomen. Natuurlijk zullen belastingverzwarende maatregelen in het algemeen geen positieve invloed hebben op het vestigingsklimaat, maar wij moeten het wel steeds in proportie zien. Bedrijven zullen zich bij hun vestigingsplaatskeuze naar verwachting meer laten leiden door de fiscale behandeling van bedrijfswinst dan door de fiscale behandeling van pensioenpremies en het fiscale klimaat in de persoonlijke inkomenssfeer. Daarnaast spelen natuurlijk ook nog heel veel niet-fiscale zaken een rol, zoals onderwijs, infrastructuur en fysieke ligging van het vestigingsland. De vestigingsplaatskeuze wordt ook door dat soort elementen bepaald. Ik vind het ontzettend belangrijk welk vestigingsklimaat wij in Nederland hebben. In de afgelopen tijd hebben wij diverse fiscale maatregelen genomen die een directe positieve bijdrage leveren aan zowel het vestigingsklimaat als de kenniseconomie in Nederland. In dit Belastingplan is de oprekking van de mkb-schijven in de vennootschapsbelasting opgenomen. Het vorige kabinet is overgegaan tot een verlaging van de tarieven voor de vpb. Het vorige kabinet heeft ook de kapitaalsbelasting afgeschaft. Ik wijs voorts op de introductie van de vrijgestelde beleggingsinstellingen, de VBI. Die heeft dit kabinet door de Eerste Kamer geloodst. Ook noem ik de voorgestelde intensivering van de WBSO. Wellicht heeft men ook al in de krant gelezen dat ik zeer positief sta ten opzichte van het amendement-Kortenhorst/Tang over de verruiming van de octrooibox in het kader van activa die door de WBSO-beschikking tot stand zijn gekomen. Wij zullen dus altijd een bredere belangenafweging moeten maken. Ik ben van mening dat Nederland per saldo een aantrekkelijke vestigingsplaats is en kan blijven. Een directe tariefsverhoging in de boxen 1, 2 en 3, waarvoor wel eens is gepleit in deze Kamer, zal overigens altijd slechter op het vestigingsklimaat uitwerken dan indirecte maatregelen, zoals het eigenwoningforfait of het voor een deel niet langer aftrekbaar zijn van pensioenpremies. De SP heeft een vraag gesteld over de € 185.000. Wat dat betreft merk ik op dat iedere gelijkenis op een daadwerkelijke gebeurtenis op toeval berust. Dat geldt ook voor dit punt. De heer Remkes vraagt of sprake is van precedentwerking als andere kabinetten een bepaald tarief kunnen verlagen. Dat klopt op zichzelf wel, maar andere kabinetten kunnen een maatregel als deze ook invoeren. Die kunnen de belastingtarieven ook verhogen. Dit kabinet heeft gezegd wat hij van die kwestie vindt. De heer Remkes heeft ook gevraagd naar de relatie van de plafondmaatregel met de wet-Hillen. De budgettaire opbrengst van het schrappen van dit plafond is gering. Een eerbiedigende werking hebben wij ook niet overwogen. De wet-Hillen is in dit geval wel van toepassing. Dit is een prikkel tot het aflossen van de hypotheek. Je betaalt namelijk nooit meer eigenwoningforfait dan het bedrag van de aftrekbaarheid van je hypotheekrente. In die zin is sprake van een gunstige prikkel tot het aflossen van de hypotheek. Als je je hypotheekschuld helemaal hebt afgelost, betaal je geen eigenwoningforfait meer en ook niet het verhoogde forfait boven de 1 mln. De heer Kortenhorst heeft gevraagd naar de kostenaftrek bij de eigen woning. De tweede woning, de vakantiewoning, komt in box 3, maar de onderhoudskosten zijn dan niet aftrekbaar. Het 4%-tarief is gebaseerd op de WOZ-waarde. Er wordt van uitgegaan dat dit het nettorendement is, los van de onderhoudskosten. Ook bij een box 3-woning is geen sprake van het in mindering brengen van de onderhoudskosten. GroenLinks heeft een tienpuntenplan ingediend over topinkomens. Zoals de minister van Financiën eerder heeft aangegeven, ga ik alleen in op de fiscaliteit. Wij hebben al gezegd dat wij een zogenaamde kleptocratentaks – een extra schijf in de inkomstenbelasting – bijzonder schadelijk achten voor het vestigingsklimaat en niet positief voor de Nederlandse concurrentiepositie.

De heer Vendrik (GroenLinks): Er wordt mij een tienpuntenplan toegedicht, maar dat is al weer een tijdje geleden. Ik heb nu specifiek gevraagd om een reactie op mijn amendement op stuk nr. 15.

Staatssecretaris De Jager: Dat amendement betreft de grens van 1 mln. In het kader van discussies over de topinkomens heeft de Kamer aandacht gevraagd voor excessieve bonussen en exitvergoedingen. U neemt alle beloningen bij elkaar, mijnheer Vendrik. Uw amendement strekt ertoe dat beloningen van een bestuurder niet aftrekbaar zijn voor de vennootschapsbelasting als deze hoger zijn dan 1 mln. Wij vinden dat slecht voor het vestigingsklimaat. Deze maatregel heeft overigens geen effect voor bestuurders van non-profit organisaties. Op bedrijven die geen vennootschapsbelasting betalen omdat zij geen winst maken, zal dit geen effect hebben. Er is als het ware sprake van een negatief verzilveringsprobleem. De bestuurder die zichzelf in uw visie een excessieve beloning toekent, merkt helemaal niets van de maatregel. De aandeelhouders worden hierdoor getroffen. Dat is voor ons de reden waarom wij dit amendement minder aantrekkelijk vinden.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik lees vanochtend dat de minister van Financiën in reactie op een voorstel van het CDA waarschuwt voor ontwijking; dat de beloning via een andere route toch terechtkomt bij de betreffende bestuurder. Ik probeer daaraan iets te doen en dan is het weer niet goed! Het wordt wel ingewikkeld. Komt de staatssecretaris nu met voorstellen? Wat wordt het?

Staatssecretaris De Jager: Het is inderdaad ingewikkeld. Ik ben de eerste om dat toe te geven. Dat betekent niet dat je dan slechte voorstellen moet formuleren. Wij gaan wel voort met denken en luisteren daarbij naar wat de Kamer op dit punt zegt en heeft gezegd. Wij bekijken hoe wij de handhaafbaarheid van maatregelen tegen excessieve beloningen en bonussen kunnen vormgeven. Daarover is het laatste woord nog niet gezegd. Wij zeggen niet dat het onmogelijk is, maar wij bekijken wel hoe verschil gemaakt kan worden tussen een reguliere beloning en een excessieve beloning. Dat vereist nadere bestudering, zo staat in de brief van de minister van Financiën. Wij achten het niet onmogelijk, maar het is lastig.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik word hier echt een beetje hoorndol van. Ik begrijp dat dit niet het moment is om daarop verder in te gaan, dat zullen wij volgende week doen. Het kabinet komt zelf niet met voorstellen, maar biedt de Kamer wel ruimte om voorstellen te doen en geeft daarbij overwegingen. Als de Kamer met een voorstel komt, heeft het kabinet altijd wel weer een andere overweging om dat af te houden. Als het kabinet het zo moeilijk vindt om positief te zijn, moet er op een gegeven een finale conclusie komen: dan doen wij er maar niets aan. Zo kan het eindeloos doorgaan. Er is altijd wel een argument om iets tegen te houden.

Staatssecretaris De Jager: Dit is volstrekt niet conform de werkelijkheid. Het kabinet is zelf met voorstellen gekomen. In dit Belastingplan staan ook twee maatregelen die betrekking hebben op topinkomens. De Kamer heeft echter bij de algemene politieke en bij de algemene financiële beschouwingen kritiek daarop geuit en het kabinet verzocht, alternatieven voorstellen te formuleren. U kunt echter niet zeggen dat het kabinet niets heeft gedaan. Dit kabinet heeft wel degelijk twee voorstellen gedaan en die zelfs in wetgeving opgenomen. Verder zijn wij in het kader van excessieve beloningen ook op een aantal vlakken bezig. De commissie-Frijns zal met een rapportage komen. Wij wachten die rapportage af. Het kabinet zal daar dan een nader standpunt over innemen. Het kabinet leunt dus niet achterover, maar is op dit punt wel degelijk bezig.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Mijn eerste vraag is of de aftopping pensioenopbouw een maatregel is om de vergrijzing tegen te gaan of om de toptarieven een beetje aan te passen. Aanpassing eigenwoningforfait is dat om de woningmarkt een beetje los te trekken of gaat het weer om die toptarieven? Het antwoord daarop is mij niet geheel duidelijk. Als het erom gaat de woningmarkt los te trekken, moet er heel wat meer gebeuren dan dit. Als de aftopping pensioenopbouw wordt gebruikt om de vergrijzing aan te pakken, moet je volgens mij opbouwen tot 67. Dit is dan niet het antwoord. De Raad van State geeft dat ook aan. Ik heb gezegd dat alleen al bij Shell 800 werknemers worden getroffen door die twee maatregelen. Ik vraag mij af hoe dat met andere multinationals zit.

Staatssecretaris De Jager: Wat is de vraag?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Als er bij Shell al zo veel werknemers worden getroffen door deze maatregelen, zullen er nog heel wat andere multinationals in Nederland zijn die door diezelfde maatregelen worden getroffen. Dat raakt het vestigingsklimaat wel degelijk. U geeft echter aan dat deze maatregelen het vestigingsklimaat niet raken. Dat kan ik niet helemaal volgen. De uitvoeringskosten voor de pensioenfondsen komen terecht bij de lagere en middeninkomens. Mijn vraag op dat punt is ook niet beantwoord. Ik kan mij toch niet voorstellen dat de heer Kortenhorst de antwoorden van de staatssecretaris over aftopping pensioenopbouw en aanpassing eigenwoningforfait voldoende vindt.

Staatssecretaris De Jager: U zegt dat ik heb gezegd dat het geen invloed heeft op het vestigingsklimaat. Het tegendeel is echter waar. Ik heb gezegd dat iedere belastingverhogende maatregel in zekere mate een negatieve invloed heeft op het vestigingsklimaat. Ik zeg er wel bij dat er andere maatregelen zijn, zoals het verhogen van het belastingtarief, die slechter uitpakken voor het vestigingsklimaat. Iedere maatregel die belastingen verhoogt is echter in zekere mate slecht voor het vestigingsklimaat. Dat betekent niet dat je dat niet moet doen. Je moet het in balans zien. Wij vinden dat wij hier een balans hebben gevonden. Verder zegt u dat de maatregelen bij een bepaald bedrijf 800 mensen treffen. Wij hebben een raming gemaakt en die levert structureel 60 mln. op. Dat betekent dat het een behoorlijk aantal mensen zal treffen. Het voorbeeld dat u noemt, is relatief wel erg veel. Er zullen ook veel mensen uit het buitenland werken. Het is niet gezegd dat deze personen per se boven de € 185.000 pensioen moeten blijven opbouwen. Er is ergens een grens, waarbij je je af kunt vragen of men een oudedagsvoorziening aan het opbouwen is of dat het meer gaat om vermogensopbouw, dat meer thuishoort in box 3. Ik geef toe dat iedere grens een arbitrair karakter heeft, maar dit is de gedachte achter deze maatregel.

De heer Tang (PvdA): U zegt dat elke belasting slecht is voor het vestigingsklimaat. Als wij echter kijken naar Global Competitiveness Report – waar u zelf uit citeert en waar de vier multinationals uit citeren – dan staat Zweden hoger, terwijl de lastendruk daar veel hoger is. De score is voor Zweden nog slechter dan voor Nederland. Blijkbaar doet het er dus niet zoveel toe. Ik word er een beetje kriegel van dat het kabinet steeds het vestigingsklimaat als argument gebruikt, want de multinationals verwijzen nu ook al naar nota bene de kinderbijslag en ander gereutel. Ik vind dat het kabinet wat specifieker moet worden wanneer het vestigingsklimaat wel en wanneer het niet wordt geraakt. Ik kan mij goed voorstellen dat dat het geval is bij de 30%-regeling. Maar zo’n generiek argument, waar alles onder te schuiven is, mag niet worden gebruikt.

Staatssecretaris De Jager: Dit ondersteunt volgens mij wat ik heb gezegd. Het heeft altijd in zekere mate een effect op het vestigingsklimaat, maar de 30%-maatregelen of de tariefsmaatregelen werken beduidend negatiever uit. Een belastingmaatregel op zich hoeft geen effect te hebben op het vestigingsklimaat. Het ligt er natuurlijk ook aan wat je ermee doet, of je het geld terugsluist of niet. Als je hem geïsoleerd zou bekijken kun je van iedere belastingmaatregel die een extra belastingverhogend effect heeft zeggen, dat deze in meer of mindere mate een negatief effect heeft op het vestigingsklimaat. Wij denken dat wij hier een maatregel hebben gevonden die proportioneel in balans is.

De heer Remkes (VVD): De opbouw oudedagsvoorziening en de vermogensvorming is voor iedereen toch volstrekt anders? Die hangen toch af van de individuele omstandigheden van mensen?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. De heer Vendrik heeft drie vragen kunnen stellen en ik mag mijn vraag over het vestigingsklimaat niet stellen.

De voorzitter: De vragen gaan allemaal over uw puntje, Shell en concurrentieklimaat. Vandaar dat ik ze heb toegestaan. Daarna komen al die andere vragen. De klok van twee halen wij wel, dus maakt u zich maar geen zorgen. In het kader van het stukje concurrentieklimaat geef ik het woord aan de heer Remkes.

De heer Remkes (VVD): Ik heb mijn vraag gesteld. Ik zeg dat de benadering veel te generiek is.

Staatssecretaris De Jager: Nogmaals, dit kabinet heeft ervoor gekozen om voor de hoogste inkomens een maatregel te treffen – bij de pensioenmaatregel en bij het eigen woningforfait – vanwege de discussie die lange tijd in de Tweede Kamer heeft gespeeld. Zoals de minister van Financiën vanochtend heeft gezegd, betekent dit niet dat de discussie voor ons is gesloten. Wij hebben een maatregel gevonden die in wetgeving goed is uit te voeren, die niet een buitenproportioneel negatief effect heeft op het vestigingsklimaat en die een substantiële opbrengst heeft voor de rijksmiddelen.

De heer Remkes (VVD): Maar dan is het puur symboliek.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik doe een ordevoorstel, want ik irriteer mij aan de gang van zaken en dat probeer ik niet te doen. Ik zie hier collega’s die nadere vragen stellen. Ik heb een nadere vraag over de vragen die ik heb gesteld. Aan mijn verzoek wordt voorbijgegaan.

De voorzitter: Ik ga helemaal niet voorbij aan uw verzoek, maar de nadere vragen gaan over uw eerste vraag, het concurrentieklimaat. Dat maken wij even af.

Staatssecretaris De Jager: De fractie van D66 heeft een vraag gesteld over de uitvoeringskosten en -lasten van de pensioenfondsen. Ze zijn niet structureel als pensioenfondsen hun regelingen aanpassen. De uitvoeringskosten hoeven dus geen structureel negatief effect te hebben als de pensioenfondsen hun regelingen kunnen aanpassen en er geen fiscaal onzuivere ’’pensioenregelingen’’ komen. Dat is de reden waarom het kabinet de maatregel pas in 2009 heeft laten ingaan, om de pensioenfondsen aanpassingsmogelijkheden te geven in hun uitvoeringsregelingen. Ik vervolg met het blokje buitengewone uitgaven. De verschillende fracties hebben gevraagd naar de afschaffing van de BU-regeling en de stand van zaken met betrekking tot de nieuwe regeling voor chronisch zieken en gehandicapten. In het algemeen is het denk ik goed om te memoreren dat wij het spoeddebat niet overdoen in het kader van de BU, zoals deze eerder is gevoerd met nota bene vier bewindspersonen. Daar is ingegaan op de urgentie en reden van de afschaffing van de BU-regeling. De BU-regeling heeft een gigantische stijging gekend van 100 mln. naar 2 mld. in 2008; zo hoog dreigt die tenminste te worden. Zo rond de 6 miljoen personen zitten in de BU-regeling. Het is waar dat de BU-regeling in het verleden niet puur voor chronisch zieken en gehandicapten is bedoeld, maar als buitengewone-uitgavenregeling. Het kan echter niet zo zijn dat deze regeling was bedoeld voor rond de 6 miljoen mensen. Dat is nooit de reden geweest achter deze buitengewone-uitgavenregeling. Gevraagd is waarom deze regeling nu al wordt afgeschaft terwijl de nieuwe regeling nog in de maak is. De huidige BU is heel erg ongericht. In het coalitieakkoord staat dat de BU moet worden afgeschaft. Op dat moment wilde men nog een overheveling naar de WMO. Vervolgens staat er dat de regeling beter gericht moet zijn op chronisch zieken en gehandicapten. Dat is dus een politieke keuze die de coalitiepartijen hebben gemaakt. In de brief van staatssecretaris Bussemaker en mij staat dat waarschijnlijk niet de WMO-regeling hiervoor gebruikt wordt, maar dat er een beter voorstel denkbaar is, waarbij naast de WMO als een soort kop ook nog een romp aanwezig is, met een iets meer generieke benadering. Dat is ook de reden waarom wij conform het coalitieakkoord hebben besloten om de BU af te schaffen, zodat er ruimte komt voor een nieuwe regeling. Budgettair en ook volgens de begrotingsregels vindt er iets bijzonders plaats. De huidige BU is een aftrekpost aan de inkomstenkant. Dat is 1,6 mld. in 2008. Die is in de Miljoenennota gesplitst per 1 januari 2009 in 400 mln. voor lastenverlichting – daarover moet nog besluitvorming plaatsvinden in het kabinet – en 1,2 mld. aan de uitgavenkant. In de motie-Van Geel is 250 mln. ingezet voor andere maatregelen. Aan de uitgavenkant is dan nog 950 mln. over en 400 mln. aan de lastenkant. Die twee zullen leiden tot een nieuwe regeling c.q. koopkrachtbeleid. Wij hebben er alle vertrouwen in dat met ingang van 1 januari 2009 een nieuwe en betere regeling voor chronisch zieken en gehandicapten van kracht zal worden. Met vertrouwen kan de BU met ingang van dezelfde datum worden afgeschaft. Het is duidelijk wat mijn mening is over het amendement-Vendrik op dit punt, maar dat zal ik nog bevestigen in het plenaire debat. De koopkrachtachteruitgang door de versobering van de BU werkt uit in het koopkrachtbeeld voor 2008. Ik wijs er overigens op dat juist in het koopkrachtbeeld voor 2008 de minima er relatief beter van af komen dan hogere inkomens. Wij zullen voor 2009 een besluit nemen ten behoeve van een evenwichtig koopkrachtbeeld. Dan kom ik bij de gemoedsbezwaarden van de heer Van der Vlies. Zijn vraag heeft eigenlijk betrekking op de zorgverzekeringswetgeving. Er is ook een fiscaal aspect. Met de kanttekening dat er ook een aspect in zit van de Zorgverzekeringswet ga ik daarop in. Het handhaven van de fiscale mogelijkheid om gemoedsbezwaarden na 1 januari 2009 tegemoet te komen voor hun eigen betalingen zou tot rechtsongelijkheid leiden ten opzichte van mensen die wel verzekerd zijn, die ook worden geconfronteerd met eigen betalingen en die deze straks ook niet meer kunnen aftrekken. Ik wijs er overigens in dat kader op dat de aftrekbaarheid van verzekeringspremies ook komt te vervallen bij het afschaffen van de BU. Diezelfde rechtsongelijkheid zou ook gelden voor de overlijdenskosten, die straks voor niemand meer aftrekbaar zullen zijn. Zowel de handhaving van de fiscale regeling als het introduceren van een nieuwe fiscale regeling ligt op dit punt ook niet voor de hand. Wel is het zo dat de gemoedsbezwaarde ook in aanmerking zal komen voor de nieuwe tegemoetkomingsregeling voor chronisch zieken en gehandicapten indien hij/zij tot die doelgroep behoort. De afroming van de spaarrekening waarop de heer Van der Vlies doelt, betreft het uit die rekening halen van een bijdrage in het kader van de solidariteitsgedachte, de dragende gedachte achter het Nederlandse zorgstelsel. Het beperken van die afroming of de afschaffing daarvan is echt een aangelegenheid van de minister van Volksgezondheid. De heer Van der Vlies heeft gevraagd om een alternatieve regeling voor de aftrek van adoptiekosten. Ook de heer Irrgang heeft hiervoor aandacht gevraagd. De mogelijkheid van aftrek van adoptiekosten is in het verleden ooit in het leven geroepen, omdat bevallingskosten in de BU aftrekbaar waren. Het vervallen van de BU en daarmee ook van de mogelijkheid om bevallingskosten af te trekken, zorgt ervoor dat ook de aftrek van adoptiekosten komt te vervallen. Vanuit deze systematiek ligt het dus minder voor de hand om de BU op bepaalde onderdelen, zoals adoptie, te handhaven. Indien er al een wens zou zijn om tot een tegemoetkoming in de adoptiekosten te komen, is het sowieso veel logischer om deze buiten de fiscaliteit te zoeken. Voorzitter. Dit was het einde van dit blokje.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Voorzitter. Ik heb van u begrepen dat wij op de vorige onderwerpen die wij hebben besproken konden terugkomen, omdat anderen er ook een vraag over mochten stellen. Mijn vraag is niet beantwoord en daarom wil ik erop terugkomen. Mijn vraag is niet beantwoord doordat de staatssecretaris enerzijds zegt dat aftopping pensioenopbouw en aanpassing eigenwoningforfait wel effect zouden kunnen hebben op de vestigingsplaats en anderzijds aangeeft dat de balans de andere kant is opgegaan. Wetend dat Shell 800 werknemers heeft die erdoor worden geraakt, wil ik inzichtelijk gemaakt hebben hoe de balans de andere kant kon opgaan.

Staatssecretaris De Jager: Ik begrijp niet wat u bedoelt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Nogmaals, u zegt dat het vestigingsklimaat wordt geraakt door aftopping van de pensioenopbouw en aanpassing van het eigenwoningforfait, maar niet dusdanig dat die maatregelen over boord hoeven te worden gegooid, aangezien de balans de andere kant opging. Ik wil inzichtelijk gemaakt hebben hoe de balans de andere kant kon opgaan.

Staatssecretaris De Jager: U bedoelt dat u wilt weten waarom wij wel tot deze twee maatregelen hebben kunnen komen?

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ja, want u zegt dat de effecten op het vestigingsklimaat uiteindelijk niet dusdanig erg waren dat u deze twee maatregelen niet kon handhaven. Wetend dat alleen al bij Shell 800 werknemers worden getroffen door deze twee maatregelen, begrijp ik dat niet. Ik wil dat u dat inzichtelijk maakt.

Staatssecretaris De Jager: Rond het middaguur is de minister van Financiën op deze kwestie ingegaan en ik ben er zelf ook al op ingegaan. Ik heb u het antwoord al gegeven, maar zal dat nu nog kort herhalen. In het algemeen is een grondslagmaatregel voor het vestigingsklimaat beter dan een tariefmaatregel. In uw voorbeeld worden 800 personen getroffen. Het gaat daarbij om het niet meer aftrekbaar zijn van een pensioenpremie boven de € 185.000 die wel wordt afgestort. Dat is niet erg waarschijnlijk, maar wij gaan daar in ieder geval maar vanuit. Dat de premie niet meer aftrekbaar is, betekent dat ook de uitkering niet meer wordt belast. De omkeerregel is niet meer van toepassing boven de € 185.000. Je ziet ook in andere landen beperkingen in bepaalde situaties. Er is dus geen sprake van dubbele belasting. Niet alleen de pensioenpremie is niet meer aftrekbaar boven de € 185.000, de omkeerregel is boven dat bedrag ook niet langer van toepassing. Dat is in het kader van de vestigingsklimaatdiscussie altijd gunstiger dan het zomaar verhogen van een tarief of het verlagen van een andere directe tegemoetkoming. De achterliggende gedachte bij dit kabinet was om een maatregel te bewerkstelligen die én een belangrijke budgetopbrengst heeft én iets doet op het dossier topinkomens. Ik begrijp dat er discussie over is en wij zijn het er misschien niet met ons allen over eens, maar dat is de reden geweest waarom het kabinet tot deze twee maatregelen is gekomen. Dat is dus het antwoord, maar de discussie is op dit punt kennelijk nog niet helemaal afgesloten. Dat staat ook in de brief van de minister van Financiën. Er is geen verbod op het bedenken van eventueel betere maatregelen. Alleen, tot op heden hebben wij die nog niet gezien.

(…)

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik heb nog twee vragen. Eerst de 350 mln. van de verzilvering. Die is nog van voor het wetsvoorstel voor het kindgebonden budget. Ik zal dit voor volgende week nog even opzoeken, want ik ben hierover in verwarring. De politieke vraag is echter of deze staatssecretaris enige ambitie heeft om, voorbij het wetsvoorstel dat hij net door de Eerste Kamer heeft gekregen, stappen vooruit te zetten bij de aanpak van de verzilvering. Ik vraag dit ook omdat ik anders een motie overweeg. Mijn tweede vraag gaat over de zzp’ers. Laatst overlegden wij met de minister van Sociale Zaken, die toen namens deze staatssecretaris verdedigde dat een amendement van de Kamer ingediend bij de Pensioenwet geen fiscale consequenties zou hebben. Het zag toe op de omkeerregel voor ex-werknemers die zelfstandig worden en voor een periode van drie jaar bij hun oude fonds mogen blijven. Die periode is in de Pensioenwet verlengd naar tien jaar, maar heeft geen fiscale consequenties gekregen. Wij zijn daar nogal boos over. De minister van Sociale Zaken kon natuurlijk niet uitleggen waarom de staatssecretaris heeft bedacht dat die verlenging van drie naar tien jaar geen fiscale consequenties zou hebben. De staatssecretaris zou hierover een brief sturen vóór het Belastingplan. Ik heb die brief nog niet gezien. Ik neem aan dat die deze week nog komt, want voor het laatste blokje van volgende week maandag moet dit nog eens heftig worden besproken.

Staatssecretaris De Jager: Ik kan u direct al antwoord geven. Ten eerste is er helemaal geen dekking aangedragen, dus het amendement voorzag alleen in een wijziging van SZW-wetgeving, zonder dekking. Het creëerde dus een wettelijke mogelijkheid, maar voor fiscale consequenties zou het ook een dekking moeten hebben. U kent de regels van de Kamer. Ten tweede zijn er de inhoudelijke redenen, onder andere in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Vanwege het langdurig verschillend behandelen van die twee groepen is vastgehouden aan de periode van drie jaar. Ik wist niet van die brief af, maar bij dezen heb ik al antwoord gegeven.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dit kan echt niet! De Kamer heeft dit amendement aangenomen en hoger is in dit land niet mogelijk. Het spreekt verder vanzelf dat dit fiscale consequenties heeft. Je gaat niet de Pensioenwet verruimen door ex-werknemers de mogelijkheid te bieden om als zzp’er langer dan drie jaar bij het oude fonds te blijven. En als dit geen fiscale consequenties heeft, wie doet dat anders? De Kamer heeft dus willens en wetens gevraagd dat dit een doorwerking naar de fiscale wetgeving zou hebben en de minister wist dit ook. In dat geval is deze reactie niet mogelijk. Ik heb dit de minister van Sociale Zaken voorgehouden. Het springende punt zou worden de ongelijke fiscale behandeling. Hij kon mij dat niet uitleggen. Hij heeft mij beloofd dat dit in een uitvoerige brief aan de Kamer zou worden uitgelegd. Ik zie geen brief, ik krijg geen toelichting. Ik vind het al heel zwak dat de minister van Sociale Zaken dat niet goed met u heeft gecommuniceerd. Ik sta op die brief. Zo gaan we niet met elkaar om. Verder vindt de staatssecretaris dat dit een dekkingsprobleem betreft. Nou, om heel veel geld gaat het volgens mij niet. Maar in dat geval was het erg chic geweest als hij mij dit veel eerder had laten weten, in plaats van dat hij zegt dat hij er niet voor in is. De wetgever van dit land heeft een amendement aangenomen. Dat hoort fiscale consequenties te hebben. De staatssecretaris mag daar anders over denken, maar dan hoor ik daar correct en tijdig over geïnformeerd te worden, en niet op deze manier. Dit kan echt niet, mijnheer de staatssecretaris!

Staatssecretaris De Jager: U maakt er een mooi tafereel van, maar kennelijk bent u door de minister van SZW al geïnformeerd. Alleen stond dat u niet aan. Maar als hij een brief heeft toegezegd, dan komt die brief ook. Het amendement betrof SZW-wetgeving. Ik weet dat het is aangenomen, maar als amendement had het geen doorwerking in fiscale wetgeving; daarvoor had het van een dekking moeten worden voorzien. Maar nogmaals, als de minister van Sociale Zaken die brief heeft toegezegd, krijgt u uw brief.

De heer Vendrik (GroenLinks): Dat stel ik op prijs. Maar laten we elkaar een beetje serieus nemen. De staatssecretaris moet in de toekomst geen Kamerleden proberen te vangen met ’’dit heeft strikt genomen geen betrekking op fiscale wetgeving, dus ik ga er niet over’’. Als de Kamer iets doet in de Pensioenwet wat zeer nauw verwant is aan de fiscale begeleiding ervan, mag van de zijde van het ministerie van Financiën een grote ruimhartigheid worden verwacht. Ik vind dit een heel zuinige reactie en hoop dat het volgende week op een eerlijke manier kan worden besproken. Het kabinet mag ervan uitgaan dat als de Pensioenwet wordt gewijzigd het vanzelfsprekend ...

De voorzitter: Dit is een herhaling.

Staatssecretaris De Jager: De heer Vendrik mag de fiscale facilitering met mij bespreken. Dat is correct.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb de zzp’ers breed genomen omdat ook dat probleem erin zat, maar er zitten ook andere problemen in. Ik begrijp dat er een brief zal komen. Een deel van de inhoud heeft hiermee te maken, dus dat deel zal voor de Kamer voor de plenaire behandeling moeten ontvangen. Het andere deel wil ik wel hebben voor de behandeling van de begroting van Sociale Zaken. Wanneer komt deze brief?

Staatssecretaris De Jager: Ik heb hierop antwoord gegeven.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): U hebt gezegd dat de brief zal komen. Ik wil weten wanneer precies.

Staatssecretaris De Jager: Ik heb gezegd dat de brief waarom u hebt gevraagd voor het kerstreces zal komen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Die gaat over de VAR. Dat is niet mijn punt. Ik bedoel de brief die kennelijk van u en vanuit Sociale Zaken naar de Kamer zal gaan, los van de VAR.

Staatssecretaris De Jager: Dat is een andere brief. Die heb ik genoemd, want daarvan was u nog niet op de hoogte. Dat is een nieuwe brief, over zelfstandig ondernemerschap. U hebt niet gevraagd wanneer die zal komen. Dat is niet bekend.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb in mijn bijdrage gevraagd deze voor de begrotingsbehandeling toe te sturen.

Staatssecretaris De Jager: Dit is een andere brief. Deze brief zit in de pijplijn en is geïnitieerd door staatssecretaris Heemskerk van Economische Zaken en mede ondertekend namens mij en staatssecretaris Aboutaleb. Die brief komt er ook aan, maar dat is een andere brief.

Mevrouw Koşer Kaya (D66): Ik heb het over de andere brief. Kan deze brief voor de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken naar de Kamer worden gestuurd?

Staatssecretaris De Jager: Ik zal de vraag doorgeleiden naar de coördinerende bewindspersoon voor dit onderwerp, staatssecretaris Heemskerk van Economische Zaken. Het is niet een brief die specifiek op Sociale Zaken betrekking heeft. Zij gaat meer in het algemeen over het bevorderen van zelfstandig ondernemerschap.

De voorzitter: Wij zijn gekomen aan het eind van dit onderdeel. Wij zullen morgen in de procedurevergadering bepalen wanneer de tweede helft zal worden behandeld. Ik dank de staatssecretaris en de hem vergezellende ambtenaren.

Sluiting 1.12 uur.

 

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET EERSTE KAMER (31205-A)

(…)

ARTIKEL VII

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2009 als volgt gewijzigd:

A. Artikel 11, eerste lid, onderdeel l, vervalt.

B. In artikel 18a, derde lid, eerste volzin, wordt het loon vervangen door: het pensioengevend loon.

C. Na artikel 18g wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18ga

1. Als pensioengevend loon, bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d en 18e, wordt ten hoogste een bedrag van 185 000 in aanmerking genomen. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt dit bedrag verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.

2. Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

CA. In artikel 18h, eerste lid, wordt de artikelen 18 tot en met 18g vervangen door: de artikelen 18 tot en met 18ga.

(…)

 

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG EERSTE KAMER (31205-C)

(…)

Aftopping pensioenopbouw

Ten aanzien van het aftoppen van de pensioengrondslag in de tweede pijler zij allereerst opgemerkt dat bij de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel in de Tweede Kamer de motie Kortenhorst c.s. is aangenomen. 1 De motie verzoekt het kabinet «de voorgestelde maatregel inzake de beperking van aftrekbaarheid van pensioenpremies te vervangen door (een) maatregel(en) die meer gericht zijn op excessieve beloningsbestanddelen en dezelfde opbrengst generen». Het kabinet heeft aangegeven met deze motie aan de slag te gaan. In het kader van de uitvoering van deze motie worden thans alternatieven onderzocht, de leden van de fractie van de PvdA hebben hier ook naar gevraagd. Hierbij zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan maatregelen op het terrein van beperking van de mogelijkheid van backservice bij pensioenopbouw, een werkgeversheffing bij excessieve beloningen of carried interest. Voor mogelijke maatregelen is relevant dat deze effectief zien op excessieve beloningen, een bepaalde budgettaire opbrengst genereren en uitvoerbaar zijn. Ook is van belang dat de gevolgen voor het vestigingsklimaat goed in ogenschouw worden genomen. Uiteraard zal voor de uiteindelijke maatregelen draagvlak moeten worden gevonden.

1Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 38.

Aangezien op dit moment alternatieven worden onderzocht, worden de vragen over de te vervangen maatregel globaler beantwoord.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het juist is dat bij inkomens van € 185 000 en hoger het marginale belastingtarief waartegen aftrek van de pensioenpremie plaatsvindt niet hoger is dan het marginale belastingtarief waartegen de pensioenuitkering wordt belast. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de vraag hoeveel jaren daadwerkelijk pensioen is opgebouwd over een inkomen van € 185 000 of hoger. Maar de kans dat het marginale tarief op het moment van aftrek gelijk is aan het marginale tarief dat van toepassing is op de uitkering, is bij inkomens van een dergelijke omvang inderdaad vrij groot. Er vloeit echter ook in die situatie wel een opbrengst – en voor de desbetreffende belastingplichtige dus een negatief inkomenseffect – voort uit het feit dat het vermogen dat wordt gevormd uit het niet aftrekbare deel van de pensioenpremie niet meer is vrijgesteld van de forfaitaire rendementsheffing. Tegenover de negatieve inkomenseffecten (de heffing in box 3 en het vervallen van de vrijstelling in box 1 met betrekking tot de inleg) staat een positief inkomenseffect dat optreedt zodra de pensioenuitkeringen ingaan. Immers, over die uitkeringen wordt geen belasting meer geheven.

De stelling van de leden van de fractie van de VVD dat de maatregel tot aftopping van het pensioengevend loon niet anders dan budgettair was te motiveren, onderschrijf ik niet. Voorts zien de leden van de fractie van de VVD de maatregel als het naar voren halen van toekomstige opbrengsten. Ook verwachten zij een toename van de administratieve lasten. Hierover wil ik opmerken dat niet enkel sprake is van het naar voren halen van toekomstige opbrengsten. De maatregel heeft immers – in termen van netto contante waarde – een budgettaire opbrengst van € 60 miljoen. Ook is niet te verwachten dat aan aftopping van pensioenopbouw structurele administratieve lasten zijn verbonden vanwege de verwachte aanpassing van pensioenregelingen. Er zou slechts sprake zijn geweest van een eenmalig conversie-effect.

(…)

Pensioenaspecten wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2008

 

AMENDEMENT VAN HET LID VENDRIK C.S. OPRENTING VUT BIJ UITSTEL (31206-22)

AMENDEMENT VAN HET LID VENDRIK C.S.
Ontvangen 21 november 2007

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel II wordt na onderdeel D een onderdeel ingevoegd, luidende:

DA. In artikel 38c, tweede lid, onderdeel b, wordt «met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum» vervangen door: worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum, met dien verstande dat de verhoging van de uitkeringen niet lager is dan 50% van de verhoging van de uitkeringen bij een herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.

Toelichting

Artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) bevat een overgangsregeling voor de fiscale behandeling van VUT-regelingen voor werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt. Op grond van die overgangsregeling blijft de fiscale faciliëring van VUT-regelingen zoals die gold tot en met 31 december 2004 (dus tot invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling) ongewijzigd gehandhaafd, mits in de VUT-regeling is bepaald dat een werknemer die later met de VUT gaat dan volgens die VUT-regeling op zijn vroegst zou kunnen een (met inachtneming van actuariële grondslagen berekende) hogere uitkering krijgt (de zogenoemde spaar-VUT). De fiscale faciliëring bestaat daaruit dat de eindheffing als bedoeld in artikel 32aa Wet LB 1964 niet van toepassing is en de voor deze VUT-regelingen ten laste van het loon ingehouden premies volledig aftrekbaar zijn van het loon. Evenals bij wel onder die eindheffing vallende regelingen, zijn de VUT-aanspraken vrijgesteld van belastingheffing en de uitkeringen te zijner tijd belast (omkeerregel).
De in dit amendement voorgestelde wijziging houdt in dat de fiscale faciliëring (het achterwege blijven van de eindheffing als bedoeld in artikel 32aa Wet LB 1964 en volledige aftrek van ingehouden VUT-premies) ook geldt voor VUT-regelingen waarin geen sprake is van 100% actuariële herrekening, maar van een verhoging van de uitkeringen die minimaal gelijk is aan 50% van de verhoging van de uitkeringen die zou resulteren bij een 100% actuariële herrekening.
De verplichting tot actuariële herrekening wordt met dit amendement dus versoepeld. De huidige vereiste van 100% herrekening is verwerkt in bestaande VUT-regelingen en heeft in de meeste gevallen niet geleid tot problemen. Door sociale partners is evenwel verzocht om iets meer flexibiliteit onder de randvoorwaarde dat langer doorwerken blijft lonen.
Daartoe dient de minimumvereiste van 50% in dit amendement.
Bestaande weeffouten in regelingen – bijvoorbeeld het vervallen van het recht op VUT op 65-jarige leeftijd of het verliezen van rechten bij overstap naar een andere werkgever – zullen bij aanvaarding van deze wijziging worden aangepast, zo hebben de sociale partners laten weten. Het amendement is aldus bevorderlijk voor het draagvlak onder de overgangsregeling, omdat sociale partners een afgebakende ruimte krijgen voor sector-specifieke oplossingen. De verantwoordelijkheid voor de precieze invulling en toepassing van het overgangsrecht komt darmee meer bij werkgevers en werknemers te liggen, terwijl de grondgedachte van de overgangsregeling – langer doorwerken moet lonen – van kracht blijft.
Voor de administratieve lasten van het bedrijfsleven treedt eenmalig een conversie-effect op.

Vendrik
Irrgang
Remkes
Tang
Cramer
Koşer Kaya
Jules Kortenhorst
Van der Vlies

 

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET EERSTE KAMER (31206-A)

(…)

ARTIKEL II

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

DA. In artikel 38c, tweede lid, onderdeel b, wordt «met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum» vervangen door: worden herrekend ingeval de uitkeringen later ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum, met dien verstande dat de verhoging van de uitkeringen niet lager is dan 50% van de verhoging van de uitkeringen bij een herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.

(…)