Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2006)

 

NADER RAPPORT

(…)

9. Levensloopregeling

De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de voorwaarde dat beheerders van beleggingsinstellingen voor de uitvoering van de levensloopregeling in beginsel in Nederland gevestigd moeten zijn.

De toelichting is aangevuld met een verwijzing naar het tot onderdeel d verletterde onderdeel c van het vierde lid van artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964. Dit onderdeel bevat de mogelijkheid voor andere lichamen zoals beheerders van beleggingsinstellingen die niet in Nederland gevestigd zijn om, als wordt voldaan aan door de minister te stellen voorwaarden, als uitvoerder van de levensloopregeling op te treden.

 

 

VOORSTEL VAN WET

(…)

Artikel III

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

E. Artikel 18d, derde lid, komt te luiden:

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, blijft in de jaren tussen de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de 65-jarige leeftijd, van de uitkering buiten aanmerking een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de voor die jaren geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag. De eerste volzin is onverminderd van toepassing bij dienstbetrekkingen in deeltijd.

F. In artikel 19e wordt de tweede volzin vervangen door: De commissie adviseert over de fiscale aspecten van pensioenen, waarbij acht wordt geslagen op de voorwaarde dat de adviezen nagenoeg budgettair neutraal uitgevoerd kunnen worden.

G. Artikel 19g wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

3. Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt overgemaakt naar een geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling, als premie gestort bij een verzekeraar voor een verzekering in het kader van een levensloopregeling, dan wel overgemaakt naar de beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling.

2. In het vierde lid, aanhef, wordt ‘kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar’ vervangen door: kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling.

3. In het vierde lid wordt na onderdeel b, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel d, een onderdeel ingevoegd, luidende:

c. beheerders van beleggingsinstellingen aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen en die zijn gevestigd in Nederland;.

4. In het vierde lid wordt in het tot onderdeel d vernummerde onderdeel c "onderdelen a en b" vervangen door: onderdelen a, b en c.

(…)

S. Aan artikel 38c wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Een aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in het tweede lid kan met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden omgezet in een aanspraak ingevolge een ouderdomspensioenregeling, voorzover het ouderdomspensioen na de omzetting niet meer bedraagt dan 100% van het laatstverdiende loon.

(…)

Artikel XVI

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

(…)

B. Aan artikel 30f, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:

De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot inkomstenbelasting ter zake van te conserveren inkomen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, uitgezonderd te conserveren inkomen dat is ontstaan door toepassing van artikel 3.58, eerste lid, of artikel 3.64, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

C. Aan artikel 30i wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Indien revisierente wordt berekend met betrekking tot inkomstenbelasting die betrekking heeft op inkomsten die in aanmerking zijn genomen op grond van de artikelen 3.83, eerste of tweede lid, 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, 3.136, eerste lid, of 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt bij de toepassing van het derde lid artikel 30f, eerste lid, tweede volzin, buiten aanmerking gelaten.

(…)

Artikel XXVIII

De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel II, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt "onder vernummering van het zesde lid tot tweede lid" vervangen door: onder vernummering van het zesde lid tot derde lid.

2. In het vierde lid wordt "In het tot tweede lid vernummerde zesde lid" vervangen door "In het tot derde lid vernummerde zesde lid". Voorts wordt "in het tweede lid, onderdeel b," vervangen door: in het derde lid, onderdeel b,.

B. Artikel II, onderdeel C, wordt vervangen door:

C. Artikel 19b wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het vierde lid wordt, onder vernummering van het vijfde, zesde en zevende lid tot zesde, zevende en achtste lid, een lid ingevoegd, luidende:

5. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd als gevolg van een bij of krachtens artikel 32, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet toegestane afkoop van aanspraken, opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt.

2. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid wordt "vierde lid" vervangen door: zesde lid.

C Artikel V vervalt

D Artikel XIII, onderdeel E, wordt vervangen door:

E. In afwijking in zoverre van artikel 19g, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel op 1 januari 2006 luidt, kunnen voor werknemers die in een kalenderjaar pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 19b, vijfde lid, afkopen, in dat kalenderjaar meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 procent van het loon van het jaar, voorzover zulks het gevolg is van de aanwending van de afkoop van de pensioenaanspraken voor het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling met dien verstande dat de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra verlof van 2,1 jaar niet te boven gaan.

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

(…)

2.4 Aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en levensloopregeling

Dit Belastingplan bevat een aantal maatregelen ter wijziging of aanvulling van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL). Het gaat onder andere om een verruiming van de mogelijkheden om een onder het overgangsrecht van de Wet VPL vallend recht op een VUT-uitkering geheel of gedeeltelijk om te zetten in een hoger ouderdomspensioen. Het betreft hier dus alleen (rechten op) VUT-uitkeringen die op grond van het overgangsrecht nog fiscaal gefacilieerd zijn. De verruiming bestaat in het vervallen van de toets aan de maximale opbouw per dienstjaar bij de omzetting van deze (rechten op) VUT-uitkeringen in een hoger ouderdomspensioen. De voorgestelde verruiming vergroot de prikkel om langer door te werken.

Daarnaast wordt een verruiming voorgesteld van de mogelijkheden om in de periode tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd pensioenuitkeringen te ontvangen die gelijk zijn aan hetgeen in de periode na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar aan AOW en pensioenuitkeringen samen wordt ontvangen. Op grond van de huidige wetgeving kan in de periode voor 65 jaar een bedrag gelijk aan de enkelvoudige AOW voor gehuwden buiten beschouwing worden gelaten, dit bedrag wordt vervangen door tweemaal de AOW voor gehuwden. Deze verruiming is aangekondigd bij brief aan de Stichting van de Arbeid (bijlage bij Kamerstukken II 2004/05, 29760, nr. 57).

Verder wordt in dit Belastingplan bepaald dat naast banken en verzekeraars ook beleggingsinstellingen levensloopregelingen kunnen uitvoeren, binnen de voorwaarden van voldoende financieel toezicht en de doelstellingen van de levensloopregeling. Deze uitbreiding komt voort uit de mede door marktpartijen gevoede wens om het aanbod van levensloopproducten door uitvoerders die aan het profiel voor levensloopuitvoerders voldoen zo breed mogelijk te maken. Zo kan zoveel mogelijk aan wensen en behoeften van individuele werknemers tegemoet worden gekomen.

Voor het overige gaat het om enkele wijzigingen van de Wet VPL ter voorkoming van mogelijke onduidelijkheden.

(…)

5.6 Aanpassing taakopdracht adviescommissie fiscale behandeling van pensioenen

De in de Wet op de loonbelasting 1964 vastgelegde opdracht van de adviescommissie fiscale behandeling pensioenen wordt aangepast. Deze aanpassing komt voort uit het eerste advies van de adviescommissie. De opdracht van de adviescommissie wordt het adviseren over fiscale aspecten van pensioenen. De adviezen moeten volgens de opdracht nagenoeg budgettair neutraal uitgevoerd kunnen worden.

(…)

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

(…)

Artikel III, onderdeel E (artikel 18d, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964)

In dit onderdeel wordt een verruiming voorgesteld van de mogelijkheden om - in situaties waarin het pensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd - in de periode tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd pensioenuitkeringen te ontvangen die gelijk zijn aan hetgeen in de periode na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar aan AOW en pensioenuitkeringen samen wordt ontvangen.

In artikel 18a zijn de maxima opgenomen voor de hoogte van het ouderdomspensioen. Op grond van artikel 18a, achtste lid, dienen deze maxima te worden opgevat met inbegrip van de zogenoemde AOW-inbouw. Daarbij is niet van belang of in die jaren ook daadwerkelijk AOW wordt genoten. Omdat in de periode vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar nog geen AOW wordt genoten, moet in die periode een hogere pensioenuitkering worden ontvangen dan in de periode daarna, indien men in de eerstgenoemde periode het ontbreken van de AOW volledig wil compenseren door middel van hogere pensioenuitkeringen. In artikel 18d zijn echter grenzen gesteld met betrekking tot de mogelijkheden om de hoogte van het pensioen te variabiliseren.

Op grond van artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, geldt hierbij in de eerste plaats de voorwaarde dat de laagste uitkering in beginsel niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering. Omdat het als gevolg van deze bandbreedte slechts in zeer beperkte mate mogelijk zou zijn om de ouderdomspensioenuitkering in de periode waarin nog geen AOW wordt ontvangen zodanig te verhogen (onder gelijktijdige verlaging van de na die periode te ontvangen pensioenuitkeringen) dat de tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd te ontvangen pensioenuitkeringen even hoog zijn als in de periode daarna aan AOW en aanvullende pensioenuitkeringen wordt ontvangen, is met ingang van 1 januari 2005 in het derde lid van artikel 18d bepaald, dat voor de toepassing van artikel 18d, eerste lid, onderdeel b, bij de toets van de hiervoor genoemde bandbreedte (100:75) een deel van de uitkering die wordt ontvangen in de periode voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd buiten aanmerking gelaten wordt. Het buiten aanmerking te laten deel is hierbij gesteld op het in artikel 18a, achtste lid, genoemde bedrag, dat wil zeggen de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag (de zogenoemde enkelvoudige gehuwden-AOW zonder toeslag). Als gevolg van de aansluiting bij de AOW voor gehuwden zonder toeslag biedt artikel 18d voor alleenstaanden en kostwinners nog steeds onvoldoende ruimte om de ouderdomspensioenuitkering in de periode voor het bereiken van de 65-jarige zodanig te verhogen dat het ontbreken van de AOW-uitkering (in het geval van de kostwinner inclusief de AOW-uitkering van de partner) volledig kan worden gecompenseerd, zonder dat strijd ontstaat met de bandbreedte. Om die reden wordt thans voorgesteld om het bij de toets aan de bandbreedte buiten beschouwing te laten bedrag te stellen op het bedrag van tweemaal de voor het betreffende jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag. Dit geldt op grond van de laatste volzin eveneens indien in deeltijd wordt gewerkt. In die situatie hoeft dit bedrag dus niet te worden gecorrigeerd voor de deeltijdfactor.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat niet van belang is welke AOW-inbouw feitelijk wordt gehanteerd in de pensioenregeling; ook als in de pensioenregeling bij de opbouw is uitgegaan van een lagere AOW-inbouw mag het hiervoor genoemde bedrag (tweemaal de enkelvoudige gehuwden-AOW zonder toeslag) buiten beschouwing worden gelaten bij de toets aan de bandbreedte van 100:75.

Artikel III,onderdeel F (artikel 19e van de Wet op de loonbelasting 1964)

De in dit onderdeel voorgestelde wijziging vloeit voort uit de brief van 17 september 2004, Kamerstukken II, 2003–2004, 29 200 IXB, nr. 37, waarin de reactie is opgenomen op het (als bijlage bij die brief opgenomen) eerste advies van de Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen. In dit advies is onder meer voorgesteld om de wettelijke taakopdracht in die zin aan te passen, dat de adviezen niet meer volledig budgettair neutraal hoeven te zijn, maar dat ook adviezen kunnen worden gegeven, die nagenoeg budgettair neutraal zijn. In de reactie op dit advies is aangekondigd dat voorgesteld zal worden artikel 19e van de Wet op de loonbelasting 1964 met betrekking tot de voorwaarde van budgettaire neutraliteit overeenkomstig het advies van de adviescommissie aan te passen. In dit onderdeel wordt uitvoering gegeven aan deze aankondiging. Verder wordt de taakopdracht van de adviescommissie uitgebreid van advisering over ‘elementen van pensioenregelingen die weliswaar afwijken van het overigens in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964 bepaalde maar niettemin van belang zijn voor een verdergaande flexibilisering van pensioenen’ naar advisering over fiscale aspecten van pensioenen. Deze uitbreiding geeft de adviescommissie meer mogelijkheden om haar taak uit te voeren.

Artikel III, onderdeel G (Artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964)

De wijziging in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 (dat met ingang van 1 januari 2006 op grond van artikel II, onderdeel D, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling wordt ingevoerd) bewerkstelligt dat naast banken en verzekeraars ook beheerders van beleggingsinstellingen de levensloopregeling kunnen uitvoeren. Het betreft hier alleen beheerders van beleggingsinstellingen aan wie een vergunning verleend is ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Wtb) alsmede de in het tot onderdeel d verletterde onderdeel c van artikel 19g, vierde lid, bedoelde beheerders van beleggingsinstellingen, die voldoen aan de door onze minister te stellen voorwaarden. De toevoeging van beheerders van beleggingsinstellingen als uitvoerder van de levensloopregeling wordt voorgesteld aangezien in de praktijk behoefte bestaat aan de mogelijkheid de levensloopregeling (ook) door een beleggingsinstelling te laten uitvoeren. Wij willen de praktijk (binnen de voorwaarden van aanwezigheid van afdoende financieel toezicht en de doelstellingen van de levensloopregeling) zoveel mogelijk mogelijkheden bieden om levensloopproducten aan te bieden die kunnen worden afgestemd op de wensen en behoeften van de individuele werknemers. Door de toevoeging van de beheerders van beleggingsinstellingen als uitvoerder van de levensloopregeling ontstaan er voor werknemers meer keuzemogelijkheden. Naast de mogelijkheid om een levensloopproduct te gebruiken in de vorm van een geblokkeerde rekening bij een bank of een verzekering bij een verzekeraar, kan ook een door een beheerder van een beleggingsinstelling aangeboden mogelijkheid van één of meer geblokkeerde rechten van deelneming in de instelling worden gebruikt ter deelname aan de levensloopregeling. Bij de beheerders van beleggingsinstellingen is (evenals bij kredietinstellingen en verzekeraars) financieel toezicht van toepassing waardoor de belangen van de deelnemers beschermd worden.

Het geblokkeerde karakter van het recht van deelneming komt tot uiting doordat de deelnemer met de beheerder van de beleggingsinstelling overeenkomt dat hij zijn recht van deelneming alleen kan vervreemden aan die beheerder en wel alleen op tijdstippen en tot een omvang die volgen uit de levensloopregeling (tijdens de periode van levensloopverlof ter compensatie van het gemis van het reguliere loon, afkoop bij einde dienstbetrekking en afkoop bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of de eerdere pensioendatum). Mocht de deelnemer op andere tijdstippen toch zijn recht van deelneming vervreemden of anderszins in strijd met de levensloopregeling handelen, dan heeft dat als consequentie dat fiscaal geen sprake meer is van een levensloopregeling. Hierdoor wordt de gehele aanspraak ingevolge de levensloopregeling ineens belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. De beheerder van de beleggingsinstelling neemt deze voorwaarden op in de prospectus.

In de prospectus en de overeenkomst tussen de deelnemer en de beheerder van de beleggingsinstelling zal ook moeten zijn opgenomen dat hetgeen de deelnemer toekomt bij een vervreemding (inkoop) van zijn recht van deelnemer door de beheerder van de beleggingsinstelling, rechtstreeks moet worden overgemaakt aan de (voormalige) werkgever van de deelnemer en voorts dat in (uitzonderings)situaties waarin de opbrengst ter zake van de inkoop ingevolge de levensloopregeling rechtstreeks mag worden overgemaakt naar de deelnemer, loonbelasting moet worden ingehouden.

(…)

Artikel III, onderdeel S (artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964)

Met de voorgestelde wijziging van artikel 38c worden de mogelijkheden verruimd om een onder het overgangsrecht vallend recht op VUT-uitkeringen geheel of gedeeltelijk om te zetten in een hoger ouderdomspensioen. Het betreft hier niet de uitkeringen uit een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32aa, maar alleen de VUT-uitkeringen uit een regeling die op grond van het bij de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling in artikel 38c, tweede lid, opgenomen overgangsrecht nog fiscaal gefacilieerd wordt. Op grond van onderdeel b van het tweede lid van dit artikel dienen dergelijke VUT-uitkeringen met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen te worden herrekend bij uitstel van de ingangsdatum van deze uitkeringen. Onder omstandigheden kan deze actuariële herrekening ertoe leiden dat de uitkeringen aanzienlijk meer bedragen dan 100% van het laatstverdiende loon. Om de prikkel om langer door te werken zo groot mogelijk te maken, is er namelijk geen grens gesteld aan deze actuariële herrekening.

In de praktijk blijkt er behoefte aan te bestaan om (het recht op) deze (hoge) VUT-uitkeringen geheel of gedeeltelijk om te kunnen zetten in een hoger ouderdomspensioen. Dit is onder de huidige wettelijke regeling reeds mogelijk door de genoten VUT-uitkering meteen aan te wenden voor het betalen van een (extra) ouderdomspensioenpremie. De VUT-uitkering en de ouderdomspensioenpremie vallen in dat geval in zoverre tegen elkaar weg, zodat een en ander in beginsel fiscaal geruisloos kan plaatsvinden. Dit laatste is echter alleen het geval voorzover minder ouderdomspensioen is opgebouwd dan met inachtneming van de in of krachtens hoofdstuk IIB begrenzingen is toegestaan. Het gaat hierbij zowel om de maximale opbouw per dienstjaar als om het absolute maximum van 100% van het laatstverdiende loon. De toets aan het maximum per dienstjaar blijkt in de praktijk een belangrijke belemmering te zijn bij de genoemde omzetting van (het recht op) VUT-uitkeringen in ouderdomspensioen. Om die reden wordt thans voorgesteld om de bij de omzetting van (het recht op) VUT-uitkeringen in ouderdomspensioen toe te passen toets aan de maximumpensioenopbouw per dienstjaar te laten vervallen. Op grond van het voorgestelde derde lid van artikel 38c worden aan een dergelijke omzetting derhalve slechts twee beperkingen gesteld:

1. de omzetting dient met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen plaats te vinden;

2. het ouderdomspensioen mag na de omzetting niet meer bedragen dan 100% van het laatstverdiende loon.

(…)

Artikel XVI, onderdeel B (artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

In artikel XVI, onderdeel B, wordt aan artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een volzin toegevoegd. Daarin wordt geregeld dat geen heffingsrente wordt berekend ter zake van inkomstenbelasting die is berekend over te conserveren inkomen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 uitgezonderd te conserveren inkomen dat is ontstaan door toepassing van de artikelen 3.58, eerste lid, of 3.64, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De toegevoegde volzin heeft betrekking op inkomstenbelasting die is verschuldigd omdat de belastingplichtige met pensioenopbouw emigreert dan wel het ten laste van Nederlands inkomen opgebouwde pensioen- of lijfrentekapitaal wordt ondergebracht bij een niet aangewezen buitenlandse verzekeraar. Daarnaast wordt gedoeld op inkomstenbelasting die bij emigratie is verschuldigd ter zake van inkomen uit kapitaalverzekering voor de eigen woning en inkomstenbelasting die wordt berekend over inkomsten uit aanmerkelijk belang van een emigrant.

Artikel XVI, onderdeel C (artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

In artikel XVI, onderdeel C, is een wijziging opgenomen van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Aan dit artikel wordt een lid toegevoegd voor de situatie waarin in een belastingaanslag inkomstenbelasting is begrepen die betrekking heeft op inkomsten die in aanmerking zijn genomen op grond van de artikelen 3.83, eerste of tweede lid, 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, 3.136, eerste lid, of 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Over de inkomsten ter zake waarvan deze belasting wordt geheven, is ingevolge artikel 30i, eerste lid, revisierente verschuldigd. De hoogte van de revisierente kan in de situaties beschreven in de aanhef van artikel 30i, derde lid, op verzoek van de belastingplichtige gesteld worden op het bedrag aan heffingsrente dat verschuldigd zou zijn als zou kunnen worden nagevorderd. Zonder toevoeging van een vierde lid aan artikel 30i, zou de aldus berekende revisierente voorzover deze betrekking heeft op geconserveerd inkomen, gelet op de aan artikel 30f, eerste lid, toe te voegen volzin, nihil bedragen. Om dit te voorkomen is een vierde lid toegevoegd, op grond waarvan voor de toepassing van artikel 30i, derde lid, buiten aanmerking wordt gelaten het bepaalde in artikel 30f, eerste lid, tweede volzin.

(…)

Artikel XXVIII, onderdeel A (artikel II, onderdeel A, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)

Met ingang van 1 januari 2006 wordt ingevolge artikel II van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Stb. 2005, 115) de Wet op de loonbelasting 1964 gewijzigd. Ingevolge onderdeel A van dit artikel vervallen het derde, vierde en vijfde lid van artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964. Abusievelijk zou daarbij het zesde lid worden vernummerd tot tweede lid, terwijl het reeds bestaande tweede lid van artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt gehandhaafd. Met de onderhavige wijziging wordt deze onjuiste vernummering aangepast.

Artikel XXVIII, onderdeel B (artikel II, onderdeel C, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)

De voorgestelde wijziging van artikel II, onderdeel C, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling hangt samen met de met ingang van 1 maart 2005 in werking getreden Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004), Stb. 2004, 657. Ingevolge de laatstgenoemde wet is in artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 een nieuw vierde lid ingevoegd. In artikel II, onderdeel C, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling was hier nog geen rekening mee gehouden. Met de thans voorgestelde wijziging wordt dit hersteld. Daarnaast is een onjuiste verwijzing in het tot zevende lid vernummerde zesde lid hersteld. Met deze beide wijzigingen is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel XXVIII, onderdeel C (artikel V van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling

De in artikel V van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling opgenomen wijziging van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hing samen met de aanvankelijk voorgestelde aanpassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964. Bij amendement is die aanpassing teruggedraaid. Daarbij had ook de hiervoor genoemde wijziging van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moeten worden teruggedraaid. Met de thans voorgestelde wijziging wordt dit alsnog bewerkstelligd.

Artikel XXVIII, onderdeel D (artikel XIII, onderdeel E, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling)

Met de voorgestelde wijziging van artikel XIII, onderdeel E, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling wordt de tekst van de wet in overeenstemming gebracht met hetgeen (ook blijkens de toelichting) met dit artikel wordt beoogd. In de eerste plaats is de term prepensioenaanspraken vervangen door een verwijzing naar artikel 19b, vijfde lid. De bepaling geldt – anders dan het gebruik van deze term mogelijk suggereerde - niet alleen voor prepensioenaanspraken in de zin van artikel 38a, zoals dit artikel tot en met 31 december 2004 luidde, maar voor alle aanspraken, opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt. In de tweede plaats zouden op grond van de letterlijke tekst van het artikel in de situatie dat een dergelijke pensioenaanspraak wordt afgekocht, altijd meer aanspraken in de levensloopregeling mogen worden opgebouwd dan het bij reguliere opbouw geldende maximum van 12% van het laatstverdiende loon. In het jaar van afkoop zou dan ineens tot maximaal 210% van het laatstverdiende loon mogen worden opgebouwd in de levensloopregeling ongeacht de hoogte van de afkoop. Daarmee zou deze bepaling haar doel voorbij schieten. De bepaling is uitsluitend bedoeld om het mogelijk te maken om het volledige afkoopbedrag aan te wenden voor de opbouw van aanspraken ingevolge een levensloopregeling (mits de totale aanspraken – inclusief hetgeen in eerdere jaren en in het jaar zelf is opgebouwd - aan het einde van het kalenderjaar een periode van extra verlof van 2,1 jaar niet te boven gaan). Met de voorgestelde wijziging van artikel XIII wordt de wettekst in overeenstemming gebracht met de hiervoor genoemde bedoeling. Met deze wijziging is verder geen inhoudelijke wijziging beoogd.

(…)

Artikel XXXV (inwerkingtreding)

De datum van inwerkingtreding van dit belastingplan is 1 januari 2006. De gewijzigde tarieftabellen in inkomsten- en loonbelasting als opgenomen in artikel I, onderdeel A, en artikel III, onderdeel H, bevatten de bedragen zoals die zullen luiden voor het jaar 2006 waarin mede is begrepen de indexering per 1 januari 2006. Dit geldt ook voor de wijziging van de bedragen van de buitengewone uitgavenregeling, de algemene heffingskorting, de kinderkorting, de combinatiekorting en de ouderenkorting, opgenomen in artikel I, onderdelen O, T, U, W, X, Y en Z, en artikel III, onderdelen K, L en M. Deze wijzigingen dienen derhalve te geschieden nadat de indexering per 1 januari 2006 heeft plaatsgevonden.

De in artikel I, onderdeel E, opgenomen wijzigingen kunnen pas worden aangebracht na de inwerkingtreding van de in de Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2005), Stb. 654, opgenomen wijzigingen naar aanleiding van de herziene communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer. Het betreft artikel I, onderdeel B, artikel IV, onderdelen B en D, artikel XVI en artikel XVIII, onderdeel A, van vorengenoemde wet. De inwerkingtreding van die onderdelen wordt geregeld bij koninklijk besluit. Daarom zullen de wijzigingen opgenomen in artikel I, onderdeel E, eveneens in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, zoals is bepaald in het tweede lid.

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is vermeld, zullen de genoemde wijzigingen opgenomen in de Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Overige fiscale maatregelen 2005), Stb. 654, bij het uitblijven van een reactie van de Europese Commissie in werking treden op 1 januari 2006. De wijzigingen opgenomen in artikel I, onderdeel E, zullen dan eveneens bij koninklijk besluit in werking treden op 1 januari 2006.

De in artikel I, onderdeel F, opgenomen wijzigingen kunnen eerst worden aangebracht na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, en behoeven overigens de goedkeuring door de Europese Commissie. Daarom zullen deze wijzigingen eveneens in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

De in artikel IV, onderdeel B, opgenomen wijzigingen die erin voorzien dat de afdrachtvermindering zeevaart ook van toepassing is op kwalificerende bemanningsleden van een zeilende Commercial Cruising Vessel zullen ook eerst in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip na goedkeuring door de Europese Commissie.

De in artikel IX, onderdeel A opgenomen wijziging (BTW-vrijstelling voor alle intramurale zalf) treedt eveneens in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat zal samenvallen met het tijdstip waarop krachtens de WTZi winstoogmerk voor de intramurale zalf zal zijn toegestaan.

Het derde lid betreft de inwerkingtreding van de maatregelen inzake de filmstimulering. Fiscale filmstimulering betreft steun waarvan moet worden beoordeeld of het past binnen het steunkader vanwege de Europese Commissie. Omdat de intensivering aan de Europese Commissie moet worden voorgelegd, is de inwerkingtreding afhankelijk gesteld van toestemming. Indien toestemming van de Europese Commissie pas komt na 1 januari 2006 zullen de data in de voorgestelde artikelen 3.12a, 3.33 en 3.42b van de Wet IB 2001 en XXXIa, tweede lid, van het Belastingplan 2005, bij koninklijk besluit overeenkomstig worden aangepast.

De wijziging van artikel IV, onderdeel A, treedt in werking met ingang van 1 januari 2006; mocht artikel IV, onderdeel B, van de Wet van 16 december 2004, Stb. 654, reeds in werking zijn getreden vóór 1 januari 2006, dan werkt deze wijziging terug tot en met de datum van inwerkingtreding van genoemd onderdeel B.

In het vijfde lid wordt terugwerkende kracht tot en met 6 juni 2003 verleend aan artikel VIII, onderdeel A en onderdeel B, vierde lid. Met deze terugwerkende kracht wordt de in fiscaal opzicht beoogde situatie gecontinueerd zoals die bestond met betrekking tot (kabel)netten voordat de hoge Raad in twee arresten van 6 juni 2003 besliste dat kabelnetten onroerend zijn.

In het zesde lid wordt aan artikel XVIII, onderdeel F, terugwerkende kracht verleend tot en met 1 juli 2005 omdat de wijzigingen verband houden met een correcte implementatie van de richtlijn 2003/48/EG en de naar aanleiding van deze richtlijn gesloten overeenkomsten met afhankelijke of geassocieerde gebieden en staten, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de richtlijn 2003/48/EG. Zowel voornoemde richtlijn als de hiervoor vermelde overeenkomsten vinden toepassing vanaf 1 juli 2005. Overigens is vooruitlopend op de onderhavige wetswijziging reeds een besluit met gelijke strekking gepubliceerd.

De wijziging ingevolge artikel XXVIII treedt met terugwerkende kracht tot en met 31 december 2005 in werking, om te voorkomen dat de wijzigingsopdrachten – die worden gewijzigd bij genoemd artikel XXVIII – reeds zijn uitgevoerd op het moment dat de opdracht wordt gewijzigd.

Tot slot treden de wijzigingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 die betrekking hebben op de Europese coöperatieve vennootschap in werking met ingang van 18 augustus 2006 aangezien op die datum de verordening waarin deze nieuwe rechtsvorm is geregeld, van toepassing wordt.

 

 

De staatssecretaris van Financiën,

 

 

De minister van Financiën,

 

 

NOTA VAN WIJZIGING

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

(…)

2.

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

(…)

b. Na onderdeel S wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

T. Voor artikel 39 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38i
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op een goede invoering of een doelmatige toepassing van de wijzigingen die zijn aangebracht in deze wet bij de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, regels worden gesteld waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII van deze wet.

(…)

4.

Artikel XIX komt te luiden:

Artikel XIX

De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

2. Het tweede lid, onderdeel q, komt te luiden:
q. de ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een uitvoerder als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die wet opgebouwde voorziening.

B. Artikel 34, tweede lid, onderdeel f, komt te luiden:
f. de voorziening, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel q.

(…)

7.

Na artikel XXVIII wordt een artikel toegevoegd luidende:

Artikel XXVIIIa

De Wet arbeid en zorg wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 7:1 wordt vervangen door:

Begrippen

Artikel 7:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;

b. uitvoerder: een kredietinstelling, een verzekeraar of een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

B. Artikel 7:2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:

2. De werkgever draagt het op verzoek van de werknemer ter zake van een levensloopregeling ingehouden loon af aan de door de werknemer aangewezen uitvoerder.

2. In het derde lid wordt "op de levenslooprekening of als premie voor de levensloopverzekering te storten loon" vervangen door: af te dragen loon.

3. In het vijfde lid wordt "stortingen" vervangen door: afdrachten.

(…)

Toelichting

I. ALGEMEEN

Inleiding

(…)

Voorts wordt in de Wet op de loonbelasting 1964 een delegatiebepaling opgenomen die het mogelijk maakt om met het oog op de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen die de invoering van deze wet vergemakkelijken. Deze delegatiebepaling wordt met name gebruikt om de ruimte voor inkoop van ouderdomspensioen over de jaren voor 2006 ruimhartiger vast te stellen.

(…)

 

II. ONDERDEELSGEWIJS

(…)

Onderdeel 2, onder b
Artikel III (Artikel 38i van de Wet op de loonbelasting 1964)

Deze nota van wijziging voorziet in de toevoeging van een delegatiebepaling in de Wet op de loonbelasting 1964 die het mogelijk maakt om met het oog op de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen die de invoering van deze wet vergemakkelijken. Deze delegatiebevoegdheid wordt bijvoorbeeld gebruikt om regels te stellen die uitvoering geven aan de aankondiging[1] dat bij het bepalen van de fiscale ruimte voor collectieve inkoop van ouderdomspensioen over de jaren vóór 2006, geen rekening hoeft te worden gehouden met de voor 1 januari 2006 opgebouwde aanspraken die betrekking hebben op pensionering vóór 65 jaar en de vóór 1 januari 2006 in de tweede pijler opgebouwde individuele oudedagsvoorzieningen.

[1] In de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Stichting van de Arbeid die als bijlage is opgenomen bij de brief aan de Tweede Kamer van 24 juni 2005, Kamerstukken II, 2004/05, 29 760, nr. 57.

(…)

Onderdelen 4 en 7
Artikel XIX (artikelen 31 en 34 van de Wet werk en bijstand) en XXVIIIa (artikelen 7:1 en 7:2 Wet arbeid en zorg)

In de Wet arbeid en zorg wordt met ingang van 1 januari 2006 het wettelijk recht op deelname aan de levensloopregeling neergelegd. Dit is geregeld in artikel VI, van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling. De verdere uitwerking van de levensloopregeling is opgenomen in de Wet op de loonbelasting 1964. Bij de onderhavige nota van wijziging wordt, vanwege een wijziging van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 waardoor naast banken en verzekeraars ook beheerders van beleggingsinstellingen de levensloopregeling kunnen uitvoeren, de Wet arbeid en zorg gewijzigd, omdat ook daarin de uitvoerders van de levensloopregeling worden genoemd. Met de wijziging van de artikelen 7:1 en 7:2 van de Wet arbeid en zorg wordt die wet aan de bovengenoemde wijziging aangepast. Hetzelfde geldt voor de Wet werk en bijstand (artikel 31, tweede lid, onderdeel q en artikel 34, tweede lid, onderdeel f).

(…)

 

Verslag van een wetgevingsoverleg Tweede Kamer 7 november 2005

(…)

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog en kom te spreken over de levensloopregeling. In de Wet arbeid en zorg wordt met ingang van 1 januari 2006 het wettelijke recht op deelname aan de levensloopregeling neergelegd. De keuze voor de levensloopregeling of de spaarloonregeling kan eenmaal per jaar worden gemaakt. Voor het eerste jaar dat gekozen kan worden voor de levensloopregeling, is het verstandig om op meerdere momenten te kunnen switchen van het spaarloon naar de levensloop. Ik hoor op dit punt graag een reactie van de staatssecretaris.

(…)

De heer Bakker (D66): Voorzitter.

(…)

Vorig jaar is gezegd dat zelfstandigen nog niet onder de levensloopregeling kunnen vallen. Dat kostte te veel geld en bovendien was het erg ingewikkeld. De doelstelling dat het toch moet kunnen, bleef echter overeind. Hoe is de stand van zaken op dit gebied? Is er al enige voortgang geboekt?

(…)

Staatssecretaris Wijn:

(…)

Mevrouw Van Vroonhoven vroeg of de keuze tussen levensloop en spaarloon die voor 1 januari moet worden gemaakt kan worden uitgesteld. Als een werknemer die keuze nog niet heeft gemaakt en het eigenlijk ook niet weet, moet hij per eind 2005 alles even stop zetten en ergens in 2006 een beslissing nemen. Dat is mogelijk, maar het kabinet heeft wel besloten dat het op 1 januari ingaat, dus ook het keuzeregime. Wij kunnen natuurlijk niet zeggen dat men beide mag. Mensen die spaarloon hebben en denken dat zij het volgend jaar wel voor de levensloopregeling willen kiezen – voor ouderschapsverlof, een sabbatical, iets eerder kunnen stoppen met werken – moeten in december met het spaarloon stoppen en kunnen in 2006 altijd nog die keuze maken.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): Het geldt alleen maar voor het overgangsjaar, maar stel dat men begin van het jaar heeft gekozen voor het spaarloon, maar in april toch liever de levensloopregeling wil. Is dat dan mogelijk?

De heer Crone (PvdA): Mijn procedurele vraag is wanneer wij op dit punt een amendement zouden moeten indienen. De staatssecretaris verwijst soms terecht naar andere ministeries, maar het zal toch ergens geregeld moeten worden. Ik steun graag dit idee en wellicht kunnen wij samen wel dit amendement voorstellen.

Staatssecretaris Wijn: Als uhet wetstechnisch gezien goed wil regelen, moet uhet bij het Belastingsplan doen, dus volgende week. Als mevrouw Van Vroonhoven, u en wellicht ook nog anderen daar technische assistentie voor willen, dan kan dat natuurlijk.

De heer Crone (PvdA): Ik kom morgen toch al langs, wellicht kunnen wij samen gaan!

Staatssecretaris Wijn: De heer Bakker vroeg naar de levensloopregeling voor zelfstandigen. Begin september hebben wij de Kamer hierover een brief gestuurd. Dit is nu een onderwerp dat echt moet worden besproken met minister De Geus erbij.

(…)

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD): Voorzitter.

(…)

De Redersvereniging en de Federatie van Werknemers in de Zeevaart hebben de staatssecretaris geïnformeerd over de gevolgen van de levensloopregeling in combinatie met de problematiek van de afdrachtvermindering in de zeevaart. Uit hun brief blijkt dat als gevolg van die combinatie de loonkosten van Nederlandse zeevarenden met 6% tot 7% kunnen stijgen. Minister Peijs heeft 3 november jongstleden tijdens de ledenvergadering van de redersvereniging aangegeven, bereid te zijn een oplossing te zoeken voor dit probleem. Ik leg het ook hier neer en vraag de staatssecretaris of dit onbedoelde effect van de levensloopregeling op de loonkosten van de Nederlandse zeevarenden per 1 januari 2006 kan worden weggenomen.

(…)

Staatssecretaris Wijn:

(…)

De samenhang tussen de levensloopregeling en de faciliteit afdrachtvermindering zeevaart. Het is het kabinet niet bekend dat de minister van Verkeer en Waterstaat hierover iets zouhebben toegezegd. In het wetsvoorstel VUT/prepensioen/levensloop is gekozen voor een bepaalde definitie van het loonbegrip. Deze keuze heeft tot gevolg dat aftrekposten in de loonsfeer gevolgen hebben voor de afdrachtvermindering. Dat is inherent aan het systeem. Het heeft overigens ook gevolgen voor de normale pensioenpremies. Er is gevraagd om een onderzoek naar loon in natura en loonbelastingfaciliteiten. In dit onderzoek zal ook hierop worden ingegaan. Ik zal bezien of het in dat kader zinvol is om te zoeken naar een oplossing voor het probleem rond de afdrachtvermindering zeevaart. Daarbij zal dan in het bijzonder aandacht worden besteed aan de vraag of het mogelijk is om het te doen zonder een al te grote verhoging van de administratieve lasten en met relatief kleine budgettaire gevolgen. Ik zeg dit allemaal onder groot voorbehoud. De materie is complex. Alles wat heel specifiek op een bepaalde groep gericht is, brengt relatief veel administratieve lasten met zich mee. Daarentegen is het ook lastig om er niets aan te doen. Ik kijk ernaar maar het levensloopelement kan ik niet oplossen.

(…)

 

Handelingen Tweede Kamer 15 november 2005

(…)

De heer Crone (PvdA):

(…)

Over het spaarloon en de levensloopregeling wil ik niet zo gek veel zeggen. Ik heb wel twee hoofdpunten.
1. Mijn eigen huis wordt op dit moment verbouwd. Er was een lekkage in de badkamer. Als de bouwvakkers die de badkamer moeten aanpakken, merken dat je in de politiek zit, zeggen zij meteen dat zij de foldertjes over het spaarloon helemaal niks vinden. Zij snappen er helemaal niks van of willen de levensloop niet hebben omdat zij het spaarloon al jaren hebben en dat goed bevalt. Er is dus een mix van negatieve en positieve emoties rond dit thema. Het is immers weer zo’n vernieuwing waarvan mensen denken dat die niet goed zal zijn. Dat is jammer, want wij zijn erg voor de spaarloonregeling en de levensloopregeling. Voor je het weet zeggen ook de werkgevers dat de werknemers niet moeten veranderen en gewoon hun spaarloonregeling moeten verlengen. Niet veranderen is vaak makkelijk. Het is echter doodzonde als mensen door gebrek aan informatie en inzicht in januari of april erachter komen dat zij het toch liever anders hadden gedaan omdat zij dan van vrienden of anderen horen dat zij toch voor de levensloopregeling hadden moeten kiezen. De regelingen moeten precies zo blijven als zij nu zijn. De discussie daarover is gevoerd. Wij vinden het wel goed als er een langere bedenktijd komt. Daarom hebben wij volgaarne het amendement van mevrouw Van Vroonhoven gesteund.
2. Zoals dat bij alle dividenden het geval is, houden ook de instellingen die beleggen voor de levensloop 25% dividendbelasting in. Dat moet via de inkomstenbelasting worden teruggehaald. Die 25% wordt dus in feite onttrokken aan de levensloopbelegging. Het was beter als dat niet gebeurde. Rente-inkomsten gaan immers wel zonder voorheffing in het levenslooppotje. Wij willen dat gelijkschakelen, zodat beleggingen waarbij dividend wordt uitgekeerd, niet achtergesteld worden bij andere beleggingen en wel door een vrijstelling te regelen voor deze dividendbelasting. Deze moet dus gewoon betaald worden uit het levenslooppotje. Dan heb je als het ware bruto dividendinkomsten in je levenslooppotje. Op dat punt hebben wij vandaag een amendement ingediend. Ik hoop dat wij hiervoor een Kamermeerderheid kunnen vinden. Dit was immers nooit de bedoeling. Je moet via de levensloopregeling neutraal kunnen beleggen zonder na te hoeven gaan welke vorm fiscaal het gunstigst is.

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD): Er is nadrukkelijk voor gekozen om het spaarloon per 1 januari 2006 in te laten gaan. De instellingen die spaarloonregelingen verkopen, doen ontzettend hun best om het allemaal rond te krijgen. Vanwaar een jaar uitstel? Confronteert u de bedrijven niet met een enorme administratieve lastenverzwaring? Er zijn mensen die wel op tijd hebben gekozen, terwijl degenen die dat niet hebben gedaan een jaar respijt krijgen. Er is hierover toch goed nagedacht en gecommuniceerd?

De heer Crone (PvdA): Het verschil tussen u en mij is wellicht dat ik de laatste weken meer heb gesproken met gewone mensen die een beslissing moeten nemen dan met de bankiers en verzekeraars die nu klagen dat het zo’n rompslomp is. Zij overdonderen ons overigens met al hun reclamespotjes. Vastgesteld moet worden dat de mensen die een keuze moeten maken, aarzelen. Zij voelen zich een beetje onwennig bij die levensloop en blijven daarom liever bij het spaarloon zitten. Als dat een weloverwogen keuze is, is dat prima. Ik stel niet voor om de regeling uit te stellen. Mensen kunnen morgen beslissen om een levensloopregeling aan te gaan, maar wij willen de mogelijkheid bieden om alsnog over te stappen naar een spaarloonregeling als zij daaraan de voorkeur geven. Dat moet natuurlijk op de meest eenvoudige administratieve manier gebeuren en daarover zal mevrouw Van Vroonhoven straks nog iets zeggen. Wij willen dus de mensen ter wille zijn en de banken en verzekeraars zullen daar alleen maar baat bij hebben. Mensen kunnen via levensloopregelingen meer sparen dan via een spaarloonregeling. Mensen die te weinig hebben gespaard omdat zij in een spaarloonregeling blijven zitten, kunnen volgend jaar extra sparen, wat zij anders niet meer kunnen. Een langere denkperiode lijkt mij heel verstandig.

De heer Bakker (D66): Ik heb er niet zulke grote bezwaren tegen, maar voorziet de levensloopregeling er als zodanig al niet in? Men kan elk jaar de keuze maken en als je het niet voor 1 januari doet, doe je het eventueel een jaar later.

De heer Crone (PvdA): Inderdaad. Als je verkeerd kiest, ben je een jaar kwijt. Levensloopregelingen zijn echter gebaseerd op veel sparen en lang volhouden en daarom is het zonde als je een jaar mist. Zo heeft alles zijn vooren nadelen. Onze algemene klacht is dat het kabinet van alles razendsnel over de mensen heen stort waardoor zij door de bomen het bos niet meer zien. Wij zullen niet ophouden met daarvoor te waarschuwen en oplossingen te verzinnen.

(…)

De heer Irrgang (SP):

(…)

Voorzitter. Volgend jaar komen er veel veranderingen op de burger af. Er komt een nieuwe ziektekostenverzekering, er komt een nieuwe WAO, er komt een levensloopregeling. Heel veel mensen weten volgens mij amper nog of helemaal niet wat dat betekent, maar zij moeten wel kiezen tussen een levensloopregeling en een spaarloonregeling. Het lijkt mij daarom heel goed om daar nog even mee te wachten en mensen rustig de tijd te laten om daarover na te denken, zodat zij in de loop van komend jaar een verstandige keuze kunnen maken.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): Mag ik de heer Irrgang wijzen op het feit dat het absoluut geen kwestie is van wachten? De bedoeling is dat mensen die de boot net hebben gemist, alsnog kunnen inspringen in de levensloopregeling, om deze juist een vliegende start te geven. Als de heer Irrgang het amendement wil ondersteunen, dan zien wij dat graag, maar het kan dus geen kwestie zijn van uitstel. Het gaat er juist om, snel mee te doen.

De heer Irrgang (SP): Nou ja, uiteindelijk gaat het toch om een weloverwogen keuze. Veel mensen zijn nog niet goed geïnformeerd en willen misschien halverwege het jaar alsnog het besluit nemen om mee te doen. Dat lijkt mij een goede zaak.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): Ja, precies. Zij beginnen dan niet vanaf 1 januari 2007, maar kunnen direct in 2006 ermee aan de slag.

De heer Irrgang (SP): Ik ben het er helemaal mee eens.

(…)

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD):

(…)

De staatssecretaris heeft vorige week opgemerkt dat hij in het kader van de levensloopregeling geen reparatiemogelijkheden ziet om het onbedoelde neveneffect op de fiscale faciliteit voor de zeevaart te repareren. Dat betreuren wij. De internationale concurrentiepositie van de Nederlandse zeevarenden is de afgelopen tijd door een aantal maatregelen achteruit gegaan. Reparatie zou dus wenselijk zijn. Is de staatssecretaris het met mijn fractie eens dat dit een onbedoeld effect is en dat dit alleen merkbaar is in de sector van de zeescheepvaart. Daardoor zal de internationale positie van de Nederlandse zeevarenden in gevaar komen, terwijl wij aan die personen juist behoefte hebben. Er is een enorm tekort aan mensen en dit mag de positie van de zeevarenden dan ook niet nadelig beïnvloeden. Ik heb begrepen dat werkgevers en werknemers in de scheepvaartsector al een oplossing hebben voorgesteld. Die komt erop neer dat de bijdrage aan de levensloopregeling niet in mindering wordt gebracht op de grondslag die gebruik wordt voor het vaststellen van de afdrachtvermindering door de zeevaart. Staat de regering positief tegenover deze door werkgevers en werknemers aangedragen oplossing, namelijk budgettair neutraal? Is de regering bereid om dat over te nemen?

(…)

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik ben ook bijna klaar. Ik heb eigenlijk nog maar drie korte punten. Het eerste betreft levensloop en spaarloon. Daarover is ineens een discussie ontstaan. De kwestie is dat burgers in Nederland ook in de loop van 2006 nog mogen kiezen waarvoor zij het geld dat zij als aftrekpost kunnen opvoeren, voor willen inzetten: levensloop of spaarloon. Zij hoeven dan niet tevoren hun keuze te maken, maar moeten nog gaande het jaar een aanpassing kunnen doen. Hier zit een van de zoveelste nieuwe regelingen die dit kabinet heeft verzonnen achter. Vanmiddag hebben wij nog gesproken over de WIA-krater waarin veel Nederlanders dreigen te vallen, maar waarmee zeker ook werkgevers die een beetje fatsoenlijk voor hun personeel willen zorgen geconfronteerd zullen worden. Het getuigt allemaal niet van grote zorgvuldigheid dat dit nu nog even geregeld moet worden, evenmin als het feit dat de levensloopregeling bij heel veel mensen niet bekend is en dat de meeste burgers geen idee hebben wat ze willen.
Wat ons betreft geldt het volgende: levensloop of spaarloon, het blijft een regeling voor mensen die het geld over hebben. Heel veel Nederlanders hebben dat niet. Voor hen geldt de hele discussie dus niet. Ik ben erg voor keuzevrijheid. Mij maakt het dus niet zo heel veel uit als de staatssecretaris dit gaat regelen. Het lijkt mij wel van belang dat het kabinet nagaat wat de consequentie ervan zou zijn wanneer de burgers het hele jaar lang de keuzemogelijkheid blijven houden of gaande het fiscale jaar nog een keer mogen switchen. Misschien kan de staatssecretaris daarop wel reageren. Wat betekent dat in termen van administratieve lasten? Het is al een tamelijk lastenrijke regeling. Levensloop en spaarloon zijn individueel. Het voordeel van een goede collectieve verlofregeling hebben wij al lang niet meer. Het administreren van de regeling houdt een heleboel mensen aan het werk. Mijn vraag aan de staatssecretaris luidt, of wij dat op deze manier niet nog eens alleen maar erger maken.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): Ik wil in de richting van de heer Vendrik opmerken dat dit niet iets is dat als een duveltje uit een doosje komt. Het is vorige week tijdens het wetgevingsoverleg uit en te na besproken, waarbij deze problematiek uitvoerig aan de orde is geweest. Het is daarnaast echt bedoeld om de levensloopregeling een krachtig begin te geven. Mensen die aan het begin van 2006 tot de ontdekking komen dat zij eigenlijk voor de levensloopregeling hadden willen kiezen, krijgen op deze manier daartoe alsnog de gelegenheid.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik begrijp inderdaad dat wij het goed moeten kunnen regelen voor mensen die geld over hebben voor deze aftrekpost. Helaas zijn dit meestal niet de groepen die wij echt zouden willen bedienen met de levensloopregeling. Ik geloof niet dat ik heb gezegd dat het debat als een duiveltje uit een doosje kwam, maar ik vind het wel absurd dat wij dit debat twee maanden voordat de regeling moet worden ingevoerd nog voeren.

(…)

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA):

(…)

Ik wil nog een opmerking over de levensloopregeling maken. Samen met de PvdA-fractie hebben wij daarover een amendement ingediend. Wij vinden het belangrijk dat de levensloopregeling vanaf het jaar 2006 een vliegende start maakt. Daarom willen wij de mensen die vlak na de jaarwisseling tot de ontdekking komen dat zij graag zouden hebben meegedaan aan de levensloopregeling maar het moment jammer genoeg voorbij hebben laten gaan, alsnog de mogelijkheid bieden om deze keuze te maken. Er is absoluut geen sprake van uitstel. Wij willen juist een brede basis bewerkstelligen en een vliegende start maken door mensen die anders een jaar zouden moeten wachten er in 2006 alsnog gebruik van te laten maken. Ik heb hiermee alle resterende punten van onze kant besproken.

(…)

De heer Crone (PvdA): Ik wil nog een geheel ander punt in het dossier van de dividendbelastingen aansnijden. Ik heb in mijn eerste termijn gesproken over het dividend op de levensloopregelingen. Daarop wordt 25% dividendbelasting als voorheffing ingehouden. Dat kan niet worden teruggevorderd omdat het geld in het levensloopfonds is geblokkeerd. Wij hebben een amendement in voorbereiding, dat nu bij de andere fracties ligt en morgenochtend vroeg zal worden ingediend, om dit te schrappen. Dat kost niets, omdat het ook niet is ingeboekt. Dit amendement is bedoeld om de levensloopregeling niet achter te stellen ten opzichte van bijvoorbeeld rentebeleggingen.

Staatssecretaris Wijn: Ik was wel met de dividendbelasting bezig, maar was nog niet toegekomen aan de dividendbelasting in relatie tot de levensloopregeling. Ik kom daar zo dadelijk aan toe. Ik heb het zojuist gehad over de dividendbelasting als zodanig. Ik ga nu over tot de levensloop en daarbij komt dit onderwerp straks aan de orde.
Ik aarzel om de levensloop hier te behandelen. Het is natuurlijk een voorstel waarbij het kan. In die zin voel ik mij een beetje belemmerd, omdat minister De Geus hier niet aanwezig is.
Het amendement mevrouw Van Vroonhoven en de heer Crone op stuk nr. 39 beoogt het keuzemoment tussen spaarloon- en levensloopregeling in 2006 gedurende het hele jaar mogelijk te maken, in plaats van alleen op 1 januari 2006. Het heeft mij deugd gedaan dat niet is gezegd – zoals ik wel in kranten heb gelezen – dat dit vanwege de onduidelijkheid van de regeling zou zijn, of dat er overgangsrecht nodig is. Dit is zelfs door sprekers nadrukkelijk ontkend. Er is gezegd dat mensen de kans moeten krijgen. Het amendement dient als een dubbele kans voor de levensloopregeling te worden beschouwd, als men in het jaar 2006 voor de levensloopregeling kan kiezen. Dit klinkt sympathiek.
Het amendement brengt echter wel een complexere uitvoering met zich mee en biedt daardoor een grotere kans op misbruik. Het amendement heeft dus budgettaire risico’s. Die zijn overigens niet bepaalbaar en worden daardoor niet gedekt. Daarnaast kan de werknemer altijd zeggen dat hij met ingang van 2006 de stortingen op het spaarloon stopzet en gedurende het jaar bekijkt wat hij zal doen. In die zin kan men zeggen dat de mogelijkheid er is als men zelf de automatische betalingen in spaarloon zou stoppen. Dan is de herstelmogelijkheid niet nodig, tenzij je ervan uitgaat dat het gedoe is dat de mensen op de hoogte moeten zijn van de mogelijkheid, door hun automatische overboekingen te stoppen. Tegenover dat gedoe staat natuurlijk wel dat banken en verzekeraars die op dit moment de spaarloonregeling uitvoeren hierdoor extra administratieve lasten krijgen. Ik kan niet uitsluiten – maar ik weet niet hoe dit in de praktijk zal gaan – dat de kosten daarvan in een enkel geval in rekening gebracht zullen worden. Dat is aan het individuele contract dat met degene die een spaarloonregeling heeft, is afgesproken.
Het amendement komt sympathiek over, maar er zitten wel wat haken en ogen aan, en voor banken en uitvoerders van de levensloopregeling ook extra kosten. Ik sluit niet uit dat deze extra kosten uiteindelijk in rekening worden gebracht bij degenen die meedoen aan de spaarloonregeling en bij degenen die meedoen aan de levensloopregeling. Dit kan nooit ten laste van de overheid komen. Ik vind het amendement sympathiek en laat het oordeel aan de Kamer, maar ik vind het niet helemaal probleemloos.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): De staatssecretaris verwijst naar eventuele extra kosten, maar ik wijs hem erop dat de mensen dan wel weten waar zij aan toe zijn.
Grosso modo hoor ik een positieve inslag bij de staatssecretaris. Is hij het wel met de indieners van het amendement eens, dat wij hiermee de levensloopregeling een vliegende start kunnen geven?

Staatssecretaris Wijn: Ja, dat heb ik ook aangegeven door te zeggen ’’dubbele kans’’. In het amendement staat dat het voorstel gedurende het hele jaar zal gelden. Misschien kunnen de indieners overwegen om de terugstortmogelijkheid die erin zit te beperken tot enkele maanden, in plaats van tot een heel jaar, omdat dit goed is voor de banken en de verzekeraars. Ik zou dat van de Kamer een aardige geste vinden aan de banken en verzekeraars.

Mevrouw Van Vroonhoven-Kok (CDA): U hebt ook even de andere indiener aangekeken. Wij komen daar onderling wel uit.

De heer Crone (PvdA): Daar komen wij wel uit, maar ik vind het een beetje overdreven om nu over hoge kosten voor banken en verzekeraars te spreken, want zij krijgen ook een extra kans. Ik heb dit uitgelegd aan de hand van een voorbeeld. Mensen blijven nu allemaal op de automatische piloot in de spaarloonregeling zitten, want dat zijn zij gewend. Zij leggen ongeveer € 650 in, meer mag niet. Als die mensen overstappen op een levensloopproduct en meer gaan sparen – dat mag, zelfs 12% – dan is ook de verdienste voor de verzekeraars hoger, want dan kunnen zij 12% beleggen in plaats van € 650. Dus er zitten ook enorme kansen in voor die verzekeraars. Wat zijn het toch een sukkels dat zij niet snappen dat de mensen voor wie zij het doen, namelijk hun klanten, vragen om extra bedenktijd. Dan helpen wij hen aan extra bedenktijd, en is het weer niet goed! Opportunities, zou ik zeggen tegen de heren. Kansen!

Staatssecretaris Wijn: Zonder de kwalificatie van de heer Crone over te willen nemen, geef ik toe dat hij gelijk heeft dat hier voor de verzekeraars een fantastische marktkans ligt. Ik ga ervan uit dat men te zijner tijd vanuit de verzekeringsbranche zal opmerken over dit kabinet: wat hebben wij veel kansen van dit kabinet gekregen ...
De heer Crone vroeg naar de dividendbelasting in samenhang met de levensloopregeling. Voorzover ik weet heeft hij daarover nog geen amendement ingediend.

De heer Crone (PvdA): Dat komt eraan.

Staatssecretaris Wijn: Ik begrijp dat het amendement zou inhouden dat niet de werknemer maar de uitvoerder van de levensloopregeling de ingehouden dividendbelasting kan verrekenen. Die dividendbelasting moet dan worden bijgeschreven op het levenslooptegoed. Later komt dat eruit als verlof wordt opgenomen. Daar is iets voor te zeggen, want het neemt een onbedoeld voordeel weg, namelijk dat in box 1 de 25% dividendbelasting onbelast blijft. Tegelijkertijd treedt de levensloopregeling over een week of zes in werking.
Banken en beheerders van beleggingsinstellingen hebben hun systemen al vrijwel op orde. Daarom hebben wij er op dit moment niet voor gekozen om een dergelijk voorstel te doen.
Omdat het amendement nog niet is ingediend, heb ik nog niet kunnen overleggen met mijn collega van Sociale Zaken. Misschien kan de heer Crone het meenemen naar volgende week.

De heer Crone (PvdA): Ik wil het best meenemen naar volgende week, maar misschien zegt men dan dat ik te laat ben omdat het Belastingplan vorige week is behandeld. Ik begrijp dat de langere bedenktijd te maken heeft met de VPL, maar u zei daarnet dat het geen slecht plan is; u mag dit ook in een nota van wijziging meenemen. U mag er ook morgen over nadenken.

Staatssecretaris Wijn: U kunt erover nadenken of u het amendement volgende week wilt indienen. U hoort van mij geen uitgesproken negatieve reactie op een amendement dat u eventueel zou hebben ingediend, want er is wel iets te zeggen voor het systeem dat u voorstelt. Als u een amendement volgende week indient zullen wij niet zeggen: er zijn nu nog maar vijf weken en vorige week waren er nog zes. Dat zou flauw zijn. Ik heb het liefst dat wij dit onderwerp behandelen in het bijzijn van minister De Geus. Ik geef aan dat er best wat te zeggen is voor het systeem dat u voorstelt. Als u een amendement terzake indient, zal ik niet zeggen dat het kabinet de aanneming ervan ontraadt.
Mevrouw Dezentjé Hamming heeft gevraagd naar de afdrachtvermindering voor de scheepvaart. Het is waar dat aftrekposten in de loonsfeer direct doorwerken naar de afdrachtvermindering. Dat geldt ook voor deze afdrachtvermindering. Overigens geldt dat ook voor de afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk. Het is bijna een automatisme dat dat eruit valt. In die zin heeft elke wijziging van een tarief van de loonbelasting meteen gevolgen voor de mate waarin de afdrachtvermindering te gelde kan worden gemaakt. Dat is zowel positief als negatief. In 1994 is bij de bespreking van de zeedagenaftrek gezegd dat er nu eenmaal plussen en minnen zijn. Wijzigingen in de wet leiden soms tot een hogere afdrachtvermindering door lagere premies. Ergo, het systeem valt samen te vatten met de woorden: you win some, you loose some. Nu wordt gevraagd om voor een kleine groep een uitzondering te maken, maar die uitzondering is inhoudelijk zeer moeilijk te verdedigen. Daarom vind ik dat wij het inherente gevolg van het systeem moeten billijken.

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD): U spreekt van een uitzondering voor een kleine groep. Echter, er is al een uitzondering. Zouden hier dan niet aparte regels moeten gelden? Nogmaals, werkgevers en werknemers in de scheepvaartsector hebben een budgettair neutrale oplossing voorgesteld. Bent u daar dan niet gevoelig voor?

Staatssecretaris Wijn: Het is altijd fijn als men voor een budgettair neutrale oplossing kiest. Dat geldt ook als men het tarief van 52% naar 60% brengt en een overeenkomstig bedrag in de tweede schijf terugboekt. Dan werkt men ook budgettair neutraal. Bij mijn afwijzing heb ik het niet over dit aspect. Het gaat erom dat meerdere afdrachtverminderingen gelden. Denk aan speur- en ontwikkelingswerk. Al die afdrachtverminderingen hebben een rechtstreekse doorwerking op de ruimte voor de levensloop. Je kunt zo’n element niet in het ene geval, bijvoorbeeld bij de zeedagen, in aanmerking nemen, maar dat dan in het andere geval niet doen. Dat is de moeilijkheid. Wij hebben nu eenmaal te maken met een bepaald systeem. De aftrekposten in de loonsfeer hebben hun doorwerking bij de afdrachtverminderingen. Soms kan het effect zijn dat lagere premies gelden. Dat is een feit. In deze specifieke sector geniet men een voordeel, maar tegelijk moet je zeggen: elk voordeel heb zijn nadeel. Het mes snijdt aan twee kanten: lagere premies, maar ook minder levensloopruimte.

(…)

 

Gewijzigd amendement van de leden Van Vroonhoven-Kok en Crone (30306 nr. 64)

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Aan artikel XXXI wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

C. Overgangsrecht Wet op de loonbelasting 1964 (beëindiging deelname spaarloonregeling in 2006)

Indien voor 1 juli 2006 is gespaard ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964, kan in afwijking van artikel 19g, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 in 2006 toch een voorziening ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van die wet worden opgebouwd, indien het ingevolge de spaarloonregeling in 2006 gespaarde bedrag, in afwijking van het in of krachtens artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalde, voor 1 juli 2006 van de spaarloonrekening wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en deze de terugstorting als loon uitkeert aan de werknemer.

Toelichting

Dit amendement bewerkstelligt dat werknemers die hun (automatische) stortingen in de spaarloonregeling niet voor 1 januari 2006 hebben stopgezet wel de mogelijkheid krijgen om ook voor 2006 te kiezen voor deelname aan de levensloopregeling. De in het amendement opgenomen overgangsregeling geldt voor loon dat voor 1 juli 2006 wordt gespaard ingevolge de spaarloonregeling. Voorwaarde voor de toepassing van deze mogelijkheid is dat de stortingen in de spaarloonregeling die in 2006 (dus voor 1 juli) hebben plaatsgevonden ongedaan gemaakt worden. Uit de huidige wettelijke systematiek volgt dat als een werknemer in een kalenderjaar eenmaal gespaard heeft in de spaarloonregeling, hij niet meer kan opbouwen in de levensloopregeling (en andersom). Dit geldt ook als een bedrag is gestort op de spaarloonrekening dat later weer is teruggestort (of een bedrag op de levensloopregeling dat later is teruggestort). Deze overgangsbepaling maakt voor het kalenderjaar 2006 een uitzondering die – wanneer het binnen de spaarloonregeling vóór 1 juli 2006 gespaarde loon vóór 1 juli 2006 wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en alsnog als loon in aanmerking wordt genomen – het mogelijk maakt om alsnog deel te nemen aan de levensloopregeling.

Van Vroonhoven-Kok
Crone

 

Amendement van de leden Crone en Van Vroonhoven-Kok (30306 nr. 65)

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

Na onderdeel Z wordt een onderdeel ingevoegd,luidende:

ZA. In artikel 9.2 wordt na het derde lid,onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot vijfde tot en met negende lid,een lid ingevoegd,luidende:
4. In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een voorziening ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964.

II

Aan artikel V wordt een onderdeel toegevoegd,luidende:

H. Aan artikel 25 wordt een lid toegevoegd,luidende:
4. De dividendbelasting die op grond van artikel 9.2,vierde lid,van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen,wordt als voorheffing aangewezen van de kredietinstelling, bedoeld in artikel 19g,derde lid,van de Wet op de loonbelasting 1964, indien die instelling een bedrag ter grootte van die dividendbelasting overmaakt naar de geblokkeerde rekening van degene bij wie die dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen. De dividendbelasting die op grond van artikel 9.2,vierde lid,van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen,wordt als voorheffing aangewezen van de beheerder van de beleggingsinstelling,bedoeld in artikel 19g,derde lid,van de Wet op de loonbelasting 1964,indien die beheerder een bedrag ter grootte van die dividendbelasting aanwendt ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling ten behoeve van degene bij wie die dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking wordt genomen.

III

In artikel VII wordt vóór onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

OA. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het tweede lid wordt,onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid,een lid ingevoegd, luidende:
3. Bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 19g,derde lid,van de Wet op de loonbelasting 1964.

2. In het tot vijfde lid vernummerde vierde lid wordt «het derde lid» vervangen door: het vierde lid.

Toelichting

Dit amendement bewerkstelligt dat bij een voorziening ingevolge een levensloopregeling waarbij is belegd in aandelen,de ter zake van de opbrengst van die aandelen ingehouden dividendbelasting niet in de inkomstenbelasting kan worden verrekend door de werknemer. In de plaats daarvan kan de kredietinstelling waarbij de geblokkeerde levenslooprekening wordt aangehouden,deze dividendbelasting verrekenen. De kredietinstelling is dan wel gehouden een bedrag ter grootte van de ingehouden dividendbelasting te storten op de geblokkeerde levenslooprekening van de werknemer. Hierdoor wordt per saldo het brutodividend bijgeschreven op het levenslooptegoed.
Verder bewerkstelligt dit amendement dat een vrijstelling wordt opgenomen in de Wet op de dividendbelasting 1965 op grond waarvan een beleggingsinstelling waarin een werknemer via de levensloopregeling participeert geen dividendbelasting behoeft in te houden op opbrengsten die worden bijgeschreven op de geblokkeerde participatierekening van die werknemer in die instelling. Ook bij een geblokkeerde levensloopparticipatierekening wordt derhalve het brutodividend bijgeschreven.
Ingeval de beleggingsinstelling van voornoemde vrijstelling geen gebruik maakt,kan de beheerder van de belegging de dividendbelasting verrekenen,net zo als een kredietinstelling,en ook onder de gehoudenheid een bedrag ter grootte van die dividendbelasting via de levensloopregeling te doen toekomen aan de werknemer.
Dit amendement vermindert de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en de werknemers aanzienlijk nu de werknemers zelf niet meer de dividendbelasting mogen verrekenen. Voor de uitvoerders van de levensloopregeling nemen de administratieve lasten toe.

Budgettaire aspecten

Bij de raming van de budgettaire effecten van invoering van de levensloopregeling is geen rekening gehouden met de mogelijkheid van verrekening van dividendbelasting door de werknemer,die door het amendement wordt voorkomen. Daarom is er geen sprake van een budgettaire opbrengst ten opzichte van eerdere ramingen.

Crone
Van Vroonhoven-Kok

 

Stemmingen Tweede Kamer 17 november 2005

Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006)(30306).

(Zie vergadering van 15 november 2005.)

(…)

In stemming komt het amendement-Crone/Van Vroonhoven-Kok (stuk nr. 65, I).

De voorzitter: Ik constateer dat dit amendement met algemene stemmen is aangenomen.
Ik stel vast dat door de aanneming van dit amendement de overige op stuk nr. 65 voorkomende amendementen als aangenomen kunnen worden beschouwd.

Onderdeel Z, zoals het is gewijzigd door de aanneming van het amendement-Crone/Van Vroonhoven-Kok (stuk nr. 65, I), wordt zonder stemming aangenomen.

De onderdelen Za t/m DD worden zonder stemming aangenomen.

Het gewijzigde artikel I wordt zonder stemming aangenomen.

(…)

De onderdelen E t/m P worden zonder stemming aangenomen.

(…)

De onderdelen R t/m T worden zonder stemming aangenomen.

Het gewijzigde artikel III wordt zonder stemming aangenomen.

(…)

De voorzitter: Door de aanneming van het amendement-Crone/Van Vroonhoven-Kok (stuk nr. 65, II) is een nieuw onderdeel H toegevoegd.

Het gewijzigde artikel V wordt zonder stemming aangenomen.

(…)

De artikel XVI t/m XXIII worden zonder stemming aangenomen.

(…)

De artikelen XXIV t/m XXXa worden zonder stemming aangenomen.

(…)

In stemming komt het gewijzigde amendement-Van Vroonhoven-Kok/Crone (stuk nr. 64) tot het invoegen van een nieuw onderdeel C.

De voorzitter: Ik constateer dat dit gewijzigde amendement met algemene stemmen is aangenomen.

Artikel XXXI, zoals het is gewijzigd door de aanneming van het gewijzigde amendement Van Vroonhoven-Kok/Crone (stuk nr. 64), wordt zonder stemming aangenomen.

De artikelen XXXII t/m XXXVI en de beweegreden worden zonder stemming aangenomen.

In stemming komt het wetsvoorstel.

De voorzitter: Ik constateer dat de aanwezige leden van de fractie van Groenlinks tegen het wetsvoorstel hebben gestemd en die van de overige fracties ervoor, zodat het is aangenomen.

 

Gewijzigd Voorstel van Wet Eerste Kamer (30306 nr. A)

(…)

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

Za. In artikel 9.2 wordt na het derde lid, onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot vijfde tot en met negende lid, een lid ingevoegd, luidende:
4. In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een voorziening ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964.

(…)

ARTIKEL III

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

E. Artikel 18d, derde lid, komt te luiden:
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, blijft in de jaren tussen de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de 65-jarige leeftijd, van de uitkering buiten aanmerking een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de voor die jaren geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag. De eerste volzin is onverminderd van toepassing bij dienstbetrekkingen in deeltijd.

F. In artikel 19e wordt de tweede volzin vervangen door: De commissie adviseert over de fiscale aspecten van pensioenen, waarbij acht wordt geslagen op de voorwaarde dat de adviezen nagenoeg budgettair neutraal uitgevoerd kunnen worden.

G. Artikel 19g wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
3. Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt overgemaakt naar een geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling, als premie gestort bij een verzekeraar voor een verzekering in het kader van een levensloopregeling, dan wel overgemaakt naar de beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling.

2. In het vierde lid, aanhef, wordt «kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar» vervangen door: kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling.

3. In het vierde lid wordt na onderdeel b, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel d, een onderdeel ingevoegd, luidende: c. beheerders van beleggingsinstellingen aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen en die zijn gevestigd in Nederland;.

4. In het vierde lid wordt in het tot onderdeel d vernummerde onderdeel c «onderdelen a en b» vervangen door: onderdelen a, b en c.

(…)

S. Aan artikel 38c wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Een aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in het tweede lid kan met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden omgezet in een aanspraak ingevolge een ouderdomspensioenregeling, voorzover het ouderdomspensioen na de omzetting niet meer bedraagt dan 100% van het laatstverdiende loon.

T. Voor artikel 39 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38i

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op een goede invoering of een doelmatige toepassing van de wijzigingen die zijn aangebracht in deze wet bij de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, regels worden gesteld waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII van deze wet.

(…)

ARTIKEL VII

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende: 3. Bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

2. In het tot vijfde lid vernummerde vierde lid wordt «het derde lid» vervangen door: het vierde lid.

(…)

ARTIKEL XVI

De Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

(…)

B. Aan artikel 30f, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende:
De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot inkomstenbelasting ter zake van te conserveren inkomen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, uitgezonderd te conserveren inkomen dat is ontstaan door toepassing van artikel 3.58, eerste lid, of artikel 3.64, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

(…)

D. Aan artikel 30i wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Indien revisierente wordt berekend met betrekking tot inkomstenbelasting die betrekking heeft op inkomsten die in aanmerking zijn genomen op grond van de artikelen 3.83, eerste of tweede lid, 3 133, tweede lid, onderdelen h of j, 3 136, eerste lid, of 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt bij de toepassing van het derde lid artikel 30f, eerste lid, tweede volzin, buiten aanmerking gelaten.

(…)

ARTIKEL XXVIII

De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel II, onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «onder vernummering van het zesde lid tot tweede lid» vervangen door: onder vernummering van het zesde lid tot derde lid.

2. In het vierde lid wordt «In het tot tweede lid vernummerde zesde lid» vervangen door: «In het tot derde lid vernummerde zesde lid». Voorts wordt «in het tweede lid, onderdeel b,» vervangen door: in het derde lid, onderdeel b,.

B. Artikel II, onderdeel C, wordt vervangen door:
C. Artikel 19b wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het vierde lid wordt, onder vernummering van het vijfde, zesde en zevende lid tot zesde, zevende en achtste lid, een lid ingevoegd, luidende:
5. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd als gevolg van een bij of krachtens artikel 32, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet toegestane afkoop van aanspraken, opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt.

2. In het tot zevende lid vernummerde zesde lid wordt «vierde lid» vervangen door: zesde lid.

C. Artikel V vervalt.

D. Artikel XIII, onderdeel E, wordt vervangen door:
E. In afwijking in zoverre van artikel 19g, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel op 1 januari 2006 luidt, kunnen voor werknemers die in een kalenderjaar pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 19b, vijfde lid, afkopen, in dat kalenderjaar meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 procent van het loon van het jaar, voorzover zulks het gevolg is van de aanwending van de afkoop van de pensioenaanspraken voor het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling met dien verstande dat de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra verlof van 2,1 jaar niet te boven gaan.

ARTIKEL XXVIIIA

De Wet arbeid en zorg wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 7:1 wordt vervangen door:

Begrippen

Artikel 7:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. uitvoerder: een kredietinstelling, een verzekeraar of een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

B. Artikel 7:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:
2. De werkgever draagt het op verzoek van de werknemer ter zake van een levensloopregeling ingehouden loon af aan de door de werknemer aangewezen uitvoerder.

2. In het derde lid wordt «op de levenslooprekening of als premie voor de levensloopverzekering te storten loon» vervangen door: af te dragen loon.

3. In het vijfde lid wordt «stortingen» vervangen door: afdrachten.

(…)

ARTIKEL XXXI

(…)

C. Overgangsrecht Wet op de loonbelasting 1964 (beëindiging deelname spaarloonregeling in 2006)

Indien voor 1 juli 2006 is gespaard ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964, kan in afwijking van artikel 19g, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 in 2006 toch een voorziening ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van die wet worden opgebouwd, indien het ingevolge de spaarloonregeling in 2006 gespaarde bedrag, in afwijking van het in of krachtens artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalde, voor 1 juli 2006 van de spaarloonrekening wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en deze de terugstorting als loon uitkeert aan de werknemer.