Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

 

Nader rapport inzake voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

(……)

1. Prepensioen- en VUT-regelingen

a. Algemeen

De Raad merkt op dat de doelstelling van het kabinet om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen niet met fiscale maatregelen alleen kan worden bereikt. Het kabinet deelt de mening van de Raad dat deze doelstelling ingebed moet worden in een breder beleid om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Zo wil de regering het met behulp van de voorgestelde levensloopregeling voor werknemers mogelijk maken om werk en vrije tijd beter over het gehele arbeidzame leven te spreiden. Om te bereiken dat mensen langer aan het werk kunnen blijven moeten overigens de sociale partners, zoals de Raad opmerkt, ervan overtuigd worden dat ook hun inspanningen vereist zijn. Zo is het van belang dat de beloning van oudere werknemers meer flexibel wordt en dat mensen gedurende hun hele leven voldoende blijven deelnemen aan onderwijs en scholing, zodat zij ook op latere leeftijd aantrekkelijk blijven voor werkgevers. Met het afschaffen van de fiscale faciliëring voor regelingen die het mogelijk maken voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te stoppen met werken geeft het kabinet een signaal af. De overheid wil de arbeidsparticipatie van ouderen verhogen en draagt daarom niet langer via fiscale faciliëring bij aan regelingen die het mogelijk maken om eerder te stoppen met werken.

De Raad is van mening dat de voorgestelde maatregelen effecten hebben die uitgaan boven het enkel vervallen van de omkeerregel. In zoverre ontstaat naar de mening van de Raad enige spanning met verdragen die de vrijheid van collectief onderhandelen waarborgen. Met de effecten die uitgaan boven het vervallen van de omkeerregel doelt de Raad met name op het niet meer in aftrek kunnen brengen van de door werknemers betaalde premies voor een VUT-regeling terwijl de aanspraken belast worden zonder rekening te houden met de door werknemers betaalde premies. Dit onderdeel van het wetsvoorstel is naar aanleiding van het advies van de Raad aangepast. Na deze aanpassing gaan de effecten naar onze mening niet uit boven het enkel vervallen van de faciliteiten die uit de omkeerregel voortvloeien. Zoals hieronder nader uitgewerkt wordt, is het belasten van de aanspraken ingevolge een VUT-regeling ineens op het moment voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen ons inziens de enige manier om, rekening houdend met ook de door Raad genoemde uitvoeringstechnische aspecten, bij VUT-regelingen de omkeerregel te laten vervallen. Van spanning met verdragen die de vrijheid van collectief onderhandelen waarborgen is naar onze mening dan ook geen sprake.

b. Omkeerregel

Zoals de Raad aangeeft bestaat de huidige fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen uit de toepassing van de omkeerregel, waardoor uitstel van belastingheffing wordt geboden en mogelijk tariefs(progressie)voordeel. Toepassing van de omkeerregel betekent dat aanspraken worden vrijgesteld terwijl de uit deze aanspraken voortvloeiende uitkeringen belast worden. Het laten vervallen van de omkeerregel leidt er toe dat de aanspraken belast worden en dat de uitkeringen niet meer belast worden. Nadat de aanspraken eenmaal belast zijn in de loonsfeer, verlaten deze de loonsfeer en gaan ze over naar box 3. In box 3 wordt de waarde van de aanspraken jaarlijks in de rendementsgrondslag betrokken. Hierbij wordt in beginsel jaarlijks 4% van de gemiddelde waarde van de aanspraken in de heffing betrokken. Voor de waardering van deze aanspraken gelden de in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 opgenomen regels voor de waardering van periodieke uitkeringen in geld. De toelichting van het wetsvoorstel is naar aanleiding van de door de Raad gemaakte opmerkingen aangevuld met een uitwerking van de behandeling van de aanspraken in de inkomstenbelasting.

c. Vervallen omkeerregel

De Raad is van mening dat de aanspraken ingevolge een prepensioen- of overbruggingspensioenregeling ontstaan op het tijdstip van sluiten van de overeenkomst en dat aanspraken worden opgebouwd naar rato van het verstrijken van de dienstbetrekking. De aanspraak op grond van een VUT-regeling ontstaat voor werknemers op het tijdstip van invoering van een VUT-regeling of op het moment van het sluiten van een arbeidsovereenkomst indien tot de arbeidsvoorwaarden een VUT-regeling behoort. Wij delen deze visie en hebben dit ook als vertrekpunt genomen voor de in het Belastingplan 2004 voorgestelde systematiek. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bij VUT-regelingen naar onze mening geen sprake is van opbouw naar rato van het verstrijken van de dienstbetrekking, maar dat de aanspraak wel toeneemt naarmate de kans dat daadwerkelijk VUT-uitkeringen zullen worden genoten toeneemt. Deze toename zal in de laatste jaren uiteraard het grootst zijn.

Zoals de Raad aangeeft, leidt het vervallen van de omkeerregel bij prepensioen- en overbruggingspensioenregelingen niet tot bijzondere uitvoeringsproblemen. Alleen de waardering van de uit deze regelingen voortvloeiende rechten in verband met de vermogensrendementsheffing vergt een uitbreiding van de gegevensverschaffing van de werkgever aan de werknemer. Voor de waardering van deze rechten zijn de in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 opgenomen regels van toepassing.

Bij VUT-regelingen leidt het vervallen van de omkeerregel volgens de Raad wel tot aanmerkelijke uitvoeringsproblemen. Naar onze mening zou dat inderdaad gelden indien de aanspraak zou worden belast op het moment dat de aanspraak ontstaat, maar worden de door Raad bedoelde uitvoeringsproblemen voorkomen door de aanspraak pas te belasten op het moment direct voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen. Bij de volgende onderdelen wordt dit nader toegelicht.

d. VUT-aanspraak

De Raad geeft aan dat de in aanmerking te nemen aanspraak omschreven dient te worden. De Raad gaat hierbij uit van een systematiek, waarbij de aanspraak wordt belast op het moment van het ontstaan van de aanspraak. Gezien de ook door de Raad gesignaleerde verschillen tussen VUT- en prepensioenregelingen bij het ontstaan en de opbouw van de aanspraken, is voor een ander moment van belasten van de aanspraken gekozen. Binnen de in het wetsvoorstel opgenomen systematiek is het naar onze mening niet noodzakelijk de VUT-aanspraken nader te omschrijven. Bij die systematiek wordt de totale waarde van de aanspraak ineens belast op het moment direct voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen. De aanspraak wordt in aanmerking genomen naar de waarde in het economisch verkeer op dat moment. Afbakening van de VUT-aanspraken in de 'opbouw'fase is hierdoor niet van belang.

e. Waardering aanspraak

Met de Raad zijn wij van mening dat het belasten van de VUT-aanspraak op het moment van toekennen grote uitvoeringsproblemen oplevert. Bij de waardering van de aanspraak zou in ieder geval rekening gehouden moeten worden met de rentefactor, sterftekans, blijfkans en deelnamekans. Met name deze laatste twee kansen zijn zeer moeilijk objectief te kwalificeren. Bovendien leidt een dergelijke waardering, waarbij rekening wordt gehouden met alle genoemde factoren, tot een lage waarde van de aanspraak, terwijl in dat geval ook de uitkeringen onbelast zijn (omdat de aanspraken na het vervallen van de omkeerregel op grond van de hoofdregel belast zijn). Deze problemen zijn ons inziens niet op een praktische wijze te ondervangen. Derhalve is er voor gekozen de heffing over de aanspraken uit te stellen tot het moment direct voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen. Op deze wijze wordt tevens het door de Raad geconstateerde probleem opgelost dat het belasten van de aanspraak bij individuele werknemers die uiteindelijk geen gebruik (kunnen) maken van de VUT-regeling onaantrekkelijk is en maatschappelijk moeilijk aanvaardbaar kan worden geacht. Door de heffing over de aanspraak op te leggen direct voorafgaand aan het ingangsmoment van de uitkeringen wordt immers bereikt dat alleen degenen die uiteindelijk ook VUT-uitkeringen zullen ontvangen met deze heffing geconfronteerd worden. De Raad concludeert terecht dat deze oplossing als nadeel heeft dat nog enige mate van uitstel van belastingheffing wordt gegeven. Als gevolg van het feit, dat de waarde van de aanspraken tot het moment waarop de uitkeringen ingaan zeer gering is, is ook het voordeel van het uitstel van belastingheffing overigens zeer beperkt. Anders dan de Raad stelt, speelt het progressieverschil bij VUT-regelingen wel degelijk een rol. Bij toepassing van de omkeerregel vloeit dit voort uit het feit dat de aftrek van de premie plaatsvindt tegen het marginale tarief terwijl de uitkeringen tegen het gemiddelde tarief worden belast. Onder de voorgestelde regeling vloeit het progressieverschil voort uit het feit dat in ieder geval een deel van de aanspraak (door de hoogte van de aanspraak bij het belasten ineens) in het algemeen tegen het tarief van 52% zal worden belast, terwijl de uitkeringen tegen het gemiddelde tarief zouden zijn belast. Het progressienadeel van de heffing ineens kan in bepaalde gevallen overigens enigszins worden gematigd door gebruik te maken van de middelingsregeling.

De door de Raad met betrekking tot deze wijze van heffing genoemde bezwaren, zijn naar onze mening niet onoverkomelijk. De Raad constateert terecht, dat de met betrekking tot de aanspraak in te houden loonbelasting het loon in geld kan overtreffen. De inhoudingsplichtige en de werknemer kunnen naar onze mening gezamenlijk overeenkomen op welke wijze de werkgever de door hem ingehouden loonbelasting op de werknemer gaat verhalen. Hiertoe kan bijvoorbeeld worden overeengekomen dat in het eerste jaar een relatief hoge uitkering wordt genoten waaruit ook de belastingschuld kan worden voldaan. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat inhoudingsplichtige en werknemer een regeling overeenkomen voor het aflossen van de lening die door de werkgever is verstrekt voor het niet via inhouding te verrekenen deel van de voorgeschoten belasting.

Anders dan de Raad stelt, mag de werknemer voor de berekening van de vermogensrendementsheffing rekening houden met deze schuld aan de werkgever. Dat deze schuld voortvloeit uit de door de werkgever afgedragen belasting is niet relevant. Deze schuld wordt behandeld als iedere andere schuld van een werknemer aan een werkgever.

f. Waardering box 3

De Raad vraagt aan te geven hoe de jaarlijkse waardering van de aanspraken in box 3 moet plaatsvinden. De waardering van de VUT-aanspraken ten behoeve van de box 3-heffing is pas aan de orde vanaf het moment waarop de aanspraken in box 1 als loon in de heffing zijn betrokken. Dit betekent dat heffing in box 3 alleen plaatsvindt gedurende de periode waarin de uitkeringen genoten worden. Voor de waardering van deze aanspraken gelden de in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 opgenomen regels voor de waardering van periodieke uitkeringen.

g. Aftrek premies en h. Vergelding premies

De Raad wijst erop dat het voorstel dat de bijdragen van de werknemers voor de VUT-regelingen niet meer aftrekbaar zijn en evenmin zekerheid bestaat dat de premies ten volle kunnen worden vergolden terwijl de aanspraken wel volledig worden belast, onevenwichtig is. Met het oog op het evenwicht waar de Raad op doelt wordt het wetsvoorstel aangepast. De Raad geeft terecht aan dat er verschillende manieren zijn om de door de werknemers betaalde premies te laten vergelden. Bij prepensioenregelingen wordt de premie vergolden bij de belastingheffing over de aanspraak. De vergelding vindt plaats door de door de werknemer betaalde prepensioenpremies in mindering te brengen op de waarde van de aanspraak. Omdat de aanspraak bij prepensioen direct wordt belast kan de premie direct worden vergolden. Zoals de Raad aangeeft zou macrofiscaal bezien niet de gehele VUT-premie worden vergolden, indien deze bij prepensioen gehanteerde systematiek, ook bij VUT-regelingen zou worden toegepast, uitgaande van het belasten van de aanspraak op het moment van het ingaan van de uitkeringen. Een deel van de werknemers die VUT-premies betalen zal nooit daadwerkelijk met de VUT gaan en de op het moment van betaling niet in aftrek gebrachte premies derhalve niet in mindering kunnen brengen op de aanspraken. Bovendien zou tientallen jaren moeten worden bijgehouden hoeveel premies zijn betaald. Dit is administratief zeer gecompliceerd. Gelet op deze bezwaren hebben wij er voor gekozen de aftrekbaarheid van de door de werknemer betaalde VUT-premie (op het moment waarop de premies worden betaald) te handhaven. Hierdoor blijft het door de Raad bedoelde macrofiscale evenwicht gehandhaafd.

i. Overgangsregime en j. Bestaande vut-verhoudingen

Met betrekking tot het overgangsregime merkt de Raad op dat een eenmaal in aanmerking genomen aanspraak niet opnieuw in aanmerking kan worden genomen. Op grond van de wetssystematiek kan volgens de Raad niet worden teruggekomen op een eerdere behandeling behoudens uitdrukkelijke wettelijke bepalingen. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad, is in het wetsvoorstel een uitdrukkelijke wettelijke bepaling opgenomen op grond waarvan bestaande aanspraken op grond van een VUT-regeling kunnen worden belast bij het ingaan van de uitkeringen. Zonder deze bepaling zou voor alle op 31 december 2004 bestaande VUT-aanspraken het huidige regime moeten blijven gelden. Dat wil zeggen dat uitkeringen die hieruit voortvloeien belast zouden moeten zijn en niet de aanspraak ineens bij het ingaan van de uitkering. Hoewel deze uitwerking theoretisch de meest juiste zou zijn, is deze praktisch niet uitvoerbaar. Het zou in dat geval noodzakelijk zijn om de aanspraken en de uitkeringen te splitsen in een belast deel en een onbelast deel (voor en na 31 december 2004 ontstaan). Dit is met name lastig als gevolg van de waarderingsproblemen. In het wetsvoorstel is in het overgangsregime derhalve nader verduidelijkt dat het voorgestelde overgangsregime tevens tot gevolg heeft, dat in het verleden vrijgestelde VUT-aanspraken ineens worden belast op het moment voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen (waardoor ook alle uitkeringen onbelast zijn). De strekking van het overgangsregime wijzigt niet door deze verduidelijking. 

k. Vennootschapsbelastingheffing

De Raad geeft terecht aan dat het vervallen van alle eventuele VUT-reserves of VUT-voorzieningen niet voortvloeit uit de voorgestelde wettekst van artikel 8, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Voorts stelt de Raad dat het niet in de rede ligt om de mogelijkheid voor het vormen van een egalisatiereserve door de werkgever te beperken enkel op grond van het feit dat het tijdstip van belastingheffing over VUT-aanspraken wijzigt.

Met de regeling zoals die wordt voorgesteld in het nieuwe zevende lid van artikel 8 van de Wet Vpb wordt beoogd om eventuele VUT-reserves en VUT-voorzieningen van directeuren-grootaandeelhouders te treffen. Dat betekent dat reeds gevormde reserves en voorzieningen ten behoeve van directeuren-grootaandeelhouders vrijvallen, behalve voorzover deze zien op VUT-regelingen die onder het overgangsrecht in de loonbelastingsfeer vallen. Wat betreft VUT-reserves en VUT-voorzieningen ter zake van overige werknemers kan worden opgemerkt dat deze in beginsel in stand kunnen blijven. Wel wordt als gevolg van de aanpassingen in de loonbelastingsfeer bezien of het besluit van 28 december 1998 (nr. DB 98/4760M), BNB 1999/84, bijvoorbeeld op het punt van de deelnamekans, moet worden bijgesteld. De wettekst en toelichting zijn op dit punt verduidelijkt.

2. Stamrechtvrijstelling

De Raad adviseert het geheel schrappen van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen stamrechtvrijstelling te heroverwegen. Volgens de Raad heeft deze vrijstelling een eigen betekenis, in het bijzonder voor het voorzien in inkomensvervangende uitkeringen aansluitend aan ontslag en het vermijden van pensioengaten.

Zoals ook in de memorie van toelichting is aangegeven, realiseren wij ons dat met het afschaffen van de stamrechtvrijstelling ook andere situaties worden getroffen dan de situaties van vervroegde uittreding die we met het afschaffen van de stamrechtvrijstelling beogen te voorkomen. Anders dan de Raad zijn wij overigens van mening, dat de stamrechtvrijstelling geen eigen betekenis heeft voor het vermijden van pensioengaten. Voor het vermijden van pensioengaten bestaan andere fiscale faciliteiten. Naast het fiscale pensioenregime in de loonbelasting, biedt het in de inkomstenbelasting opgenomen regime voor lijfrentevoorzieningen naar onze mening voldoende mogelijkheden om pensioengaten te voorkomen. Dat de stamrechtvrijstelling wel een eigen betekenis heeft voor het aansluitend aan het ontslag voorzien in inkomensvervangende uitkeringen wordt door ons onderkend. Gelet op het belang dat wij hechten aan het voorkomen van het gebruik van de stamrechtvrijstelling voor vervroegde uittreding, is het wetsvoorstel op dit punt ongewijzigd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het Belastingplan 2004 zodanig is aangepast, dat wordt voorgesteld om de datum van inwerkingtreding van de voorgestelde afschaffing van de stamrechtvrijstelling in het Belastingplan 2004 te verschuiven naar 1 januari 2005.

3. en 4. Inhaal ten onrechte onbelast gelaten aanspraken

De Raad adviseert om het voorstel tot invoering van artikel 10, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 te heroverwegen en uit het Belastingplan 2004 terug te nemen. Deze bepaling bewerkstelligt dat belasting kan worden geheven over uitkeringen die opkomen uit regelingen waarvan de aanspraken belast hadden behoren te worden maar feitelijk niet zijn belast. De Raad wijst erop dat deze aanspraken de loonsfeer hebben verlaten. Deze sfeerovergang kan volgens de Raad niet zonder meer worden teruggedraaid. De Raad is van mening dat de voorgestelde bepaling spanning oproept met het navorderings- en naheffingsregime.

Dat deze spanning aanwezig is, wordt door ons ook onderkend. Wij wijzen erop dat bij de door de Raad genoemde alternatieve oplossing die spanning in dezelfde mate aanwezig is. De Raad noemt namelijk de mogelijkheid om in het (fiscale) pensioenregime te bepalen dat een regeling steeds als een zuivere pensioenregeling wordt aangemerkt, indien partijen deze regeling als een zuivere pensioenregeling hebben uitgevoerd. In feite wordt daarmee hetzelfde effect bereikt als met de voorgestelde bepaling. Een belangrijke overweging om toch vast te houden aan de door ons voorgestelde bepaling en niet de door de Raad gesuggereerde formulering over te nemen, is dat de voorgestelde bepaling een bredere werking heeft. Door het opnemen van een algemene bepaling in artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 kan namelijk ook bij andere regelingen waarbij de omkeerregel wordt toegepast en lange termijnen van toepassing zijn, voorkomen worden dat zowel de aanspraken als de uitkeringen zijn vrijgesteld.

De Raad is van mening dat het voorstel dient te worden aangevuld met de bepaling, dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat het feitelijk niet belasten van de aanspraak hem niet verweten kan worden. Wij zijn van mening dat een dergelijke bepaling niet opgenomen dient te worden. Het is naar onze mening namelijk hoogst onwenselijk en maatschappelijk ook niet verdedigbaar om de mogelijkheid in stand te houden, dat in bepaalde gevallen niet alleen de aanspraken onbelast blijven -ook al zou dat de inspecteur wellicht zijn aan te rekenen- maar dat dan ook de uitkeringen niet belast zouden kunnen worden. Volledigheidshalve merken wij op dat het belasten van de uitkering in dergelijke situaties naar onze mening ook niet in strijd is met het vertrouwen dat de inspecteur eventueel heeft gewekt door de aanspraak niet te belasten. Het vrijstellen van de aanspraak – en het toepassen van de omkeerregel – impliceert dat de uitkeringen in beginsel worden belast. De voorgestelde bepaling bewerkstelligt dit ook en brengt derhalve geen nadeel toe aan de belastingplichtige.

Met betrekking tot de stelling van de Raad dat dit voorstel niet in een Belastingplan behoort te worden opgenomen, omdat geen budgettaire opbrengst is begroot en ook overigens geen samenhang bestaat met andere in het Belastingplan 2004 opgenomen maatregelen wordt het volgende opgemerkt. Hoewel wij begrip hebben voor de kanttekeningen van de Raad, zijn er naar onze mening goede gronden om deze bepaling wel in het Belastingplan 2004 op te nemen. Met het voorstel is weliswaar geen budgettaire opbrengst begroot, maar wordt wel beoogd een budgettaire derving te voorkomen. Daarnaast is van belang dat als gevolg van de in het Belastingplan 2004 voorgestelde aanpassingen in het pensioenregime de kans op het ontstaan van onzuivere pensioenregelingen aanzienlijk toeneemt. In zoverre is er wel degelijk een relatie met andere in het Belastingplan 2004 opgenomen maatregelen.

5. Autopakket

(......)

6. Eigenwoningschuld

(......)

7. Pensioenfondsen

In het Belastingplan 2004 wordt voorgesteld de vrijstelling voor pensioenfondsen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te beperken tot de werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van pensioen- en VUT-regelingen. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is vermeld dat de invulling van de werkzaamhedentoets zal plaatsvinden bij nota van wijziging. Concretisering zal daarbij geschieden op basis van de uitkomsten van de Commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen (Commissie Staatsen). Indien de conclusies van de commissie te laat beschikbaar komen, zal het kabinet de werkzaamhedentoets zelf invullen. De Raad adviseert om de concretisering van de werkzaamhedentoets zoals die het kabinet nu voor ogen staat op te nemen in het voorstel van wet en nadien te bezien of aanpassing bij nota van wijziging nodig is op grond van de uitkomsten van de Commissie Staatsen. Wij kunnen de Raad hierin niet volgen omdat de gedachtewisseling met de Tweede Kamer dan primair zou plaatsvinden op basis van een voorstel waarvan wij verwachten dat het zal worden vervangen door nadere voorstellen op basis van de aanbevelingen van de Commissie Staatsen.

Tevens wijst de Raad er op dat het voorstel van wet, houdende regels betreffende een heffing over vermogensoverschotten van pensioenfondsen (Kamerstukken II 1988/1989, 21 197), nog steeds aanhangig is bij de Tweede Kamer en vraagt zich af waarom dit voorstel, waarvan de strekking niet spoort met het thans ingediende voorstel tegelijkertijd in behandeling dient te blijven.

Naar aanleiding van dit advies zullen wij bevorderen dat genoemd voorstel van wet wordt ingetrokken.

8. Woningbouwvennootschappen

(......)

9. Accijns op minerale oliën

(......)

10. Elektronische aangifte

(......)

11. Budgettaire aspecten

Aan het verzoek van de Raad om de budgettaire effecten van de wijzigingen in de sfeer van de pensioenen in eigen beheer meer uitgebreid toe te lichten hebbben wij in de memorie van toelichting gehoor gegeven.

12. De redactionele kanttekeningen van de Raad hebben geleid tot aanpassing en aanvulling van de wettekst en de memorie van toelichting.

Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt een aantal technische verbeteringen in het wetsvoorstel aan te brengen.

Wij mogen U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Financiën,

 

De Minister van Financiën,

 

 

 

VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2004 wenselijk is maatregelen te treffen op het gebied van arbeidsmarkt- en inkomensbeleid, kennis en scholing, eigenwoningbezit, mobiliteit, vermindering van administratieve lasten, alsmede enkele overige maatregelen te treffen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

(……)

Artikel I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2005 als volgt gewijzigd:

(……)

B. Artikel 3.125 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, vervalt onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel c.

2. In het tot onderdeel c verletterde onderdeel d van het eerste lid vervalt "of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten".

3. In het tweede lid wordt "onderdelen a, c en d" vervangen door: onderdelen a en c.

4. In het derde lid vervalt ", alsmede voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,".

(……)

Artikel V

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A. Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Tot het loon behoren uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een tot het loon behorende aanspraak, voor zover de aanspraak in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen.

B. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel d onder verlettering van de onderdelen e tot en met s tot onderdelen d tot en met r.

2. In het tot onderdeel e verletterde onderdeel f van het eerste lid wordt "onderdeel e" vervangen door: onderdeel d.

3. In het tot onderdeel h verletterde onderdeel i van het eerste lid wordt "onderdeel m" vervangen door: onderdeel l.

4. In het tot onderdeel i verletterde onderdeel j van het eerste lid wordt onder 1° " een regeling voor vervroegde uittreding" vervangen door: een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 13b, derde lid. Voorts wordt onder 3° "de onderdelen f en h" vervangen door: de onderdelen e en g.

5. In het vijfde lid vervalt "of een regeling voor vervroegde uittreding".

6. In het zesde lid wordt "onderdeel r" vervangen door: onderdeel q.

(……)

D. Na artikel 13a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 13b
1. In afwijking van artikel 13a wordt een aanspraak van een werknemer of gewezen werknemer ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding geacht niet eerder te zijn genoten dan op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan dat waarop die werknemer op grond van die regeling voor de eerste maal een uitkering of verstrekking geniet. De waarde van de aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de eerste volzin genoemde tijdstip.

2. Ingeval op enig tijdstip een aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken dan wel wordt afgekocht of vervreemd, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer. De waarde van de aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de eerste volzin genoemde tijdstip, met dien verstande dat de waarde ten minste wordt gesteld op het bedrag dat ter zake van de vervreemding of afkoop wordt genoten.

3. Onder regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt een regeling niet als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die regeling een toezegging omtrent pensioen omvat in de zin van het bepaalde bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet.

(……)

L. In de kop van hoofdstuk IIB vervalt "EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING"

M. In artikel 18, tweede lid, vervalt onderdeel a. Voorts vervallen de aanduidingen ":" in de aanhef en "b." voor het andere onderdeel.

N. Artikel 18a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde en het zevende lid vervallen onder vernummering van het vierde, vijfde, achtste, negende en tiende lid tot respectievelijk vijfde, zesde, zevende, achtste en negende lid, en na het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

4. Een ouderdomspensioen gaat niet uit boven 70 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt. Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling genoemde vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.

2. In het tot vijfde lid vernummerde vierde lid vervalt onderdeel 3˚ onder vernummering van onderdeel 4˚ en onderdeel 5˚ tot onderdeel 3˚ respectievelijk onderdeel 4˚. Voorts wordt in onderdeel 1˚ "onder 3˚, 4˚ en 5˚ " vervangen door: onder 3˚ en 4˚.

3. In het tot zevende lid vernummerde achtste lid wordt in onderdeel a "in dit hoofdstuk" vervangen door: in deze wet.

4. In het tot achtste lid vernummerde negende lid wordt "vierde lid" vervangen door: vijfde lid. Voorts wordt "zevende lid" vervangen door: vierde lid.

5. In het tot negende lid vernummerde tiende lid wordt "het negende lid" vervangen door: het achtste lid.

O. In artikel 18b, achtste lid, wordt "negende lid" vervangen door: achtste lid.

P. In artikel 18c, zevende lid, wordt "negende lid" vervangen door: achtste lid.

Q. Artikel 18e vervalt.

R. Artikel 18g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: dan wel diensttijd. Voorts wordt "de artikelen 18a, 18b, 18c, 18e, 18i en 38a" vervangen door: de artikelen 18a, 18b en 18c.

2. In het tweede lid wordt "de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d, 18e en 38a" vervangen door: de artikelen 18a, 18b, 18c en 18d.

S. Artikel 18i vervalt.

T. In artikel 19 vervalt "of op een regeling voor vervroegde uittreding". Tevens vervalt ", onderscheidenlijk onderdeel d".

U. Artikel 19a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt "of een voorziening voor vervroegde uittreding als bedoeld in de artikelen 18 en 18i" vervangen door: als bedoeld in artikel 18.

2. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt "of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding".

3. In het eerste lid, onderdeel c, vervalt "of de voorziening voor vervroegde uittreding". Tevens vervalt "of een voorziening die".

4. In het eerste lid, onderdeel d, vervalt "of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding".

V. Artikel 19b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt "of een regeling voor vervroegde uittreding".

2. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt "of een regeling voor vervroegde uittreding".

3. In het tweede lid, eerste volzin, vervalt "of een regeling voor vervroegde uittreding". Voorts vervalt in de tweede volzin "of een regeling voor vervroegde uittreding".

4. In het derde lid vervalt "of een regeling voor vervroegde uittreding" en "of de aanspraak op een regeling voor vervroegde uittreding". Voorts wordt "van onderscheidenlijk de aanspraak op een pensioenregeling" vervangen door: van de aanspraak op een pensioenregeling".

5. In het vierde lid vervalt telkens "of een regeling voor vervroegde uittreding".

6. In het vijfde lid vervalt "of een regeling voor vervroegde uittreding".

W. Artikel 19c, derde lid, vervalt.

X. Artikel 19d wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef vervalt "onderscheidenlijk regeling voor vervroegde uittreding".

2. In onderdeel b vervalt "onderscheidenlijk een regeling voor vervroegde uittreding".

3. In onderdeel c vervalt telkens "of de voorziening voor vervroegde uittreding".

(……)

DD. In artikel 36b wordt "artikel 18i, onderdeel c," vervangen door: artikel 18i, onderdeel c, zoals dat luidde op 31 december 2003,.

EE. In artikel 37 wordt "artikel 11, eerste lid, onderdeel g" vervangen door: artikel 11, eerstel lid, onderdeel f.

FF. Artikel 38a vervalt.

GG. In artikel 38b vervalt "of artikel 38a" voort vervalt telkens "en artikel 38a".

HH. Na artikel 38b wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38c
1. Voor een op 31 december 2003 bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, blijven tot en met 31 december 2004 de artikelen 11, 18g, 18i, 19, 19a, 19b, 19c en 19d, zoals die luidden op 31 december 2003, van toepassing en is artikel 13b niet van toepassing.

2. Artikel 13b is na 31 december 2004 ook van toepassing met betrekking tot aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding die voor 1 januari 2005 zijn ontstaan, behoudens indien de werknemer voor 1 januari 2005 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze aanspraken genoot.

II. Na artikel 38c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38d
1. Voor een op 31 december 2003 bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, blijft artikel 38a zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, tot en met 31 december 2004 van toepassing.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid blijft artikel 38a, zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, van toepassing voor een op 31 december 2003 bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel toen luidde, indien ingevolge die prepensioenregeling na 31 december 2004 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan ingevolge aanspraken die voor 1 januari 2005 zijn opgebouwd.

3. In afwijking in zoverre van artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2004 bestaande aanspraak ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.

JJ. Na artikel 38d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38e
Voor een op 31 december 2003 bestaande regeling voor ouderdomspensioen, als bedoeld in artikel 18a zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, blijven de artikelen 18a, 18b en 18c, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2003, tot en met 31 december 2004 van toepassing.

KK. Na artikel 38e wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 38f
1. Voor een op 31 december 2003 bestaande regeling voor overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, blijven artikel 18, artikel 18e en artikel 18g, zoals deze luidden op 31 december 2003, tot en met 31 december 2004 van toepassing.

2. In afwijking in zoverre van artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2004 bestaande aanspraak ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.

Artikel VI

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2005 als volgt gewijzigd:

A. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel f onder verlettering van de onderdelen g tot en met r tot onderdelen f tot en met q.

2. In het tot onderdeel g verletterde onderdeel h van het eerste lid wordt "onderdeel l" vervangen door: onderdeel k.

3. In het tot onderdeel h verletterde onderdeel i van het eerste lid wordt onder 3° "de onderdelen e en g" vervangen door: de onderdelen e en f.

4. In het zesde lid wordt "onderdeel q" vervangen door: onderdeel p.

B. In artikel 13a, tweede lid, wordt "geheel of voor een meer dan bijkomstig deel" vervangen door: geheel of gedeeltelijk. Voorts vervalt de tweede volzin.

C. Artikel 19b, zesde lid, vervalt.

(……)

G. Artikel 37 wordt vervangen door:

Artikel 37
1. Met betrekking tot een op 31 december 2004 bestaande aanspraak welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat op 31 december 2004 luidde, is aan te merken als een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon is artikel 19b van overeenkomstige toepassing.

2. Met betrekking tot een op 31 december 1994 bestaande aanspraak welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat op 31 december 1994 luidde, is aan te merken als een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon, zijn de in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, onder 1° en 2°, gestelde voorwaarden, zoals deze luidden op 31 december 2004, niet van toepassing. Met betrekking tot de in de eerste volzin genoemde aanspraken is artikel 19b van overeenkomstige toepassing.

(……)

Artikel XI

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. De huidige tekst van artikel 5 wordt aangeduid als het eerste lid.

2. Het als eerste lid, onderdeel b, aangeduide onderdeel b komt te luiden:

b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voorzover zij voordelen behalen uit werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van bedoelde regelingen.

3. In het als eerste lid, onderdeel d, aangeduide onderdeel d wordt na "door Onze Minister hiermede zijn gelijkgesteld" ingevoegd: , voorzover hun werkzaamheid bestaat uit de verkrijging, het bezit, het beheer en de vervreemding van anders dan tijdelijk door hen verhuurde woningen.

4. Na het eerste lid worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op:

a. naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld waarin een werknemer of gewezen werknemer, zijn echtgenoot of partner, een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, dan wel een van hun pleegkinderen al dan niet tezamen voor ten minste tien percent van het nominaal gestorte kapitaal, onmiddellijk of middellijk, aandeelhouder is;

b. andere dan de onder a bedoelde lichamen waarvan de werkzaamheid hoofdzakelijk bestaat in de uitvoering van pensioenregelingen of van regelingen voor vervroegde uittreding van werknemers of gewezen werknemers van naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid of andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld waarin deze werknemers of gewezen werknemers, hun echtgenoten of partners, hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, dan wel hun pleegkinderen al dan niet tezamen voor ten minste tien percent van het nominaal gestorte kapitaal, onmiddellijk of middellijk, aandeelhouder zijn of op enig moment zijn geweest.

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt onder een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding verstaan:

a. een zodanige regeling in de zin van de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting dan wel een buitenlandse regeling welke daarmee naar aard en strekking overeenkomt;

b. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is gesteld op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds, de Wet op de kansspelen of de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling.

B. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het zesde tot en met twaalfde lid tot achtste tot en met veertiende lid worden na het vijfde lid twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:

6. Ingeval de belastingplichtige een lichaam is als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt voor de waardering van pensioenverplichtingen, in aanvulling op artikel 3.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat de verplichting niet hoger mag worden gewaardeerd dan volgens een stelsel dat correspondeert met een methode die bij verzekeraars als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een belangrijk deel van de pensioenovereenkomsten als uitgangspunt dient voor de bepaling van de premies ingevolge die overeenkomsten. Voorts geldt als aanvulling dat bij de waardering van de verplichting geen overlevingstafel kan worden gehanteerd waarin rekening is gehouden met verwachtingen omtrent toekomstige levensverwachtingen en kan een leeftijdsterugstelling alleen worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.

7. Artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing ter zake van kosten en lasten in verband met een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 13b, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 ten behoeve van werknemers als bedoeld in artikel 12a van die wet. Een voorziening ter zake van een zodanige regeling voor vervroegde uittreding voor bedoelde werknemers is niet mogelijk tot het moment waarop de werknemer de aanspraak uit de regeling geniet ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

2. In het tot twaalfde lid vernummerde tiende lid wordt "zesde lid" vervangen door: achtste lid.

C. In artikel 18, eerste lid, wordt "artikel 8, eerste tot en met het zesde, achtste, tiende en twaalfde lid" vervangen door: artikel 8, eerste tot en met het achtste, tiende, twaalfde en veertiende lid.

D. Artikel 23a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt "artikel 19b, eerste lid" vervangen door: artikel 19b, eerste lid, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde, of artikel 13b, tweede lid.

2. In het tweede lid wordt "artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting " vervangen door: artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting, zoals dit artikel op 31 december 2003 luidde.

E. Na artikel 31c wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31d
Indien de belastingplichtige ten gevolge van de wijziging met ingang van 1 januari 2004 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met ingang van die datum bij de waardering van pensioenverplichtingen moet overgaan op een ander waarderingsstelsel of op de hantering van een andere overlevingstafel of een andere leeftijdsterugstelling, wordt zolang de waarde van die verplichtingen ten gevolge daarvan uitkomt op een bedrag dat lager is dan de in aanmerking genomen waarde aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste overlevingstafel of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond, de laatst genoemde waarde in aanmerking genomen.

(……)

Artikel XXII

De Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt als volgt gewijzigd:

A. Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5a
In afwijking van artikel 5 wordt een aanspraak van een werknemer of gewezen werknemer op grond van een regeling voor vervroegde uittreding geacht niet eerder te zijn genoten dan op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan dat waarop die werknemer op grond van die regeling voor de eerste maal een uitkering of verstrekking geniet. De waarde van de aanspraak wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op het in de eerste volzin genoemde tijdstip.

B. Artikel 6, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt.

2. Onderdeel e vervalt.

C. Artikel 18e komt als volgt te luiden:

Artikel 18e
Met betrekking tot op 31 december 1994 bestaande aanspraken die naar of krachtens de tekst van artikel 6, zoals dat op 31 december 1994 luidde, zijn aan te merken als aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon, zijn de in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, onder 1° en 2°, gestelde voorwaarden, zoals deze luidden op 31 december 2004, niet van toepassing.

D. Voor artikel 19 wordt een artikel waarvan de nummering aansluit op het daaraan voorafgaande artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6, eerste lid, onderdeel b, zoals die bepaling luidde op 31 december 2003, blijft van toepassing en artikel 5a is niet van toepassing op een op 31 december 2003 bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals die bepaling toen luidde:

a. tot en met 31 december 2004; en

b. na 31 december 2004, indien op grond van die regeling na 31 december 2004 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die voor 1 januari 2005 reeds een of meer uitkeringen op grond van die regeling ontvingen.

Artikel XXIII

In artikel VI van de Wet van 12 december 2002, Stb. 615, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 deel I) vervallen de onderdelen B, C, D en N.

(……)

Artikel XXVI

(……)

C. Voorzover een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een voorziening samenhangt met een regeling voor vervroegde uittreding waarop artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing is, blijft artikel 8, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten toepassing.

(……)

Artikel XXXI

1. Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke Referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2004, met dien verstande dat:

a. artikel I, onderdelen D, L, U, V, W, Y, Z en CC, en artikel V, onderdelen Y, Z, AA en BB, toepassing vinden nadat artikel 10.1 Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2004 is toegepast;

b. de artikelen XI, onderdeel A, derde lid, en XXIV voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2004.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid treden de artikelen XV, onderdeel C, en artikel XXII, onderdeel B, tweede lid, en onderdeel C, in werking op 1 januari 2005.

3. In afwijking in zoverre van het eerste lid treedt artikel XVI, onderdeel A, in werking op 1 juli 2004.

Artikel XXXII

Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2004.

 

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven,

 

De Staatssecretaris van Financiën,

 

De Minister van Financiën,

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

(……)

1. ALGEMEEN

(……)

2. Arbeidsmarkt- en inkomensbeleid

2.8. Afschaffing faciliëring vut- en prepensioenregelingen

2.8.1.Algemeen

Op dit moment draagt de overheid via toepassing van de omkeerregel bij VUT- en prepensioenregelingen fiscaal bij aan het eerder stoppen met werken dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. De omkeerregel houdt in dat de aanspraak onbelast is en dat de uitkeringen belast worden. Ingelegde premies ter financiering van deze regelingen zijn aftrekbaar. Toepassing van de omkeerregel leidt derhalve tot uitstel van belastingheffing.

VUT-regelingen worden op omslagbasis gefinancierd, zodat VUT-uitkeringen door middel van premies worden betaald uit de lopende ruimte voor arbeidsvoorwaarden door werknemers of werkgevers. Er is geen relatie tussen de door een werknemer afgedragen premie en de door deze werknemer in de toekomst eventueel te ontvangen uitkeringen. Voor de huidige werknemers is er geen enkele zekerheid dat zij in de toekomst eveneens uitkeringen als gevolg van de regeling zullen ontvangen. Bij deze regelingen worden – anders dan bij pensioenregelingen – geen onherroepelijke rechten opgebouwd. Eind jaren '70 en begin jaren '80 zijn VUT-regelingen op grote schaal ingevoerd om ouderen in de gelegenheid te stellen eerder te stoppen met werken om ruimte voor jongeren te creëren op de arbeidsmarkt. Hoewel VUT-regelingen bedoeld waren als tijdelijke maatregel om de toen hoge jeugdwerkloosheid te verminderen, zijn werknemers vervroegde uittreding als een verworven recht gaan beschouwen. Sindsdien is de arbeidsparticipatie van oudere werknemers in de leeftijd van 55 tot 65 jaar tot het midden van jaren negentig gestaag gedaald tot ongeveer 25%.

VUT-regelingen kennen een aantal nadelen. De werknemer ontvangt in het algemeen geen compensatie voor de 'misgelopen' VUT-uitkeringen indien hij ook na de VUT-gerechtigde leeftijd doorwerkt. Hierdoor wordt een sterke prikkel tot zo vroeg mogelijk uittreden gegeven. Omdat werknemers bij verandering van werkgever hun uitzicht op VUT geheel of gedeeltelijk kunnen verliezen (afhankelijk van de door een nieuwe werkgever aangeboden VUT-regelingen), wordt de arbeidsmobiliteit van met name oudere werknemers belemmerd. Financiering op omslagbasis legt bij een vergrijzende bevolking bovendien een zware druk op de werkenden of op de arbeidskosten van de werkgever. VUT-regelingen zijn hierdoor op termijn onbetaalbaar.

Om de financiële druk van de VUT-regelingen bij een toenemende vergrijzing te verminderen, is in 1999 de mogelijkheid geïntroduceerd om versneld prepensioen op te bouwen voor de periode tussen het 60e en het 65e levensjaar. Ook dit wordt door de omkeerregel gefacilieerd, waarbij in ten minste 10 jaar jaarlijks maximaal 8,5% eindloon kan worden opgebouwd (in totaal maximaal 85% eindloon). Hoewel deze prepensioenregelingen minder nadelen kennen dan VUT-regelingen, wordt ook hiermee de mogelijkheid geboden om ruim voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te stoppen met werken. Hierdoor wordt de arbeidsparticipatie van ouderen sterk beperkt. Het grote verschil met VUT-regelingen is dat prepensioenregelingen op basis van kapitaaldekking worden gefinancierd. Hierbij is – in tegenstelling tot bij VUT-regelingen – wel sprake van een individueel toerekenbaar opgebouwd recht.

Het fiscale pensioenkader (Witteveenkader) stelt de normen waaraan een pensioenregeling moet voldoen om in aanmerking te komen voor fiscale faciliëring. Naast bovenstaande regelingen voor VUT en prepensioen biedt het Witteveenkader ook andere mogelijkheden om een fiscaal gefacilieerd pensioen op te bouwen dat ingaat voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

Een van de normen die het Witteveenkader stelt, is de pensioenrichtleeftijd. De pensioenrichtleeftijd binnen het Witteveenkader is op dit moment 60 jaar. Vanaf deze leeftijd kunnen werknemers door de fiscale faciliëring van (pre)pensioenregelingen al een aanzienlijk pensioen hebben opgebouwd om daarmee te stoppen met werken. Indien men stopt met werken voor het bereiken van deze pensioenrichtleeftijd dient het pensioen op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen te worden herrekend ten opzichte van die leeftijd. De pensioenuitkeringen worden hierdoor sterk verlaagd.

Daarnaast biedt het Witteveenkader de mogelijkheid om fiscaal gefacilieerd een overbruggingspensioen op te bouwen, dat dient ter aanvulling op het ouderdomspensioen in de periode voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. In deze periode wordt nog geen AOW ontvangen en zijn hogere premies voor de volksverzekeringen verschuldigd dan in de periode na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Door middel van het overbruggingspensioen kan het netto-pensioen in de periode tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd op tenminste hetzelfde niveau worden gebracht als in de periode daarna.

2.8.2. Vergrijzing en participatie

Demografische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat in het Hoofdlijnenakkoord besloten is maatregelen te nemen met betrekking tot de fiscale faciliëring van regelingen die het mogelijk maken om te stoppen met werken voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

De verhouding tussen 65-plussers en 65-minners - de zogenaamde grijze druk - verdubbelt van 22% nu, tot 43% in 2040. Het aantal 65-plussers neemt in deze jaren toe met 1,5 miljoen. Niet alleen neemt het aantal ouderen toe, ook worden zij steeds ouder. Sinds de invoering van de AOW in 1957 is de levensverwachting in 2000 voor mannen met vier jaar en voor vrouwen met zeven jaar toegenomen. Voor mannen was de gemiddelde levensverwachting in 2000 daarmee 75 jaar en voor vrouwen 81 jaar. Verwacht wordt dat de levensverwachting in de jaren 2000-2050 nog verder zal stijgen naar 80 respectievelijk 83 jaar. Daarnaast is de gemiddelde leeftijd waarop werknemers met een (pre)pensioenregeling de arbeidsmarkt verlaten steeds lager geworden (nu ongeveer 62 jaar, versus 65 jaar bij invoering van de AOW). De gemiddelde toetredingsleeftijd tot de arbeidsmarkt is de afgelopen decennia juist fors gestegen.

In 2001 was de netto participatiegraad van 55-65 jarigen ongeveer 35%. Naarmate de vergrijzing vordert, wordt de participatieproblematiek van ouderen groter en daarmee ook de financieringslast van bijvoorbeeld pensioenen en zorg. De vergrijzingspiek binnen de potentiële beroepsbevolking wordt in 2020 bereikt, als de groep 60-64 jarigen 12% van de beroepsbevolking uitmaakt (versus 7% nu). Naar aanleiding van de Europese Raad in Stockholm (2001) heeft het kabinet zich ten doel gesteld de participatiegraad van ouderen in de leeftijd van 55 tot 65 jaar te verhogen naar 50%. De fiscale faciliëring van stoppen met werken voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is strijdig met doelstellingen gericht op de verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen.

Verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen sluit ook aan bij de beleidsaanbevelingen uit de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de EU. In internationaal verband wijzen ook de IMF en de OESO op het belang van het verhogen van de arbeidsparticipatie van ouderen.

De combinatie van vervroegde pensionering, een gemiddeld hogere toetredingsleeftijd en een toegenomen levensverwachting leidt ertoe dat gedurende een kortere periode op de arbeidsmarkt, voor een langere uitkeringsperiode vermogen moet worden opgebouwd. De gemiddelde uitkeringsduur is gestegen van 14 naar 20 jaar. De financiering van de oudedagsvoorziening komt de komende jaren door de vergrijzing nog verder onder druk te staan. Als vuistregel wordt wel gehanteerd dat van de betaalde pensioenpremies een derde deel nodig is voor de financiering van vervroegde uittreding. De hogere kosten voor op omslagbasis gefinancierde regelingen moeten door een relatief kleinere groep worden opgebracht.

2.8.3. Maatregelen

Om de gevolgen van de vergrijzing op te kunnen vangen, moeten nu structurele maatregelen worden genomen. Hiermee kan niet worden gewacht tot het hoogtepunt van de vergrijzing, omdat deze maatregelen dan niet meer het optimale effect kunnen sorteren. De huidige conjuncturele situatie doet niet af aan de noodzaak om nu maatregelen te nemen ter voorkoming van structurele problemen die zonder nadere maatregelen in de toekomst zouden ontstaan als gevolg van de vergrijzing. De inhoud van VUT- en (pre)pensioenregelingen wordt bepaald in het arbeidsvoorwaardenoverleg tussen werkgevers en werknemers. De overheid stelt hierbij een aantal randvoorwaarden, waaronder de fiscale faciliëring.

Het kabinet stelt in dit kader voor de mogelijkheden om fiscaal gefacilieerd te stoppen met werken voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar aanzienlijk te beperken. Eerder stoppen met werken wordt niet verboden, maar er wordt niet langer door middel van fiscale faciliëring door de overheid aan meebetaald.

De fiscale faciliëring wordt met onderstaande maatregelen in principe alleen nog geboden voor een ouderdomspensioen van maximaal 70% van het laatstverdiende inkomen dat niet eerder ingaat dan op 65-jarige leeftijd.

De omkeerregel voor VUT-regelingen en prepensioenregelingen waarbij versneld kan worden opgebouwd wordt afgeschaft. Dat geldt ook voor het overbruggingspensioen. Dit betekent voor deze vormen van vervroegde uittreding of pensionering terugkeer naar de fiscale hoofdregel: aanspraken belast, uitkeringen vrij. Voor wat betreft de werknemersverzekeringen zal in de Coördinatiewet Sociale Verzekering worden aangesloten bij de Wet op de loonbelasting. Overigens wordt in het kabinetsstandpunt Bevordering arbeidsdeelname oudere werknemers (Kamerstukken II 1999/2000, 27 046, nr. 1) dat 14 maart 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden, al voorgesteld de fiscale faciliëring van VUT-regelingen af te schaffen.

Met betrekking tot VUT-regelingen wordt voorgesteld de aanspraak niet bij het ontstaan van aanspraak te belasten, maar pas op het moment dat de uitkeringen ingaan en dan de gehele aanspraak in één keer in de heffing te betrekken. De waarde van de aanspraak wordt tot dat moment namelijk sterk bepaald door de onzekerheid of deze aanspraak daadwerkelijk tot uitkeringen zal leiden voor de betreffende werknemer. VUT-regelingen worden voor een vaak betrekkelijk korte looptijd (CAO-looptijd) vastgelegd en VUT-regelingen worden bovendien steeds vaker vervangen door (pre)pensioenregelingen. In tegenstelling tot bij (pre)pensioenregelingen, worden bij VUT-regelingen geen onherroepelijke rechten opgebouwd. Doordat het tot vlak voor het moment waarop de werknemer daadwerkelijk met de VUT gaat onzeker is of de aanspraak daadwerkelijk tot uitkeringen zal leiden, heeft deze aanspraak tot dat moment een zeer geringe of geen waarde. Indien de hoofdregel (aanspraken belast, uitkeringen vrij) onverkort zou worden toegepast, zou dit tot het ongewenste effect kunnen leiden dat dergelijke regelingen juist erg aantrekkelijk worden. De heffing over de aanspraak is dan immers minimaal, terwijl de uitkeringen onbelast blijven. Om dit te voorkomen, is het noodzakelijk om de belastingheffing uit te stellen tot het moment dat de uitkeringen ingaan en de waarde van de aanspraak op dat moment in één keer te belasten.

Bij prepensioen en overbruggingspensioen komt de door de werknemer betaalde premie in mindering op de in aanmerking te nemen waarde van de aanspraak. Als gevolg van de met betrekking tot VUT-regelingen voorgestelde wijze van heffen zou bij het hanteren van ditzelfde systeem voor door de werknemer betaalde VUT-premies gedurende tientallen jaren – tot het moment van ingaan van de uitkeringen - moeten worden bijgehouden hoeveel premie is betaald. Bovendien zou deze premie niet kunnen worden vergolden als de werknemer niet met de VUT gaat. Ten aanzien van VUT-regelingen wordt daarom voorgesteld om de werknemer de door hem betaalde premie op een andere wijze te laten vergelden, namelijk door de huidige regeling voor de aftrekbaarheid van de door de werknemer betaalde VUT-premie te handhaven.

Nadat de heffing in box 1 over de waarde van de VUT-aanspraak heeft plaatsgevonden, gaat de aanspraak over naar box 3. De aanspraak behoort vanaf dat moment tot de rendementsgrondslag, die als basis dient voor de berekening van het forfaitaire rendement van box 3. Deze overgang van box 1 naar box 3 geldt eveneens voor de aanspraken op prepensioen en overbruggingspensioen.

Voor het Witteveenkader worden de huidige opbouwpercentages (2% per jaar bij een eindloonstelsel) gehandhaafd. In plaats van de verlaging naar 1,75% die in het Strategisch Akkoord was afgesproken, wordt het maximaal op te bouwen pensioen verlaagd van 100% naar 70% eindloon. Hiermee wordt meer flexibiliteit in de opbouw behouden, wat met name gunstig is voor werknemers die een aantal jaren gestopt zijn met werken. Bij deze werknemers kan het gemis aan pensioenopbouw over die ontbrekende dienstjaren (gedeeltelijk) gecompenseerd worden door voor de gewerkte jaren een hoger opbouwpercentage te benutten. De aanpassing van deze maxima werkt uitsluitend voor de toekomst. Indien het opgebouwde pensioen bij inwerkingtreding van het nieuwe regime reeds hoger is dan 70% eindloon hoeft dit reeds opgebouwde pensioen niet te worden verlaagd.

Om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen wordt daarnaast voorgesteld de pensioenrichtleeftijd te verhogen van 60 naar 65 jaar. Fiscale faciliëring wordt geboden voor een ouderdomspensioen van maximaal 70% van het laatstverdiende inkomen dat niet eerder ingaat dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Een pensioen dat ingaat voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, is fiscaal gefacilieerd alleen mogelijk indien het pensioen op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen wordt herrekend ten opzichte van die leeftijd.

Om de doelstellingen met betrekking tot het verhogen van de arbeidsparticipatie van ouderen te realiseren, moet nog een aantal aanvullende maatregelen worden genomen om alternatieve mogelijkheden af te sluiten om eerder dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar fiscaal gefacilieerd te stoppen met werken. Een van deze mogelijke alternatieven betreft de stamrechtvrijstelling. De stamrechtvrijstelling houdt in dat aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon zijn vrijgesteld. Deze stamrechtvrijstelling wordt op dit moment met name gebruikt voor gouden handdrukken en afvloeiings- en saneringsuitkeringen. Indien de stamrechtvrijstelling zou worden gehandhaafd, zou deze – gelet op de ruime formulering van deze vrijstelling – ook kunnen worden gebruikt voor een VUT-achtige regeling of prepensioenregeling. Zonder de afschaffing van de stamrechtvrijstelling, zou voor werkgevers en werknemers de weg open blijven staan om in onderling overleg VUT- en prepensioenregelingen zodanig vorm te geven, dat nog steeds fiscaal gefacilieerd vervroegd kan worden uitgetreden. Gelet op het belang dat het kabinet hecht aan het voorkomen van het gebruik van de stamrechtvrijstelling voor vervroegde uittreding, wordt voorgesteld de stamrechtvrijstelling af te schaffen en de aanspraken te belasten. Het kabinet realiseert zich dat hiermee meer situaties worden getroffen dan alleen situaties van vervroegde uittreding.

Ook de in de huidige wet opgenomen mogelijkheid om maximaal 10% van het loon op een later – ongebruikelijk – tijdstip te genieten (Reserve uitgesteld salaris), zou als alternatief kunnen worden gebruikt voor VUT-regelingen. Om die reden wordt voorgesteld om deze mogelijkheid te laten vervallen.

Met de hiervoor voorgestelde maatregelen met betrekking tot de afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen wordt in de sfeer van de dienstbetrekking (2e pijler) de mogelijkheid afgeschaft om fiscaal gefacilieerd te sparen voor een inkomensvoorziening voorafgaand aan het ingaan van de AOW of een pensioenregeling. De in het regime voor individuele inkomensvoorzieningen (3e pijler) opgenomen overbruggingslijfrenten bieden echter vergelijkbare mogelijkheden voor vervroegde uittreding. Overbruggingslijfrenten zijn tijdelijke lijfrenten die in de periode voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar kunnen worden gebruikt. Met het oog op de verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen wordt voorgesteld ook de fiscale faciliëring van de overbruggingslijfrente af te schaffen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de fiscale faciliëring van lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort voor het overige in stand wordt gehouden. Het is alleen niet meer mogelijk om het in dat kader opgebouwde kapitaal te gebruiken voor een overbruggingslijfrente.

Samengevat worden derhalve de volgende maatregelen voorgesteld:

• Voor de fiscale faciliëring van pensioen wordt uitgegaan van een ouderdomspensioen dat niet eerder ingaat dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en niet meer bedraagt dan 70% eindloon;

• De fiscale faciliëring van prepensioen, overbruggingspensioen en VUT vervalt; bij VUT-regelingen vindt de heffing over de aanspraak in één keer plaats bij het ingaan van de uitkeringen;

• De stamrechtvrijstelling en de overbruggingslijfrente vervallen. De mogelijkheid om een deel van het loon op een later tijdstip te genieten (Reserve uitgesteld salaris) wordt aangepast.

In verband met de thans voorgestelde maatregelen wordt het eerder ter advisering aan de Raad van State voorgelegde wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 (aanpassing fiscale behandeling VUT) niet meer ingediend.

2.8.4. Overgangsrecht

Om fiscale faciliëring te behouden, zal aan de - als gevolg van de hier genoemde voorstellen - aangepaste voorwaarden van het Witteveenkader moeten worden voldaan. Het kabinet wil nog tot 1 januari 2005 de gelegenheid bieden de hierdoor noodzakelijke aanpassingen aan CAO's en VUT- en pensioenregelingen te doen. Tot 1 januari 2005 kan binnen op 1 januari 2004 bestaande regelingen (door alle deelnemers) nog fiscaal gefacilieerd worden gespaard volgens de voorwaarden van het huidige regime voor VUT- en pensioenregelingen. Na 1 januari 2005 geldt de toepassing van de omkeerregel bij VUT- en prepensioenregelingen in beginsel alleen nog voor op dat moment reeds lopende uitkeringen. Voor VUT-uitkeringen die na 1 januari 2005 ingaan geldt, dat de totale waarde van de aanspraak ineens wordt belast bij het ingaan van de uitkeringen. Daar staat tegenover dat de nadien ontvangen VUT-uitkeringen onbelast zijn. Na de heffing over de waarde van de aanspraak in box 1, gaat de aanspraak over naar box 3. Omdat prepensioenregelingen (versnelde opbouw) nog relatief jong zijn, wordt een deel van de prepensioenuitkeringen feitelijk nog op omslagbasis gefinancierd. De premies die nog moeten worden betaald om het omslaggefinancierde deel van op 31 december 2004 reeds lopende prepensioenuitkeringen te financieren blijven op grond van het voorgestelde overgangsrecht aftrekbaar. De voorgestelde maatregelen hebben dus geen gevolgen voor werknemers die op 31 december 2004 reeds uitkeringen uit VUT- of prepensioenregelingen ontvangen.

Voor (pre)pensioenrechten die reeds waren opgebouwd op het moment dat de fiscale faciliëring wordt afgeschaft, geldt dat deze nog kunnen worden ingezet voor het doel waarvoor deze waren opgebouwd. Met dit tegoed kan men dus nog een bepaalde periode voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar stoppen met werken. Het is ook mogelijk het opgebouwde tegoed toe te voegen aan het reguliere ouderdomspensioen.

In verband met het bovengenoemde overgangsrecht voor VUT- en prepensioenregelingen wordt voorgesteld ook de hiervoor genoemde wijzigingen met betrekking tot de stamrechtvrijstelling, de mogelijkheid om een deel van het loon op een later tijdstip te genieten (Reserve uitgesteld salaris) en de overbruggingslijfrente eerst met ingang van 1 januari 2005 in werking te laten treden.

(……)

6. Maatregelen pensioenfondsen en woningcorporaties

6.1. Belasten commerciële activiteiten pensioenfondsen

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een aantal subjectieve vrijstellingen opgenomen voor lichamen die een uitzonderlijk karakter hebben en een bijzonder maatschappelijk belang vertegenwoordigen. Eén daarvan betreft de vrijstelling voor pensioenfondsen. Deze vrijstelling is enerzijds gebaseerd op de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, hetzij in de vorm van lagere premies hetzij in de vorm van hogere uitkeringen. Anderzijds wordt de vrijstelling gedragen door de maatschappelijke functie die de fondsen kenmerkt: de verzorging van werknemers en gewezen werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit.

In de praktijk ontplooien pensioenfondsen echter ook activiteiten die geen rechtstreeks verband houden met deze functie. Dit betreft commerciële activiteiten die worden uitgeoefend met de toevertrouwde middelen alsmede dienstverlenende activiteiten die geen verband houden met het uitvoeren van pensioen- of VUT-regelingen.

Door de bestaande vrijstelling hebben pensioenfondsen met betrekking tot dergelijke activiteiten een concurrentievoordeel. Dit verhoudt zich niet goed met de achtergrond van de vrijstelling, die niet bedoeld is om commerciële of ondernemingsactiviteiten van de belastingheffing vrij te stellen. In het Strategisch Akkoord van het vorige kabinet is daarom aangegeven dat voorstellen zullen worden gedaan om te komen tot belastingheffing over de commerciële activiteiten van pensioenfondsen met ingang van 2004.

De thans voorgestelde wijziging houdt in dat pensioenfondsen in de belastingheffing worden betrokken voorzover zij commerciële activiteiten uitoefenen. Hiermee wordt het geconstateerde verschil in concurrentiepositie tussen vrijgestelde en belaste lichamen weggenomen. Voor het aanbieden van pensioenproducten blijven de fondsen vrijgesteld, mits zij in niet meer dan beperkte mate commerciële activiteiten verrichten.

In dit verband is van belang dat in het kader van de nieuwe Pensioenwet door het kabinet de Commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen (Commissie Staatsen) is ingesteld. De commissie heeft in het kader van de Pensioenwet als opdracht gekregen om de nevenactiviteiten van pensioenfondsen te analyseren en concreet aan te geven welke werkzaamheden tot de kernactiviteiten van pensioenfondsen behoren. Het onderzoek heeft twee invalshoeken, de bescherming van de belangen van de pensioengerechtigden en het voorkomen van ongewenste concurrentievervalsing ten opzichte van bijvoorbeeld banken en verzekeraars. De tweede invalshoek heeft sterke raakvlakken met de redenen voor introductie van de belastingplicht voor commerciële activiteiten van pensioenfondsen. In overleg met de bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is ervoor gekozen om in dit stadium nog niet voor te sorteren op de invulling van commerciële activiteiten van pensioenfondsen. Uitgangspunt is dat via een nota van wijziging deze invulling alsnog plaats zal vinden aan de hand van de conclusies van de Commissie Staatsen. Mochten deze conclusies niet tijdig genoeg beschikbaar komen of niet voldoende helder zijn om de noodzakelijke concretisering van het begrip commerciële activiteiten van pensioenfondsen in dit wetsvoorstel te realiseren, dan zal het kabinet zelfstandig bij nota van wijziging invullen welke activiteiten van pensioenfondsen per 1 januari 2004 aan vennootschapbelasting onderworpen zullen worden.

(……)

7. Overige maatregelen

7.1. Reparatie waardering pensioenverplichtingen in eigen beheer

Tot 1995 kon pensioen in eigen beheer, wat met name voorkomt bij pensioenen van directeuren-grootaandeelhouders, worden gewaardeerd volgens de lineaire methode, dat wil zeggen zonder rekening te houden met sterftekansen, noch met oprenting van het opgebouwde pensioenvermogen. Dit leidt tot een hogere waardering dan bij toepassing van een actuariële methode, die gebruikelijk (en zakelijk) is in situaties waarin het pensioen niet in eigen beheer wordt gehouden.

In 1995 is aan dit verschil een eind gemaakt. Toen werd in artikel 9b van de toenmalige wet IB voorgeschreven dat waardering moet plaatsvinden met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Aan dit wettelijke vereiste is hierbij echter geen nadere invulling gegeven. Nadien is er in de praktijk discussie ontstaan over de vraag welke methoden, naast de zogenoemde koopsommenmethode, voor de waardering van pensioenverplichtingen van een directeur-grootaandeelhouder concreet nog zouden zijn toegestaan. Over de toelaatbaarheid van twee methodes, namelijk de zogenoemde premie-koopsom-methode en de premie-bij-indiensttreding-methode, zijn procedures gevoerd.

In september 2001 heeft de Hoge Raad beslist dat bij de waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer tegenover slechts enkele uitkeringsgerechtigden de zogenoemde premie-koopsom-methode aanvaardbaar is (HR 28 september 2001, nr. 36 206, BNB 2002/54c*). In augustus 2002 heeft de Hoge Raad beslist dat ook de zogenoemde premie-bij-indiensttreding-methode in zo'n situatie is toegestaan (HR 9 augustus 2002, nr. 36 578, BNB 2003/25c* en HR 9 augustus 2002, nr. 36 930, BNB 2003/26c*).

Gebruikmaking van de premie-koopsommethode leidt ertoe dat pensioenlasten in eigen beheer situaties naar voren gehaald kunnen worden. Ditzelfde geldt in versterkte mate voor de ook door de Hoge Raad toegelaten premie-bij-indiensttreding-methode. Zonder nadere maatregelen zal dit naar schatting in 2003/2004 tot eenmalig € 350 mln aan gederfde belastingopbrengsten leiden.

De hierboven geschetste ontwikkelingen vormden aanleiding tot een nadere beschouwing omtrent de pensioenregeling van de directeur-grootaandeelhouder in eigen beheer. Uitgangspunt hierbij is de gedachte dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij hetgeen tussen onafhankelijke partijen hierover zou zijn overeengekomen. Er is geen reden om het pensioen van de directeur-grootaandeelhouder (hierna ook wel aangeduid met DGA-pensioen) gunstiger te behandelen dan het pensioen van een gewone werknemer. Hierbij zij bedacht dat in de eigen beheersituatie de pensioenpremies niet afgestort hoeven te worden.

In de situatie waarin het pensioen is ondergebracht bij een verzekeraar is de zuivere premie-methode niet ongebruikelijk. Ook de premie-koopsom-methode komt voor. Bezien vanuit de hierboven omschreven optiek zijn deze methoden bij eigen beheer thans dan ook aanvaardbaar. Dit geldt evenwel duidelijk niet voor de premie-bij-indiensttreding-methode. Het typische van deze methode is namelijk dat deze waarderingsmethode in de praktijk in relatie met derden (vrijwel) niet voorkomt. Dat betekent dat deze - voor de belastingplichtige zeer gunstige - methode uitsluitend zal worden toegepast in situaties waarin het pensioen in eigen beheer wordt gehouden. Zoals gezegd zien wij geen reden om het DGA-pensioen gunstiger te behandelen dan van een gewone werknemer. Dit geldt in het bijzonder wanneer, zoals hier, een omvangrijke budgettaire derving dreigt op te treden. Het voorstel strekt er daarom toe om de waarderingsstelsels die in eigen beheersituaties mogen worden toegepast beter in de pas te laten lopen met wat in de praktijk in relatie met professionele verzekeringsmaatschappijen als gangbaar kan worden beschouwd. Zoals gezegd is in de situatie waarin het pensioen is ondergebracht bij een onafhankelijke verzekeraar de premie-koopsom-methode niet ongebruikelijk. Dit geldt evenwel niet voor de premie-bij-indiensttreding-methode. Het niet langer toestaan van deze methode levert naar verwachting een eenmalige opbrengst op van € 50 mln in 2005-2007. Om het resterende budgettaire probleem zoveel mogelijk op te lossen, houdt het voorstel in om in de sfeer van de waardering van het DGA-pensioen in eigen beheer een aanvullende maatregel te treffen. De aanvullende maatregel houdt in het beperken van de zogenoemde leeftijdsterugstelling,en zal in de jaren 2005-2007 naar schatting € 300 mln opleveren.

In de praktijk is het gebruikelijk dat levensverzekeringsmaatschappijen een leeftijdsterugstelling toepassen bij de tariefstelling van lijfrenten. De terugstelling houdt verband met de ervaring dat personen die een lijfrente bij een verzekeringsmaatschappij verzekeren langer leven dan op grond van de overlevingstafel kan worden verwacht. Deze ervaring wordt wel aangeduid met de term: autoselectie. De Hoge Raad heeft onder andere in HR 13 maart 1996, nr. 30 705, BNB 1996/217, in eigen-beheersituaties van pensioen eenzelfde leeftijdsterugstelling aanvaardbaar geacht als in lijfrente-situaties bij professionele verzekeraars wordt toegepast. In de situatie waarin het pensioen echter in eigen beheer wordt opgebouwd, wordt – ofschoon dit wel tot de mogelijkheden behoort - nu juist geen lijfrente (pensioen) bij een onafhankelijke derde gekocht, zodat het verschijnsel van autoselectie zich daar niet voor kán doen. Het voorstel houdt dan ook in de beperking van de mogelijkheid om in de eigen beheersituatie een (correctie wegens) leeftijdsterugstelling toe te passen. Het voorschrift beperkt deze mogelijkheid in de eigen beheersituatie tot het toepassen van een leeftijdsterugstelling wegens technische correctie, omdat de gehanteerde overlevingstafel niet de meest actuele is. Leeftijdsterugstellingen uit anderen hoofde zijn niet langer toegestaan.

Zowel ten aanzien van het aanvullend kader voor de waardering van een pensioenverplichting als met betrekking tot de beperking van de leeftijdsterugstelling in de eigen beheersituatie geldt er een eerbiedigende werking voor een in eigen beheer gehouden pensioenverplichting die voor inwerkingtreding van de nieuwe bepaling is opgebouwd. Dit wordt bereikt aan de hand van de zogenoemde bevriezingsmethode, die inhoudt dat de nieuwe wettelijke waarderingsvoorschriften alleen effect hebben voorzover pensioenverplichtingen na het doorvoeren van de wetswijziging worden opgebouwd. Het bedrag van de verplichting dat tot die tijd is opgebouwd wordt 'bevroren' zolang de op nieuwe wijze berekende waarde van die verplichtingen lager is dan de bevroren waarde. Tot dit moment kan dus niet worden gedoteerd.

(……)

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

(……)

Artikel II (Wet inkomstenbelasting 2001)

(……)

Artikel II, onderdeel B (artikel 3.125 Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijziging ziet op het afschaffen van de fiscale faciliëring voor overbruggingslijfrenten. Deze vorm van lijfrentevoorzieningen is opgenomen in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, Wet inkomstenbelasting 2001. Dit onderdeel c vervalt, de overige wijzigingen in dit artikel zijn het gevolg van het vervallen van dit onderdeel.

Overbruggingslijfrenten zijn tijdelijke lijfrenten die voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen op grond van een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet, worden genoten. Deze wijziging hangt samen met de wijzigingen in de Wet op de loonbelasting 1964 die voortvloeien uit de in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen. Op grond van die wijzigingen wordt in de tweede pijler van het stelsel van oudedagsvoorzieningen de mogelijkheid afgeschaft om fiscaal gefacilieerd te sparen voor een inkomensvoorziening voorafgaand aan het ingaan van de AOW of een pensioenregeling. Het is dan niet logisch om de daarmee vergelijkbare mogelijkheid in de derde pijler (de lijfrentepremieaftrek) in stand te houden. Wanneer in de derde pijler van het stelsel van oudedagsvoorzieningen een voorziening kan worden opgebouwd voor de periode voorafgaand aan het ingaan van de pensioen- of AOW-uitkeringen, kan alsnog fiscaal gefacilieerd een ruime periode voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar worden gestopt met werken. Het laten bestaan van die mogelijkheid zou derhalve betekenen dat de afschaffing van de fiscale faciliëring van overbruggingspensioenen niet de beoogde effecten zou hebben op de arbeidsparticipatie van ouderen. Derhalve kan de fiscale faciliëring van overbruggingslijfrenten niet in stand worden gelaten.

(……)

Artikel V (Wet op de loonbelasting 1964)

Artikel V, onderdeel A (artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964)

In dit onderdeel wordt voorgesteld een vierde lid aan artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964 toe te voegen. Dit vierde lid regelt dat uitkeringen of verstrekkingen die voortkomen uit een aanspraak die op grond van de bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 belast had moeten worden, maar niet is belast, belast kunnen worden. Deze bepaling wordt opgenomen om een langdurige onterechte toepassing van de omkeerregel achteraf te kunnen herstellen. Op grond van de omkeerregel worden (in afwijking van de hoofdregel) de aanspraken vrijgesteld en de uitkeringen belast. Het ten onrechte toepassen van de omkeerregel heeft tot gevolg dat de aanspraken onbelast blijven, terwijl op een later moment blijkt dat dit niet terecht was. In het algemeen kan dit dan niet meer volledig worden hersteld door middel van naheffing en/of navordering. Het ten onrechte toepassen van de omkeerregel kan onder de huidige wetgeving slechts worden gecorrigeerd voor zover de naheffings- en/of navorderingstermijn van vijf jaar (artikel 20 respectievelijk artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen) nog niet is verstreken. In veel gevallen zal het bij de toepassing van de omkeerregel echter gaan om een langere periode dan vijf jaar. Dit probleem speelt met name bij pensioenen. De periode waarin de omkeerregel wordt toegepast, is daar in het algemeen 35 jaar of meer.

Het nieuwe vierde lid van artikel 10 voorkomt dat én de aanspraken niet worden belast (omdat de regeling destijds als zuiver werd gezien en mogelijk in eerste instantie ook zuiver is geweest) én de uitkeringen onbelast moeten blijven (omdat de regeling naderhand niet zuiver blijkt te zijn en er zonder de wijziging van artikel 10 dus geen grondslag is om de uitkeringen te belasten). Met deze bepaling wordt zeker gesteld dat of de aanspraken of de uitkeringen worden belast, zodat belastingheffing niet meer vermeden kan worden.

Artikel V, onderdeel B (artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964)

In het eerste lid van artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt onderdeel d. Dit onderdeel d bepaalt dat de aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding, die voldoen aan de in of op grond van de artikelen 18i en 19f Wet op de loonbelasting 1964 gestelde beperkingen, niet tot het loon behoren. Het vervallen van dit onderdeel hangt samen met de afschaffing van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding. De fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding bestaat uit de toepassing van de zogenoemde omkeerregel. Op grond van de omkeerregel worden (in afwijking van de hoofdregel) de aanspraken vrijgesteld en de uitkeringen belast. Tevens zijn de ingevolge een dergelijke regeling betaalde premies aftrekbaar. De faciliteit bestaat hierdoor uit uitstel van belastingheffing (rentevoordeel en een mogelijk progressievoordeel). Het vervallen van onderdeel d van het eerste lid van artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft tot gevolg dat aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet meer zijn vrijgesteld, maar tot het loon behoren. Het moment waarop deze aanspraken geacht worden te worden genoten (en derhalve worden belast), wordt in het nieuwe artikel 13b Wet op de loonbelasting 1964 bepaald.

De in het eerste lid, onderdeel j, onder 1˚, van artikel 11 van de Wet op de loonbelasting opgenomen bepaling dat bedragen die worden ingehouden als bijdrage ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet tot het loon behoren, wordt gehandhaafd. Voor een evenwichtig systeem is het noodzakelijk dat de door de werknemer betaalde premie op enigerlei wijze kan worden vergolden. In andere situaties is dit mogelijk door de door de werknemer betaalde premie in mindering te laten komen op de in de heffing te betrekken waarde van de aanspraak. Als gevolg van het omslagstelsel zou dit bij VUT-regelingen echter onvoldoende soelaas bieden. Macrofiscaal bezien zou niet alle premie kunnen worden vergolden, aangezien werknemers die om welke reden dan ook zelf geen VUT-uitkeringen gaan genieten bij die systematiek niet aan de vergelding van de betaalde premies toekomen. Een ander bezwaar is dat tientallen jaren zou moeten worden bijgehouden hoeveel premie in het verleden is betaald. Om die reden er voor gekozen de vergelding van de premie te laten plaatsvinden door deze op het moment van betaling in aftrek te laten komen op het loon.

De overige wijzigingen in artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 zijn verletteringen naar aanleiding van het vervallen van onderdeel d in het eerste lid.

(……)

Artikel V, onderdeel D (artikel 13b Wet op de loonbelasting 1964)

Als gevolg van de in onderdeel B voorgestelde aanpassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, behoren aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding voortaan tot het loon. De waarde van deze aanspraken wordt in sterke mate bepaald door de onzekerheid met betrekking tot de vraag of uit deze aanspraken daadwerkelijk uitkeringen zullen voortvloeien voor de desbetreffende werknemer. Regelingen voor vervroegde uittreding worden in het algemeen slechts voor een betrekkelijk korte looptijd vastgelegd. Bovendien worden deze regelingen in toenemende mate vervangen door (pre)pensioenregelingen. Verder is van belang dat een werknemer in het algemeen slechts recht heeft op een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding, indien hij tot de ingangsdatum van de uitkeringen werkzaam is gebleven bij een aan die regeling deelnemende werkgever. Anders dan bij een (pre)pensioenregeling worden bij een regeling voor vervroegde uittreding geen onherroepelijke rechten opgebouwd. Als gevolg van de hiervoor genoemde aspecten is de waarde van een aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding in het algemeen nog zeer gering in de periode voorafgaande aan de dag waarop de werknemer de VUT-leeftijd bereikt. Aangezien het belasten van een aanspraak op grond van de hoofdregel betekent dat de uitkeringen niet meer tot het loon behoren, zou het onverkort toepassen van deze hoofdregel dergelijke regelingen heel aantrekkelijk maken. Om dit te voorkomen wordt in dit onderdeel voorgesteld een nieuw artikel op te nemen (artikel 13b), waarin wordt bepaald dat de aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uitreding geacht wordt pas te worden genoten bij het ingaan van de uitkeringen. Eerst op dat moment wordt ook de waarde vastgesteld. De waarde is op dat moment gelijk aan de contante waarde van de uitkeringen, die - rekening houdend met sterftekansen – naar verwachting zullen worden genoten. Na de heffing over de waarde van de aanspraak, gaat deze aanspraak over naar box 3. In box 3 wordt de waarde van de aanspraken jaarlijks in de rendementsgrondslag betrokken. Hierbij wordt in beginsel jaarlijks 4% van de gemiddelde waarde van de aanspraken in de heffing betrokken. Als gevolg van het tarief van 30% is tijdens de looptijd van de uitkeringen jaarlijks derhalve maximaal 1,2% van de gemiddelde waarde van de aanspraken verschuldigd. Voor de waardering van deze aanspraken gelden de in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 opgenomen regels voor de waardering van periodieke uitkeringen in geld.

In het tweede lid van artikel 13b is een aantal bepalingen overgenomen uit artikel 19b. Met deze bepalingen wordt beoogd te voorkomen dat een werknemer de aanspraak geheel of gedeeltelijk kan verzilveren voordat het in het eerste lid genoemde moment zich voordoet en derhalve geen belastingheffing zou kunnen plaatsvinden.

In het derde lid is de definitie opgenomen van het begrip regeling voor vervroegde uittreding. Deze definitie komt in de plaats van de definitie die is opgenomen in het huidige artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964, dat op grond van dit wetsvoorstel komt te vervallen. Op grond van de in het derde lid opgenomen definitie vallen hier alle regelingen onder die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel hebben voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Daarnaast vallen ook regelingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel hebben uitkeringen ingevolge een pensioenregeling aan te vullen onder de definitie. Regelingen die voldoen aan de hiervoor genoemde voorwaarden worden slechts niet als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voorzover de daaruit voortvloeiende aanspraak kan worden aangemerkt als een pensioentoezegging in de zin van het bepaalde bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet. Bij dergelijke pensioentoezeggingen doen de hiervoor geschetste complicaties bij de waardering van de aanspraak zich niet voor en is het derhalve niet nodig om het moment van heffing uit te stellen tot het moment waarop de uitkeringen ingaan.

Bij regelingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel hebben uitkeringen ingevolge een pensioenregeling aan te vullen kan worden gedacht aan een situatie waarin de ingangsdatum van de pensioenregeling wordt vervroegd en het effect van de bijbehorende actuariële herrekening op de hoogte van de uitkeringen wordt gecompenseerd door middel van een aanvullende regeling.

(……)

Artikel V, onderdeel L (hoofdstuk IIB Wet op de loonbelasting 1964)

In samenhang met de afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT-regelingen verdwijnen VUT-regelingen uit hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964. Derhalve wordt de titel van dit hoofdstuk gewijzigd.

Artikel V, onderdeel M (artikel 18 Wet op de loonbelasting 1964)

De in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen afschaffing van de fiscale faciliëring van prepensioen wordt onder andere vormgegeven door de afschaffing van de fiscale faciliëring van overbruggingspensioen. In artikel 18 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt daardoor de definitie van deze pensioenvorm.

Artikel V, onderdeel N (artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 zijn de normen opgenomen waaraan een ouderdomspensioen moet voldoen. De in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen afschaffing van de fiscale faciliëring van prepensioen heeft voor ouderdomspensioen tot gevolg dat de zogenoemde pensioenrichtleeftijd van 60 jaar uit het zesde lid wordt vervangen door 65 jaar. In het huidige zesde lid van artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 is bepaald dat wanneer het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar, het pensioen herrekend wordt ten opzichte van die leeftijd (of van de in de pensioenregeling opgenomen latere ingangsdatum) met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. De voorgestelde wijziging bewerkstelligt dat deze herrekening moet plaatsvinden wanneer het pensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Bestaande ouderdomspensioenregelingen met een pensioendatum die vóór 65 jaar ligt, zullen zodanig moeten worden aangepast dat bij de verdere opbouw wordt uitgegaan van een ouderdomspensioen dat – bij handhaving van die eerdere pensioendatum - wordt gekort ten opzichte van het maximaal toegestane ouderdomspensioen bij de richtleeftijd van 65 jaar. De tweede volzin van de huidige tekst van artikel 18a, zesde lid, is niet overgenomen in de voorgestelde tekst van artikel 18a, aangezien dit meer mogelijkheden zou blijven bieden om voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar met pensioen te gaan dan wenselijk wordt geacht.

In het huidige zevende lid van artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 is bepaald dat het ouderdomspensioen (inclusief de minimaal in te bouwen AOW) niet meer dan 100 procent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang van het pensioen mag bedragen. Deze bepaling heeft tot gevolg dat in pensioenregelingen voor het verkrijgen van de fiscale faciliëring een bepaling moet zijn opgenomen dat geen uitkeringen worden gedaan die de 100%-grens overschrijden. Het zevende lid wordt samen met het zesde lid omgevormd tot een nieuw vierde lid.

De inperking van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader die zou plaatsvinden op grond van de bepalingen in het Belastingplan 2003 wordt niet doorgezet. In het Belastingplan 2003, deel I, was een inperking van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader van 2% naar 1,75% bij een eindloonstelsel (en bij de andere stelsels een overeenkomstige inperking) opgenomen. Deze maatregel zou op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden. Besloten is deze maatregel niet door te zetten. In artikel XXIII van dit wetsvoorstel wordt deze inperking van de opbouwpercentages uit het Belastingplan 2003, deel I, verwijderd. Ter vervanging van deze maatregel wordt de maximumnorm voor ouderdomspensioen aangepast en verlaagd naar 70% van het pensioengevend loon op het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet fiscale behandeling van pensioenen is aangegeven dat 70% als een wenselijke pensioennorm werd gezien, terwijl de 100% grens het karakter van een absolute bovengrens had. Voordeel van de aanpassing van het pensioenmaximum (ten opzichte van de inperking van de opbouwpercentages) is dat bij ontbrekende dienstjaren over de wel aanwezig dienstjaren extra opgebouwd kan worden en op deze wijze toch nog een pensioen kan worden gerealiseerd dat meer in de buurt komt van het hiervoor genoemde maximumpensioen van 70%.

Ingeval het ouderdomspensioen later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum, mag het pensioen op grond van het tot zesde lid vernummerde vijfde lid – evenals onder de huidige regeling - worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel, met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, tot maximaal 100% van het pensioengevend loon. Deze bepaling is onder de voorgestelde regeling uitsluitend van belang voor situaties, waarin na het bereiken van de leeftijd van 65 wordt doorgewerkt. Zonder deze bepaling zou het uitermate onaantrekkelijk worden om langer door te werken, aangezien in dat geval in feite afstand zou worden gedaan van een deel van de opgebouwde pensioenrechten. Om dezelfde reden komt in het tot vijfde lid vernummerde vierde lid onderdeel 3˚ te vervallen.

De overige wijzigingen in artikel 18a hangen samen met het overbrengen van de bepalingen uit het huidige zesde en zevende lid naar het vierde lid. Afgezien van de hiervoor genoemde wijzigingen wordt hiermee geen materiële wijziging beoogd.

Artikel V, onderdeel O (artikel 18b Wet op de loonbelasting 1964)

De wijziging in artikel 18b hangt samen met de in onderdeel N opgenomen vernummering van een aantal leden van artikel 18a.

Artikel V, onderdeel P (artikel 18c Wet op de loonbelasting 1964)

De wijziging in artikel 18c hangt samen met de in onderdeel N opgenomen vernummering van een aantal leden van artikel 18a.

Artikel V, onderdeel Q (artikel 18e Wet op de loonbelasting 1964)

Zoals bij artikel II, onderdeel B, is aangegeven, wordt in het kader van de beëindiging van de fiscale faciliëring van prepensioen de in artikel 18e Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen pensioenvorm "overbruggingspensioen" afgeschaft. Overbruggingspensioen is een pensioen dat ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. De bedoeling van overbruggingspensioen is het bieden van een aanvullende inkomensvoorziening wanneer gebruik wordt gemaakt van ouderdomspensioen in de periode voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Tot deze leeftijd bestaat er nog geen recht op AOW, dat echter wel is ingebouwd bij het ouderdomspensioen, en moet een hoger bedrag aan premies volksverzekeringen worden betaald. Hierdoor is het pensioen in de periode tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar lager. Overbruggingspensioen bood de mogelijkheid om voor en na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar een gelijke inkomensvoorziening te hebben.

Artikel V, onderdeel R (artikel 18g Wet op de loonbelasting 1964)

In verband met het vervallen van de artikelen 18i en 38a Wet op de loonbelasting 1964 (zie onderdeel S en onderdeel EE) vervallen de verwijzingen naar deze artikelen in artikel 18g Wet op de loonbelasting 1964. Tevens vervalt de in artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen term "diensttijd", aangezien deze term niet meer wordt gebezigd in de in het gewijzigde artikel 18g genoemde artikelen.

Artikel V, onderdeel S (artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964)

De fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding wordt op grond van het Hoofdlijnenakkoord afgeschaft. Dientengevolge vervalt artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964. De fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding die in stand worden gehouden (zonder fiscale faciliëring) wordt voortaan bepaald door het nieuwe artikel 13b Wet op de loonbelasting 1964, waarin tevens een nieuwe definitie van regeling voor vervroegde uittreding is opgenomen.

Artikel V, onderdeel T (artikel 19 Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 19 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt in samenhang met het vervallen van artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 de term "regeling voor vervroegde uittreding" en de verwijzing naar deze term in artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel V, onderdeel U (artikel 19a Wet op de loonbelasting 1964)

Als gevolg van de afschaffing van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding is artikel 19a Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen.

Artikel V, onderdeel V (artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964)

Als gevolg van de afschaffing van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding is artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen.

Artikel V, onderdeel W (artikel 19c Wet op de loonbelasting 1964)

In verband met het vervallen van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding is het derde lid van artikel 19c Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen.

Artikel V, onderdeel X (artikel 19d Wet op de loonbelasting 1964)

Als gevolg van de afschaffing van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding is artikel 19d Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen.

(……)

Artikel V, onderdeel DD (artikel 36b Wet op de loonbelasting 1964)

In verband met het vervallen van artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 per 1 januari 2004 wordt in artikel 36b Wet op de loonbelasting 1964 aangegeven dat het in dit artikel gaat om de tekst van artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat artikel luidde voor het vervallen van dit artikel.

(……)

Artikel V, onderdeel FF (artikel 38a Wet op de loonbelasting 1964)

Op grond van het huidige artikel 38a mag een pensioenregeling, in afwijking van de in of krachtens hoofdstuk IIB opgenomen begrenzingen, tevens een zogenoemde prepensioenregeling omvatten. Voorwaarde is dat deze prepensioenregeling dient of mede dient ter vervanging van een regeling voor vervroegde uittreding. Indien aan die voorwaarde is voldaan, gelden aanzienlijk ruimere mogelijkheden voor een opbouw van een pensioen. Dit pensioen mag in beginsel niet eerder ingaan dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd en eindigt uiterlijk bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Voorgesteld wordt om de in dit artikel opgenomen ruime opbouwmogelijkheden te laten vervallen. Dat betekent dat een pensioenregeling volledig dient te voldoen aan de in of krachtens hoofdstuk IIB opgenomen begrenzingen.

Artikel V, onderdeel GG (artikel 38b Wet op de loonbelasting 1964)

De voorgestelde wijziging van artikel 38b hangt samen met het vervallen van artikel 38a.

Artikel V, onderdeel HH (artikel 38c Wet op de loonbelasting 1964)

Op grond van het voorgestelde artikel 38c blijven de huidige bepalingen met betrekking tot op 31 december 2003 bestaande regelingen voor vervroegde uittreding tot en met 31 december 2004 ongewijzigd van kracht.

In het tweede lid is bepaald dat artikel 13b met ingang van 1 januari 2005 ook van toepassing is op aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uitreding die voor 1 januari 2005 zijn ontstaan, behoudens indien de werknemer voor 1 januari 2005 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze aanspraken heeft genoten.

Artikel V, onderdeel II (artikel 38d Wet op de loonbelasting 1964)

Op grond van het voorgestelde artikel 38d blijven ook voor op 31 december 2003 bestaande prepensioenregelingen in de zin van het huidige artikel 38a de huidige bepalingen in 2004 ongewijzigd van kracht. Op grond van het tweede lid blijven die bepalingen voor deze prepensioenregelingen ook na 31 december 2004 nog van kracht, indien ingevolge deze prepensioenregelingen na 31 december 2004 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan ingevolge aanspraken die voor 1 januari 2005 zijn opgebouwd. De achtergrond voor dit tweede lid is gelegen in de omstandigheid, dat ook deze regelingen in het algemeen nog grotendeels op omslagbasis zijn gefinancierd, zodat de uitkeringen bij deze regelingen in het algemeen nog grotendeels worden gefinancierd uit de premies die worden ingehouden op het loon van de werkenden. Om te voorkomen dat lopende uitkeringen moeten worden stopgezet, zullen deze premies ook na 1 januari 2005 moeten worden ingehouden op het loon van de werkenden en aftrekbaar blijven. De in dit onderdeel opgenomen overgangsregeling maakt het tevens mogelijk om in situaties waarin de uitkeringen op 31 december 2004 nog niet zijn ingegaan, het op dat moment opgebouwde prepensioenkapitaal binnen de grenzen van het huidige artikel 38a op een later moment alsnog aan te wenden voor prepensioenuitkeringen.

Op grond van het derde lid kan een op 31 december 2004 bestaande aanspraak ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in het huidige artikel 38a echter ook worden omgezet in een ouderdomspensioen zonder dat daarbij hoeft te worden getoetst aan de in artikel 18a opgenomen maxima.

Artikel V, onderdeel JJ (artikel 38e Wet op de loonbelasting 1964)

Op grond van het voorgestelde artikel 38e blijven voor op 31 december 2003 bestaande regelingen voor ouderdomspensioen de huidige wettelijke bepalingen ongewijzigd van kracht tot en met 31 december 2004. Dat betekent derhalve dat de pensioenopbouw in 2004 ongewijzigd kan worden voortgezet. Met ingang van 1 januari 2005 gelden de nieuwe begrenzingen. Voor een werknemer die op dat moment een pensioen heeft opgebouwd dat hoger is dan 70% van het pensioengevend loon op het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt, is behoudens het bepaalde in artikel 18d verder gefacilieerde opbouw niet langer mogelijk. Op grond van artikel 18d kan het ouderdomspensioen meer bedragen dan de in artikel 18a opgenomen maxima voor zover de overschrijding van deze maxima het gevolg is van een aanpassing van het pensioen aan loon- of prijsontwikkeling, variatie – binnen een bepaalde bandbreedte - in de hoogte van de uitkeringen, waardeoverdracht van pensioenaanspraken en gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van nabestaandenpensioen, wezenpensioen en ouderdomspensioen.

Artikel V, onderdeel KK (artikel 38f Wet op de loonbelasting 1964)

Op grond van het voorgestelde artikel 38f blijven voor op 31 december 2003 bestaande regelingen voor overbruggingspensioen de huidige wettelijke bepalingen ongewijzigd van kracht tot en met 31 december 2004.

Op grond van het tweede lid kan een op 31 december 2004 bestaande aanspraak ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in het huidige artikel 18e worden omgezet in een ouderdomspensioen zonder dat daarbij hoeft te worden getoetst aan de in artikel 18a opgenomen maxima.

Artikel VI (Wet op de loonbelasting 1964)

Artikel VI, onderdeel A (artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964)

In het eerste lid van artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt het per 1 januari 2004 tot onderdeel f vernummerde onderdeel g. In de tekst van het huidige onderdeel g wordt bepaald dat aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon niet tot het loon behoren wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze vrijstelling wordt veelal de stamrechtvrijstelling genoemd. Deze stamrechtvrijstelling wordt op dit moment in de praktijk met name gebruikt om de heffing over een schadeloosstelling bij ontslag, uit te stellen. De stamrechtvrijstelling zou echter ook kunnen worden gebruikt voor een VUT-achtige regeling of voor een (pre)pensioenregeling. Zonder de afschaffing van de stamrechtvrijstelling zou voor werkgevers en werknemers derhalve de weg open blijven staan om op eenvoudige wijze in onderling overleg VUT- of prepensioenregelingen zodanig vorm te geven, dat nog steeds fiscaal gefacilieerd vervroegd kan worden uitgetreden.

Artikel VI, onderdeel B (artikel 13a Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 13a is een anti-misbruikbepaling opgenomen die is bedoeld om te voorkomen dat werknemers onbeperkt hun salaris (en daarmee de belastingheffing) naar de toekomst konden verschuiven. Met name directeuren-grootaandeelhouders maakten voor de invoering van deze bepaling gebruik van deze mogelijkheid. In de huidige tekst van artikel 13a wordt nog een marge van 10% gehanteerd. In deze tekst is namelijk bepaald dat alleen geen rekening wordt gehouden met het verschuiven van het loon als het loon 'geheel of voor een meer dan bijkomstig gedeelte' op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten. In fiscale zin is sprake van een meer dan bijkomstig gedeelte als dat meer is dan 10%. Hoewel deze bepaling daar uiteraard niet voor is bedoeld, biedt deze marge van 10% tevens ruimte om maximaal 10% van het loon (en de belastingheffing daarover) door te schuiven naar bijvoorbeeld het moment waarop de werknemer 60 jaar wordt en het uitgestelde loon vervolgens over de periode tot het ingaan van het ouderdomspensioen gespreid over de jaren te laten uitkeren. Dit zou de mogelijkheid bieden VUT-regelingen te vervangen door regelingen die worden gebaseerd op dit artikel, zodat de VUT-regelingen de facto zonder fiscale gevolgen ongewijzigd kunnen worden voortgezet. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld de marge van 10% in deze regeling te laten vervallen en de bepaling voortaan te laten gelden in alle situaties, waarin loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten.

Artikel VI, onderdeel C (artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964)

De in het zesde lid van artikel 19b opgenomen bepaling wordt in aangepaste vorm opgenomen in artikel 37.

(……)

Artikel VI, onderdeel G (artikel 37 Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 37, eerste lid, wordt bepaald dat artikel 19b van overeenkomstige toepassing is voor een op 31 december 2004 bestaande aanspraak welke naar of krachtens de tekst van artikel 11, zoals dat op 31 december 2004 luidde, is aan te merken als een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Een soortgelijke bepaling is thans nog opgenomen in het huidige zesde lid van artikel 19b. Na de aanpassing van artikel 11 zou deze in artikel 19b opgenomen bepaling niet meer kunnen worden toegepast als gevolg van de daarin opgenomen verwijzing naar een onderdeel van artikel 11 dat op grond van dit wetsvoorstel komt te vervallen. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld deze bepaling voor op 31 december 2004 bestaande aanspraken zodanig aan te passen, dat wordt verwezen naar de op 31 december 2004 geldende tekst van artikel 11. Aangezien dit daarmee feitelijk een onderdeel van het overgangsrecht wordt, wordt voorgesteld deze bepaling op te nemen in artikel 37.

In artikel 37, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964 wordt bij het overgangsrecht voor op 31 december 1994 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon bepaald dat deze aanspraken niet hoeven te voldoen aan de voorwaarden die waren opgenomen in de tekst van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, onder 1˚ en 2˚, Wet op de loonbelasting 1964, zoals dit artikel luidde op 31 december 2004. Deze wijziging hangt samen met het vervallen van dit onderdeel f per 1 januari 2005. Voor de in het tweede lid genoemde aanspraken blijft artikel 19b eveneens van overeenkomstige toepassing.

(……)

Artikel XI (Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Artikel XI, onderdeel A (Artikel 5 Wet op vennootschapsbelasting 1969)

Met de voorgestelde wijziging van artikel 5, onderdeel b, wordt bewerkstelligd dat de commerciële activiteiten van pensioenfondsen voortaan in de belastingheffing worden betrokken.

De vrijstelling voor pensioenfondsen blijft gehandhaafd voor de kernactiviteiten van lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighouden met de uitvoering van pensioen- of VUT-regelingen. Wel wordt thans voorgesteld om resultaten die worden behaald met werkzaamheden die buiten deze kerntaak vallen, in de heffing te betrekken. Hiertoe wordt een werkzaamhedentoets voorgesteld. Dit betekent dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen vrijgestelde en belaste werkzaamheden. Zoals in het algemene deel van de toelichting is aangegeven, zal dit onderscheid nog worden geconcretiseerd aan de hand van de conclusies van de Commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen. Indien deze conclusies onverhoopt te laat beschikbaar komen of onvoldoende helder zijn dan zal het kabinet zelfstandig bij nota van wijziging invullen welke activiteiten van pensioenfondsen per 1 januari 2004 aan vennootschapsbelasting onderworpen zullen worden.

Het voorgestelde tweede en derde lid van artikel 5 beogen geen inhoudelijke wijziging aan te brengen ten opzichte van het bestaande artikel 5, onderdeel b, maar beogen een redactionele vereenvoudiging tot stand te brengen.

De wijzigingen in het eerste, tweede en vierde lid vloeien voort uit het feit dat de vrijstelling voor pensioenfondsen wordt aangepast.

De wijziging in het derde lid heeft betrekking op het volgende. Artikel 5, onderdeel d, van de Wet opent de mogelijkheid lichamen die zijn toegelaten om op de voet van de Woningwet werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting alsmede daarmee gelijkgestelde lichamen vrij te stellen van vennootschapsbelasting. Het voorstel is dit onderdeel zodanig aan te passen dat deze lichamen slechts zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting voorzover hun werkzaamheid bestaat uit de verkrijging, het bezit, het beheer en de vervreemding van anders dan tijdelijk door hen verhuurde woningen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de vrijstelling geldt voor het zelf ontwikkelen van een project dat bestaat uit woningen bestemd voor duurzame verhuur. Onder de vrijstelling valt niet de verwerving van woningen die bestemd zijn om te worden verhuurd in afwachting van een geschikt moment van verkoop. Ook strekt de vrijstelling zich niet uit tot de bouw van koopwoningen of het beheer van bedrijfspanden.

Artikel XI, onderdeel B (artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Tot 1995 kon pensioen in eigen beheer, wat met name voorkomt bij pensioenen van directeuren-grootaandeelhouders, worden gewaardeerd volgens de lineaire methode, dat wil zeggen zonder rekening te houden met sterftekansen, noch met oprenting van het opgebouwde pensioenvermogen. Dit leidt tot een hogere waardering dan bij toepassing van een actuariële methode, die gebruikelijk (en zakelijk) is in situaties waarin het pensioen niet in eigen beheer wordt gehouden.

In 1995 is aan dit verschil een eind gemaakt. Toen werd in artikel 9b van de toenmalige wet IB voorgeschreven dat waardering moet plaatsvinden met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. Aan dit wettelijke vereiste is hierbij echter geen nadere invulling gegeven. Nadien is er in de praktijk discussie ontstaan over de vraag welke methoden, naast de zogenoemde koopsommenmethode, voor de waardering van pensioenverplichtingen van een directeur-grootaandeelhouder concreet nog zouden zijn toegestaan. Over de toelaatbaarheid van twee methodes, namelijk de zogenoemde premie-koopsom-methode en de premie-bij-indiensttreding-methode, zijn procedures gevoerd.

In september 2001 heeft de Hoge Raad beslist dat bij de waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer tegenover slechts enkele uitkeringsgerechtigden de zogenoemde premie-koopsom-methode aanvaardbaar is (HR 28 september 2001, nr. 36 206, BNB 2002/54c*). In augustus 2002 heeft de Hoge Raad beslist dat ook de zogenoemde premie-bij-indiensttreding-methode in zo'n situatie is toegestaan (HR 9 augustus 2002, nr. 36 578, BNB 2003/25c* en HR 9 augustus 2002, nr. 36 930, BNB 2003/26c*).

Gebruikmaking van de premie-koopsommethode leidt ertoe dat pensioenlasten in eigen beheer situaties naar voren gehaald kunnen worden. Ditzelfde geldt in versterkte mate voor de ook door de Hoge Raad toegelaten premie-bij-indiensttreding-methode. Zonder nadere maatregelen zal dit naar schatting in 2003/2004 tot eenmalig € 350 mln aan gederfde belastingopbrengsten leiden.

De hierboven geschetste ontwikkelingen vormden aanleiding tot een nadere beschouwing omtrent de pensioenregeling van de directeur-grootaandeelhouder in eigen beheer. Uitgangspunt hierbij is de gedachte dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij hetgeen tussen onafhankelijke partijen hierover zou zijn overeengekomen. Er is geen reden om het pensioen van de directeur-grootaandeelhouder (hierna ook wel aangeduid met DGA-pensioen) gunstiger te behandelen dan het pensioen van een gewone werknemer. Hierbij zij bedacht dat in de eigen beheersituatie de pensioenpremies niet afgestort hoeven te worden.

In de situatie waarin het pensioen is ondergebracht bij een verzekeraar is de zuivere premie-methode niet ongebruikelijk. Ook de premie-koopsom-methode komt voor. Bezien vanuit de hierboven omschreven optiek zijn deze methoden bij eigen beheer thans dan ook aanvaardbaar. Dit geldt evenwel duidelijk niet voor de premie-bij-indiensttreding-methode. Het typische van deze methode is namelijk dat deze waarderingsmethode in de praktijk in relatie met derden (vrijwel) niet voorkomt. Dat betekent dat deze - voor de belastingplichtige zeer gunstige - methode uitsluitend zal worden toegepast in situaties waarin het pensioen in eigen beheer wordt gehouden. Zoals gezegd zien wij geen reden om het DGA-pensioen gunstiger te behandelen dan van een gewone werknemer. Dit geldt in het bijzonder wanneer, zoals hier, een omvangrijke budgettaire derving dreigt op te treden. Het voorstel strekt er daarom toe om de waarderingsstelsels die in eigen beheersituaties mogen worden toegepast beter in de pas te laten lopen met wat in de praktijk in relatie met professionele verzekeringsmaatschappijen als gangbaar kan worden beschouwd. Zoals gezegd is in de situatie waarin het pensioen is ondergebracht bij een onafhankelijke verzekeraar de premie-koopsom-methode niet ongebruikelijk. Dit geldt evenwel niet voor de premie-bij-indiensttreding-methode. Het niet langer toestaan van deze methode levert naar verwachting een eenmalige opbrengst op van € 50 mln in 2005-2007. Om het resterende budgettaire probleem zoveel mogelijk op te lossen, houdt het voorstel in om in de sfeer van de waardering van het DGA-pensioen in eigen beheer een aanvullende maatregel te treffen. De aanvullende maatregel houdt in het beperken van de zogenoemde leeftijdsterugstelling, en zal in de jaren 2005-2007 naar schatting € 300 mln opleveren.

In de praktijk is het gebruikelijk dat levensverzekeringsmaatschappijen een leeftijdsterugstelling toepassen bij de tariefstelling van lijfrenten. De terugstelling houdt verband met de ervaring dat personen die een lijfrente bij een verzekeringsmaatschappij verzekeren langer leven dan op grond van de overlevingstafel kan worden verwacht. Deze ervaring wordt wel aangeduid met de term: autoselectie. De Hoge Raad heeft onder andere in HR 13 maart 1996, nr. 30 705, BNB 1996/217, in eigen-beheersituaties van pensioen eenzelfde leeftijdsterugstelling aanvaardbaar geacht als in lijfrente-situaties bij professionele verzekeraars wordt toegepast. In de situatie waarin het pensioen echter in eigen beheer wordt opgebouwd, wordt – ofschoon dit wel tot de mogelijkheden behoort - nu juist geen lijfrente (pensioen) bij een onafhankelijke derde gekocht, zodat het verschijnsel van autoselectie zich daar niet voor kán doen. Het voorstel houdt dan ook in de beperking van de mogelijkheid om in de eigen beheersituatie een (correctie wegens) leeftijdsterugstelling toe te passen. Het voorschrift beperkt deze mogelijkheid in de eigen beheersituatie tot het toepassen van een leeftijdsterugstelling wegens technische correctie, omdat de gehanteerde overlevingstafel niet de meest actuele is. Leeftijdsterugstellingen uit anderen hoofde zijn niet langer toegestaan.

Zowel ten aanzien van het aanvullend kader voor de waardering van een pensioenverplichting als met betrekking tot de beperking van de leeftijdsterugstelling in de eigen beheersituatie geldt er een eerbiedigende werking voor een in eigen beheer gehouden pensioenverplichting die voor inwerkingtreding van de nieuwe bepaling is opgebouwd. Dit wordt bereikt aan de hand van de zogenoemde bevriezingsmethode, die inhoudt dat de nieuwe wettelijke waarderingsvoorschriften alleen effect hebben voorzover pensioenverplichtingen na het doorvoeren van de wetswijziging worden opgebouwd. Het bedrag van de verplichting dat tot die tijd is opgebouwd wordt 'bevroren' zolang de op nieuwe wijze berekende waarde van die verplichtingen lager is dan de bevroren waarde. Tot dit moment kan dus niet worden gedoteerd.

Het nieuwe zevende lid van artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 hangt samen met het afschaffen van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen. De verwachting is dat als gevolg van de nieuwe systematiek regelingen gericht op vervroegde uittreding in veel geringer mate zullen voorkomen. Dit kan evenwel anders zijn bij een directeur-grootaandeelhouder.

Voor directeuren-grootaandeelhouders kan het zelfs aantrekkelijk zijn om naar wegen te zoeken om in hun BV voor een VUT-regeling te reserveren. Een dergelijke VUT-reservering zou namelijk kunnen fungeren als een soort RUS (Reserve Uitgesteld Salaris). In de loonbelastingsfeer vindt bij een niet toegestane VUT namelijk pas heffing plaats vlak voordat de uitkeringen gaan vloeien terwijl de BV in de vennootschapsbelastingsfeer gedurende de aanloopfase naar de VUT-regeling al direct de tegenwaarde in de vorm van een voorziening of egalisatiereserve kan passiveren ten laste van de winst. Tegen de tijd dat de VUT-uitkeringen zouden moeten gaan vloeien, kan de directeur-grootaandeelhouder afzien van de VUT-regeling waardoor de gepassiveerde middelen vrijvallen. Deze mogelijke vorm van belastinguitstel die zich normaliter alleen in de verhouding tussen een directeur-grootaandeelhouder en zijn BV zal voordoen, is ongewenst. Daarom wordt voorgesteld om het ten aanzien van werknemers die een aanmerkelijk belang hebben niet mogelijk te maken om een voorziening of egalisatiereserve ten laste van de winst te vormen die samenhangt met een regeling voor vervroegde uittreding.

Wat betreft huidige eventuele VUT-voorzieningen of VUT-egalisatiereserves ten behoeve van directeuren-grootaandeelhouders kan worden opgemerkt dat deze bij de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel vrijvallen, behalve voorzover deze zien op VUT-regelingen die onder het overgangsrecht in de loonbelastingsfeer vallen. Wat betreft VUT-reserves en VUT-voorzieningen ter zake van overige werknemers kan worden opgemerkt dat deze in beginsel in stand kunnen blijven. Wel wordt als gevolg van de aanpassingen in de loonbelastingsfeer bezien of het besluit van 28 december 1998, BNB 1999/84, bijvoorbeeld op het punt van de deelnamekans, nog moet worden bijgesteld.

Artikel XI, onderdeel C (artikel 18 Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Deze aanpassing hangt samen met het invoegen van een nieuw zesde en zevende lid in artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel XI, onderdeel D (artikel 23a Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Deze wijzingen vloeien voort uit de in dit wetsvoorstel opgenomen aanpassing in de Wet op de loonbelasting 1964 op het punt van de fiscale behandeling van aanspraken ingevolge regelingen voor vervroegde uittreding en de daarmee samenhangende aanpassing van de fiscale behandeling van aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon.

Artikel XI, onderdeel E (artikel 31d Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De waardering van bestaande pensioenverplichtingen in eigen beheer dient met ingang van 1 januari 2004 op de voet van het nieuwe artikel 8, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in de pas te lopen met een methode die bij een belangrijk deel van bij professionele verzekeraars ondergebrachte pensioenovereenkomsten als uitgangspunt dient voor de bepaling van de premies ingevolge die overeenkomsten. Voorts zijn leeftijdsterugstellingen anders dan ter correctie van de overlevingstafel (sterftetafel) vanwege veroudering van die tafel niet meer mogelijk. In het nieuwe artikel 31d is met het oog hierop overgangsrecht opgenomen. Dit overgangsrecht heeft tot doel te voorkomen dat de belastingplichtige winst moet nemen als de waarde van de pensioenverplichtingen volgens het nieuwe artikel 8, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 uitkomt op een bedrag dat lager is dan de in aanmerking genomen waarde aan het einde van 2003. Dit wordt bereikt door voor die situatie een zogenoemde bevriezingsmethode voor te schrijven. Deze houdt in dat in plaats van die lagere, nieuwe waarde, in aanmerking wordt genomen de waarde volgens het oude waarderingsstelsel of de eerder toegepaste leeftijdsterugstelling aan het einde van 2003. Zolang van deze laatste "bevroren" waarde dient te worden uitgegaan, kunnen ten laste van de fiscale winst ter zake van de verplichtingen waarop deze waardering betrekking heeft geen bedragen meer ten laste van de winst worden gebracht. Pas in het jaar dat de waarde van de verplichtingen volgens het nieuwe artikel 8, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 uitkomt op een hoger bedrag dan het "bevroren" bedrag, kunnen bij de fiscale winstbepaling pensioenlasten in aanmerking worden genomen, en wel ten belope van het verschil tussen de hogere voorziening bepaald volgens het nieuwe artikel 8, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de bevroren voorziening. In de jaren daarna wordt voor de winstbepaling vervolgens uitgegaan van de voorziening gewaardeerd met inachtneming van artikel 8, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

(……)

Artikel XXII (Coördinatiewet Sociale Verzekering)

Artikel XXII, onderdelen A en B (artikel a5 en 6 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering)

In de huidige tekst van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) behoren de aanspraken op grond van een VUT-regeling niet tot het loon. Afschaffing van de fiscale faciliëring voor de VUT betekent in het kader van de CSV, dat de aanspraken op grond van deze regeling tot het loon gaan behoren en niet langer vrijgesteld zijn van premieheffing voor de werknemersverzekeringen. Evenals voor de belastingheffing wordt bepaald dat de aanspraak op grond van een VUT-regeling geacht wordt pas te worden genoten bij het ingaan van de uitkeringen. In lijn met het vervallen van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 vervalt per 1 januari 2005 eveneens de vrijstelling van de aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.

Artikel XXII, onderdelen C en D (artikelen 18e en 19 Coördinatiewet Sociale Verzekering)

Artikel 6, derde lid, CSV regelt wat voor de toepassing van die wet wordt verstaan onder een pensioenregeling respectievelijk een VUT-regeling. Op grond van het in de voorgestelde artikelen 38a, 38c en 38f van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen overgangsrecht zijn de daarin genoemde regelingen voor die wet gedefinieerd als VUT-regelingen respectievelijk pensioenregelingen. Dat betekent dat ze op grond van artikel 6, derde lid, CSV voor de CSV ook zijn gedefinieerd als VUT- respectievelijk pensioenregelingen. Aangezien in de CSV niets wordt gewijzigd inzake de aftrekbaarheid van bijdragen ingevolge pensioenregelingen en het niet tot het loon behoren van de aanspraken op grond van pensioenregelingen is het niet noodzakelijk om met betrekking tot prepensioen en overbruggingspensioen specifiek overgangsrecht te regelen. Voorzover prepensioenregelingen en overbruggingspensioenregelingen in het kader van de Wet op de loonbelasting 1964 als pensioenregeling worden behandeld zijn de aanspraken op grond daarvan en de op grond van die regelingen ingehouden bijdragen vrijgesteld van de premieheffing werknemersverzekeringen.

Voor de VUT-regelingen dient evenwel een specifieke overgangsregeling te worden gemaakt in verband met het vervallen van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, CSV. Op grond van het in onderdeel D voorgestelde overgangsartikel, aanhef en onderdeel a, blijft het huidige artikel 6, eerste lid, onderdeel b, CSV met betrekking tot op 31 december 2003 bestaande VUT-regelingen tot en met 31 december 2004 ongewijzigd van kracht. Dit betekent dat tot 1 januari 2005 de aanspraken op grond van een VUT-regeling niet onderworpen worden aan premieheffing voor de verplichte werknemersverzekeringen. Op grond van dit voorgestelde artikel, aanhef en onderdeel b, blijft artikel 6, eerste lid, onderdeel b, CSV ook na 31 december 2004 nog van kracht voor de regelingen die uiterlijk op 31 december 2004 zodanig zijn aangepast, dat daar met ingang van 1 januari 2005 uitsluitend uitkeringen uit kunnen voortvloeien aan werknemers die op dat moment reeds een uitkering op grond van die regeling genoten. Indien op grond van de regeling na 31 december 2004 ook nog uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die op dat moment nog niet een dergelijke uitkering ontvingen, valt die regeling met ingang van 1 januari 2005 niet meer onder het overgangsrecht. Dat betekent dat de aanspraak niet meer onder de vrijstelling valt.

In onderdeel C wordt artikel 18e CSV aangepast in verband met het vervallen van artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van die wet. Op 31 december 2004 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon blijven vrijgesteld van premieheffing werknemersverzekeringen mits ze voldoen aan de voorwaarden zoals die op 31 december 2004 zijn opgenomen in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, CSV. Een wetswijziging kan immers geen gevolgen hebben voor situaties, waarin het heffingsmoment ligt voor de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Met betrekking tot op 31 december 1994 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon blijft het reeds bestaande overgangsrecht, te weten dat niet hoeft te worden voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, CSV, gehandhaafd.

Artikel XXIII (Belastingplan 2003)

Artikel XXIII (artikel VI Belastingplan 2003 deel I)

Artikel VI, onderdelen B, C en D, van het Belastingplan 2003, deel I, bevatten de inperkingen van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader. Deze wijziging zal niet inwerkingtreden en wordt derhalve verwijderd uit het Belastingplan 2003, deel I. De inperking van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader wordt vervangen door een aanpassing van het maximale pensioen (zie artikel V, onderdeel N van dit wetsvoorstel). Artikel VI, onderdeel N, van het Belastingplan 2003, deel I bevat het overgangsrecht voor de inperking van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader. Omdat de inperking van de opbouwpercentages uit het Belastingplan 2003, deel I vervalt, is het bijbehorende overgangsrecht niet meer nodig.

(……)

Artikel XXVI (Overgangsrecht)

(……)

Artikel XXVI, onderdeel C (overgangsrecht Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Als gevolg van deze overgangsbepaling geldt het zevende lid van artikel 8 van de Wet Vpb niet voor voorzieningen of egalisatiereserves voor VUT-regelingen voorzover daarop het overgangsrecht in de loonbelastingsfeer van toepassing is

(……)

Artikel XXVIII (Samenloop)

Artikel XXVIII (samenloopbepaling Technische herstelwet 2003)

Het wetsvoorstel tot wijziging van belastingwetten c.a. (Technische herstelwet 2003) (Kamerstukken II 2002/03, 29 026) bevat een wijziging van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen waarbij een verwijzing wordt opgenomen naar artikel 11, eerste lid, onderdeel g, en 19b, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Met het onderhavige wetsvoorstel vervalt artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964. Hetzelfde geldt voor het zesde lid van artikel 19b van die wet, dat in aangepaste vorm wordt opgenomen in artikel 37. De onderhavige samenloopbepaling beoogt artikel 30i, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan deze wijzigingen aan te passen. Daarmee wordt geen inhoudelijke wijziging beoogt.

(……)

De Staatssecretaris van Financiën,

 

 

De Minister van Financiën,

 

 

Antwoorden openstaande vragen Technische Briefing Belastingplan 2004 c.a.

(……)

Antwoorden openstaande vragen Technische Briefing Belastingplan 2004 c.a.

Bijgaand ontvangt u de antwoorden op nog openstaande vragen die zijn gesteld tijdens de technische briefing op 24 september 2003 over het Belastingplan 2004 c.a. Met betrekking tot uw verzoek inzicht te geven in de economische effecten van het pakket van maatregelen rondom de eigen woning moet ik u helaas melden dat het onderzoek door het CPB nog loopt. De verwachting is dat de gevraagde effecten begin volgende week beschikbaar komen. Ik zal deze gegevens u dan zo snel mogelijk toesturen.

 

Vraag

Kan voor verschillende inkomensniveaus een cijfervoorbeeld worden gegeven hoe de maatregelen met betrekking tot VUT en prepensioen uitwerken en kan inzicht worden gegeven hoeveel iemand nog extra kan sparen als hij in 2006 met VUT wil gaan?

Antwoord

Hierna wordt een aantal algemene voorbeelden gegeven. Per individu kunnen de gevolgen van de in het Belastingplan 2004 voorgestelde maatregelen verschillen. Deze verschillen zijn onder andere afhankelijk van afspraken in de betreffende CAO of pensioenregeling, leeftijd, en het aantal gewerkte jaren. In de onderstaande voorbeelden is als uitgangspunt genomen dat de regelingen zelf niet wijzigen als gevolg van de voorgestelde maatregelen. De uitwerking is in praktijk bovendien afhankelijk van de afspraken die na het invoeren van de voorgestelde maatregelen worden gemaakt tussen werkgevers en werknemers.

Gehanteerde veronderstellingen

In onderstaande voorbeelden wordt van de volgende regeling uitgegaan: In een bedrijfstak bestaat een prepensioenregeling. Deze houdt in dat werknemers in 37,5 jaar een prepensioen opbouwen dat bij uittreden op 61-jarige leeftijd recht geeft op 75% van het laatstverdiende salaris, uit te keren tot de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (65 jaar). Per jaar bouwt een werknemer dus 2% prepensioen op.

Er geldt een aanvullende overgangsregeling voor werknemers die:

Bij uittreding op 61 jaar krijgen ze het door hen opgebouwde prepensioen aangevuld tot 75% van het laatstverdiende loon. Deze aanvulling wordt gefinancierd door middel van een premie over het loon van de actieven (omslagfinanciering, in fiscale zin gelijk aan een VUT-regeling).

De aangesloten werkgevers zijn over de loonsom een afzonderlijke premie verschuldigd voor de prepensioenregeling en de aanvullende overgangsregeling. De totale premie over de loonsom is 5%. Werkgevers en werknemers betalen ieder de helft van de premie.

Onderstaand wordt dit voorbeeld voor drie situaties uitgewerkt (een situatie waarin de prepensioenregeling pas is ingevoerd en dus nog volledig uit VUT bestaat, een situatie waarin men halverwege is met de omzetting van VUT in kapitaalgedekt prepensioen en een situatie waarin deze omzetting volledig is afgerond). In de situatie dat de prepensioenregelingen reeds 100% kapitaalgedekt zijn, is geen overgangsrecht meer van toepassing.

Voorbeeld 1

Voorbeeld 2

Voorbeeld 3

In de verschillende situaties wordt voor de bovenstaande drie voorbeelden steeds aangegeven wat de effecten zouden zijn als de regeling ongewijzigd wordt voortgezet na invoering van de maatregelen uit het BP04 en wat de effecten zouden zijn als de regeling niet wordt voortgezet als gevolg van de gewijzigde regelgeving. Daarbij is voor werknemer B (de uitkeringsgerechtigde) het inkomenseffect bij het niet voortzetten van de regeling niet van toepassing verklaard, omdat voor hem twee onvergelijkbare situaties ontstaan.

 

Tabel: Netto inkomensmutatie over 4 jaar in procenten ten opzichte van bestaande situatie

Bruto inkomen

VUT/prepensioenregeling

 

100% VUT
0% pp

50% VUT
50% pp

0% VUT
100% pp

24.000

     

Na BP04 doorgaan met prepensioenregeling

     

- werknemer A

-0,0%

-1,9%

-2,9%

- uitkeringsgerechtigde (wkn B)

-13,3%

-1,1%

0,0%

- werkgever

0%

0%

0%

Niet doorgaan met prepensioenregeling

     

- werknemer A

1,0%

2,8%

3,7%

- uitkeringsgerechtigde (wkn B)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

- werkgever

0%

0%

0%

30.000

     

Na BP04 doorgaan met prepensioenregeling

     

- werknemer A

-0,0%

-2,0%

-3,1%

- uitkeringsgerechtigde (wkn B)

-11,6%

-0,8%

0,0%

- werkgever

0%

0%

0%

Niet doorgaan met prepensioenregeling

     

- werknemer A

1,1%

2,9%

3,8%

- uitkeringsgerechtigde (wkn B)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

- werkgever

0%

0%

0%

60.000

     

Na BP04 doorgaan met prepensioenregeling

     

- werknemer A

-0,0%

-2,8%

-4,3%

- uitkeringsgerechtigde (wkn B)

-10,5%

-1,4%

0,0%

- werkgever

0%

0%

0%

Niet doorgaan met prepensioenregeling

     

- werknemer A

1,0%

3,1%

4,3%

- uitkeringsgerechtigde (wkn B)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

- werkgever

0%

0%

0%

 

Vraag

Kan inzicht worden gegeven in aantallen VUT/prepensioenregelingen c.q. aantal CAO's waarin dit voorkomt?

Antwoord

Op korte termijn zal door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Najaarsrapportage CAO afspraken 2003 worden aangeboden aan de Tweede Kamer. In deze rapportage wordt onder andere inzicht gegeven in de afspraken in CAO's met betrekking tot VUT en prepensioenregelingen.

 

Vraag

Kan inzicht worden gegeven hoeveel personen met ingang van 1-1-2005 met VUT zouden gaan. Met andere woorden hoeveel mensen zouden worden getroffen?

Antwoord

Op dit moment bestaat de groep VUT- en prepensioengerechtigden uit circa 120.000 VUT-ters en circa 110.000 mensen die met prepensioen zijn. Dit prepensioen is in veel gevallen voor een deel nog omslaggefinancierd. Bij een gemiddelde looptijd van 4 jaar van de uitkeringen, is de jaarlijkse in- en uitstroom ongeveer 25%. In 2005 zouden dus ongeveer 30.000 mensen met VUT gaan en ook bijna 30.000 met prepensioen. Van de 30.000 uittredende werknemers met prepensioen heeft een deel een volledig kapitaalgedekt prepensioen. Voor het overige deel, waarbij de uitkering gedeeltelijk op omslagbasis wordt gefinancierd, zullen de voorgestelde maatregelen voor het omslaggefinancierde deel dezelfde gevolgen hebben als voor VUT.

 

(……)

De Staatssecretaris van Financiën,

 

Mr. drs. J.G. Wijn

 

 

Kabinetsverklaring d.d. 14 oktober 2003 Principeakkoord Najaarsoverleg

Kabinetsverklaring d.d. 14 oktober 2003

CONCEPT

  1. Met het oog op de moeilijke economische situatie acht het kabinet een meerjarige loonmatiging van groot belang. Daar ligt een eigen verantwoordelijkheid van werkgevers- en werknemersorganisaties. Het kabinet hecht dan ook groot belang aan de verklaring van de Stichting van de Arbeid d.d. 14 oktober 2003 inzake de loonontwikkeling.
  2. In het licht van deze belangrijke ontwikkeling is het kabinet bereid de werkgevers en werknemers tegemoet te komen in hun wensen ten aanzien van bijstelling van het aangekondigde kabinetsbeleid op een aantal terreinen. Daarbij gaat het om de volgende tegemoetkomingen.
  3. VUT/prepensioen/levensloop
    De in het belastingplan 2004 opgenomen maatregelen ten aanzien van de beëindiging van de fiscale faciliëring VUT/prepensioen en de invoering van de voorgestelde levensloopregeling worden aangehouden.
    Het kabinet en de Stichting van de Arbeid zullen nader overleggen over het gehele stelsel van fiscale faciliëring tbv VUT/prepensioen en levensloop met als inzet het bereiken van overeenstemming voor april 2004 over het per 1 januari 2006 in te voeren stelsel, alsmede eventuele overgangsregelingen.
    Het kabinet gaat hierbij uit van een financiële enveloppe van 510 miljoen in 2006, 410 miljoen in 2007 en structureel 250 miljoen ten behoeve van het per 1 januari 2006 nieuw in te voeren stelsel. Daarbij kunnen verder betrokken worden de middelen die nu geraamd zijn voor de levensloopfaciliteit en de middelen voor de reeds bestaande verlofspaarregeling. Het kabinet realiseert zich dat dit budgettair kader niet vanzelfsprekend wordt onderschreven door de sociale partners.

Beschikbare middelen (x mln Euro)

 

2006

2007

Struct

Enveloppe

510

410

250

Levensloop

200

200

200

Verlofsparen

160

150

150

Totaal

870

760

600

 

De definitieve invulling van het pakket kan vastgelegd worden in het in 2004 vast te stellen Belastingplan 2005.

(……)

 

 

Brief bij Tweede Nota van Wijziging

(……)

Fiscale gevolgen principeakkoord Najaarsoverleg 2003; wijziging wetsvoorstel Belastingplan 2004 c.a. (29 210), wetsvoorstel Levensloopregeling (29 208) en wetsvoorstel overige fiscale maatregelen 2004 (29 035)

De sociale partners en het kabinet hebben op 14 oktober jl. in het kader van het Najaarsoverleg 2003 een principeakkoord bereikt. Over de inhoud van dit principeakkoord bent u bij brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mede namens de tweede ondergetekende d.d. 17 oktober jl., kenmerk AV/CAM/03/80298, geïnformeerd.

Onderdeel van dit principeakkoord betreft de afspraak dat de in het belastingplan 2004 opgenomen maatregelen ten aanzien van de afschaffing van de fiscale faciliering van VUT- en prepensioenregelingen en de invoering van de voorgestelde levensloopregeling worden aangehouden met het oog op nader overleg tussen de hiervoor genoemde partijen. Inzet van dit overleg is voor 1 april 2004 overeenstemming te bereiken over het per 1 januari 2006 in te voeren stelsel, alsmede eventuele overgangsregelingen.

De uitvoering van dit principeakkoord leidt ertoe dat de in het wetsvoorstel Belastingplan 2004 c.a. opgenomen maatregelen inzake de afschaffing van de fiscale faciliering van VUT- en prepensioenregelingen en de daarmee samenhangende flankerende maatregelen uit dit wetsvoorstel dienen te worden gehaald. Een daartoe strekkende nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2004 c.a. bieden wij u bijgevoegd aan. Wij doen dit in het vertrouwen dat de verklaring van de Stichting van de Arbeid d.d. 14 oktober 2003 inzake de loonontwikkeling zal worden bekrachtigd. Zou dit onverhoopt niet het geval zijn dan zal opnieuw een voorstel worden ingediend.

Eveneens ter uitvoering van dit principeakkoord verzoeken wij u, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de behandeling van het wetsvoorstel Levensloopregeling (29 208) tot nader orde aan te houden. Dit impliceert tevens dat de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof en de financieringsregeling loopbaanonderbreking (Finlo) vooralsnog worden gecontinueerd. Deze maatregelen zouden in het kader van de invoering van de levensloopregeling per 1 januari 2004 worden beëindigd.

De budgettaire consequenties van deze bijstelling ten opzichte van de bij uw Kamer ingediende voorstellen zien er als volgt uit.

Tabel 1 Budgettaire consequenties bijstelling kabinetsbeleid ten opzichte van het Belastingplan 2004 c.a. en wetsvoorstel levensloopregeling (mln euro; min is saldoverbeterend)

 

2004

2005

2006

2007

Structureel

Aanhouden VUT/prepensioen

-

750

130

130

0

Aanhouden levensloop

-70

-110

-

-

0

Voor een integraal financieel overzicht van de consequenties van het principeakkoord wordt verwezen naar de vorengenoemde brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de tweede ondergetekende.

De in het verslag inzake het Belastingplan 2004 opgenomen vragen met betrekking tot de afschaffing van de fiscale faciliëring VUT/prepensioen kunnen als gevolg van deze nota van wijziging vooralsnog niet worden beantwoord.

De vragen zullen worden betrokken bij het in het principeakkoord overeengekomen nader overleg over de vormgeving van bovengenoemde maatregelen.

Tot slot dient in dit kader te worden opgemerkt dat u op korte termijn in samenhang met de nota naar aanleiding van het verslag een volgende nota van wijziging op het wetsvoorstel belastingplan 2004 c.a. zal worden aangeboden.

 

De Staatssecretaris van Financiën,

 

 

De Minister van Financiën,

 

 

Tweede Nota van Wijziging

29210 Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

 

TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

 

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

I

Artikel II, onderdeel B, vervalt.

 

II

Artikel V, onderdelen A, B, D, L, M, N, O, P, Q, R, S, T, U, V, W, X, DD, EE, FF, GG, HH, II, JJ en KK, vervallen.

 

III

Artikel V, onderdeel CC, wordt vervangen door:

CC. In artikel 36a, eerste lid, wordt "artikel 11, eerste lid, onderdeel t" vervangen door: artikel 11, eerste lid, onderdeel r.

 

IV

Artikel VI, onderdelen A, B, C, F en G, vervallen.

 

V

Artikel XI, onderdeel B, wordt vervangen door:

B. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het zesde tot en met twaalfde lid tot zevende tot en met dertiende lid wordt na het vijfde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

6. Ingeval de belastingplichtige een lichaam is als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt voor de waardering van pensioenverplichtingen, in aanvulling op artikel 3.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat de verplichting niet hoger mag worden gewaardeerd dan volgens een stelsel dat correspondeert met een methode die bij verzekeraars als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een belangrijk deel van de pensioenovereenkomsten als uitgangspunt dient voor de bepaling van de premies ingevolge die overeenkomsten. Voorts geldt als aanvulling dat bij de waardering van de verplichting geen overlevingstafel (moet dat staffel zijn?)kan worden gehanteerd waarin rekening is gehouden met verwachtingen omtrent toekomstige levensverwachtingen en kan een leeftijdsterugstelling alleen worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.

2. In het tot elfde lid vernummerde tiende lid wordt "zesde lid" vervangen door: zevende lid.

 

VI

Artikel XI, onderdeel C, wordt vervangen door:

C. In artikel 18, eerste lid, wordt "artikel 8, eerste tot en met het zesde, achtste, tiende en twaalfde lid" vervangen door: artikel 8, eerste tot en met het zevende, negende, elfde en dertiende lid.

 

VII

Artikel XI, onderdeel D, vervalt.

 

VIII

Artikel XXII vervalt.

 

IX

Artikel XXIII vervalt.

 

X

Artikel XXVI, onderdeel C, vervalt.

 

XI

Artikel XXVIII vervalt.

 

XII

Artikel XXXI, tweede lid, wordt vervangen door:

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid treedt artikel XV, onderdeel C, in werking op 1 januari 2005.

 

 

Toelichting

In deze nota van wijziging zijn de aanpassingen van het wetsvoorstel Belastingplan 2004 opgenomen die voortvloeien uit het principeakkoord dat het kabinet en de sociale partners op 14 oktober 2003 hebben bereikt. Zoals blijkt uit de brief van 210 oktober jl. aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal betekent dit dat de maatregelen die betrekking hebben op de afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen en de bijbehorende flankerende maatregelen uit het Belastingplan 2004 worden verwijderd.

 

 

De Staatssecretaris van Financiën,

 

 

De Minister van Financiën,

 

 

Aanbiedingsbrief Nota naar aanleiding van het verslag

(……)

29210 Wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

Nota naar aanleiding van het verslag inzake het voorstel van wet houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004) (29 210) en een reactie op de brieven van de vaste commissie voor Financiën

Bijgaand bieden wij u de nota naar aanleiding van het verslag inzake het bovenvermelde voorstel aan.

Tevens reageren wij op de verzoeken van de vaste commissie voor Financiën uit uw Kamer d.d. 23 oktober 2003. De vaste commissie verzoekt daarin de eerste ondergetekende uiterlijk voor 7 november 2003 de door de commissie gestelde vragen van feitelijke aard betreffende de VUT- en prepensioenmaatregelen en de levensloopregeling te beantwoorden. Voor zover vragen niet kunnen worden beantwoord, vraagt de commissie dit te motiveren.

In onze brief van 21 oktober 2003 hebben we aangegeven dat we de vragen betreffende VUT-en prepensioen vooralsnog niet beantwoorden. Met betrekking tot het wetsvoorstel levensloopregeling hebben we verzocht om de behandeling van dit wetsvoorstel aan te houden en ook de beantwoording van de vragen aan te houden.

Naar aanleiding van uw verzoeken heeft de afgelopen dagen beraad plaatsgevonden. De conclusie van dit beraad is dat wij hechten aan onze verzoeken gedaan in de brief van 21 oktober 2003. De motieven hiervoor zijn als volgt. Doordat er geen regeringsvoorstel over het VUT- en prepensioen ligt, wordt de beantwoording van vragen daarover niet opportuun geacht. Beantwoording van deze vragen en die over de levensloopregeling leidt naar onze mening tot een ongewenste versnippering van de discussie. Ook willen wij niet vooruitlopen op het met de sociale partners nog te voeren nader overleg over de vormgeving van bovengenoemde maatregelen. Uiteraard zijn wij bereid op het moment waarop voor de VUT- en prepensioen opnieuw een voorstel wordt gedaan en de behandeling van het wetsvoorstel levensloop – al dan niet in gewijzigde vorm – wordt voortgezet, alle vragen - voor zover dan relevant - te beantwoorden.

 

Wij zouden ons thans willen concentreren op een vruchtbare behandeling van die fiscale regeringsvoorstellen waarvan de beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2004 is voorzien.

De Staatssecretaris van Financiën,

 

 

De Minister van Financiën,

 

 

Nota naar aanleiding van het verslag

29 210 Wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004)

Nota naar aanleiding van het Verslag

1. Algemeen

1.1. Aanhef
Met waardering hebben wij kennis genomen van de vragen van de verschillende fracties (CDA, PvdA, VVD, GroenLinks, D66, SP, ChristenUnie, SGP en LPF) over de voorgestelde maatregelen in dit Belastingplan. Wij stellen het op prijs dat het verslag in een korte tijdspanne tot stand is gekomen. Wij zullen de gestelde vragen zo adequaat mogelijk beantwoorden. In de eerste plaats om de na de technische briefing van 24 september jl. nog overgebleven technische vragen van deze leden te beantwoorden. In de tweede plaats om in deze nota onze beleidskeuzes en afwegingen nader toe te lichten en daarbij ook de door de leden naar voren gebrachte visies en argumenten te betrekken, zodat alle argumenten worden gewisseld die nodig zijn om tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2004 in de Tweede Kamer een afgewogen oordeel te kunnen maken.
Voorts merken wij op deze plaats het volgende op. Bij brief van 21 oktober 2003 hebben wij een nota van wijziging op het onderhavige wetsvoorstel ingediend die er toe strekt de voorstellen met betrekking tot de afschaffing van de fiscale faciliering van VUT- en prepensioen uit het Belastingplan te halen. Wij achten het daarom niet meer opportuun de vragen in het verslag daarover te beantwoorden. In hoofdstuk 3 van deze nota wordt dit nader gemotiveerd. Deze vragen zullen wij graag beantwoorden wanneer hierover opnieuw een voorstel wordt gedaan. Dat zelfde geldt voor de vragen over het wetsvoorstel levensloopregeling. Het kabinet wil de behandeling daarvan in samenhang met de behandeling van het VUT- en prepensioen laten plaatsvinden en wil daarom nadrukkelijk ook de behandeling van het wetsvoorstel levensloop opschorten.

(……)

3. AFSCHAFFEN FACILIΛRING VUT- EN PREPENSIOENREGELINGEN
De sociale partners en het kabinet hebben op 14 oktober jl. in het kader van het Najaarsoverleg 2003 een principeakkoord bereikt. Onderdeel van dit principeakkoord betreft de afspraak dat de in het Belastingplan 2004 opgenomen maatregelen ten aanzien van de afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen en de invoering van de voorgestelde levensloopregeling worden aangehouden met het oog op nader overleg tussen de hiervoor genoemde partijen. Inzet van dit overleg is vóór 1 april 2004 overeenstemming te bereiken over het per 1 januari 2006 in te voeren stelsel, alsmede eventuele overgangsregelingen.
De uitvoering van dit principeakkoord leidt ertoe dat de in het wetsvoorstel Belastingplan 2004 c.a. opgenomen maatregelen inzake de afschaffing van de fiscale faciliering van VUT- en prepensioenregelingen en de daarmee samenhangende flankerende maatregelen uit dit wetsvoorstel dienen te worden gehaald. De voorstellen maken daarmee dus niet langer onderdeel uit van het Belastingplan 2004. In het vertrouwen dat de verklaring van de Stichting van de Arbeid d.d. 14 oktober 2003 inzake de loonontwikkeling zal worden bekrachtigd, is hiertoe 21 oktober jl. bij brief (AFP 2003-733) een nota van wijziging aan uw Kamer toegezonden. Het afzonderlijke wetsvoorstel levensloop wordt wat betreft het kabinet qua behandeling opgeschort.
De fractieleden van de verschillende partijen hebben te kennen gegeven verheugd te zijn dat het principeakkoord met sociale partners leidt tot een heroverweging van de voorstellen. Hoewel als gevolg hiervan de voorstellen met betrekking tot het afschaffen van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen uit het Belastingplan zijn verwijderd, worden nog wel verscheidene vragen gesteld en opmerkingen geplaatst.
Om de discussie niet te versnipperen en om te voorkomen dat vooruitgelopen wordt op het met sociale partners nog te voeren nader overleg over de vormgeving van bovengenoemde maatregelen, zoals in het principeakkoord overeen is gekomen, gaan wij niet in op de vragen en opmerkingen die zijn gemaakt. De in het verslag gestelde vragen zullen worden betrokken bij dit nader overleg. Wij zullen bij het voorstel dat naar aanleiding van dit nader te voeren overleg met sociale partners naar uw Kamer wordt gezonden, uitgebreid komen te spreken over dit onderwerp. Alle relevante vragen en opmerkingen moeten in samenhang worden bezien en zullen dan ook op dat moment in de discussie worden betrokken.
De leden van de fractie van de PvdA vragen aandacht voor de wijzigingen van de pensioenregeling bij het ABP. Het overleg hierover is door de bonden onlangs opgeschort. Deze leden vragen hoe hoog een kostendekkende pensioenpremie (in percentage van het loon) is indien de regeling wel en indien de regeling niet wordt aangepast en welke loonkosten dit voor de overheidswerkgevers met zich mee brengt.
Werkgevers en werknemers in de sector overheid en het pensioenfonds ABP hebben gezamenlijk gewerkt aan een oplossing om de financiële positie van het ABP te versterken. Het herstelplan van het ABP ziet op een verhoging van de premies voor ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen en een beperking van de indexatie voor gepensioneerden en werkenden. Statutair is momenteel een premiesprong van maximaal 2%-punt toegestaan. Een kostendekkende premie (inclusief kortetermijnsolvabiliteitstoeslag) zou leiden tot een premie in 2004 van 22,4% (2003: 15,2%). Dit zou een loonkostenstijging voor de overheidswerkgevers betekenen van 2,65%-punt. Omdat een premietoename van 7,2%-punt als onwenselijk wordt beschouwd, hebben vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers afspraken gemaakt over een versobering van het ambitieniveau. Hierdoor kan de premie beperkt blijven tot een niveau van 19%. Deze versobering wordt bereikt door een overgang van een eindloonstelsel naar een middelloonstelsel en door aanpassingen in het nabestaandenpensioen. Voor de overheidswerkgever betekent een premie van 19% (die voor 75% voor zijn rekening komt) een verhoging van de loonkosten met 1,4%-punt. De centrales voor overheidspersoneel hebben deze wijzigingen voorgelegd aan hun achterban, waarbij het akkoord in samenhang wordt bezien met de uitkomsten van het Najaarsoverleg.

(……)

7. MAATREGELEN PENSIOENFONDSEN EN WONINGCORPORATIES
De leden van de fractie van het CDA vragen of de scheiding tussen commerciële en niet-commerciële activiteiten kan leiden tot misbruik door verliesgevende niet-commerciële activiteiten te verpakken als commerciële activiteiten waardoor verliesverrekening mogelijk is.
Omdat de administratie van pensioenfondsen op grond van daaraan door het Burgerlijk Wetboek en de toezichthouders gestelde eisen een grote mate van transparantie moet hebben zal daaruit op relatief eenvoudige wijze blijken of en zo ja in welke mate sprake is van commerciële activiteiten. Wij hebben in dat verband geen aanleiding om te veronderstellen dat pensioenfondsen zich met het door deze leden bedoelde misbruik zullen inlaten.

7.1. Belasten commerciële activiteiten pensioenfondsen
Het voorstel om de commerciële activiteiten van pensioenfondsen in de belastingheffing te betrekken, is in het Belastingplan als volgt uitgewerkt. Voorgesteld wordt om de in artikel 5 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 opgenomen vrijstelling voor pensioenfondsen zodanig aan te passen dat die vrijstelling van toepassing is behoudens voorzover die fondsen voordelen behalen uit werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van pensioen- en VUT-regelingen. In de memorie van toelichting is aangegeven dat de nadere invulling van wat onder die commerciële activiteiten moet worden verstaan, bij nota van wijziging zou plaatsvinden aan de hand van de conclusies van de Commissie Staatsen, of - als die conclusies niet tijdig beschikbaar zouden zijn of niet voldoende helder zouden zijn - door de regering zelf. De leden van de fracties van het CDA, de PvdA en de VVD plaatsen vraagtekens bij deze procedure voor de invulling van het begrip commerciële activiteiten van pensioenfondsen.

Naar aanleiding hiervan willen wij allereerst herinneren aan het tweeledige doel dat met deze procedure werd beoogd. Aan de ene kant uitvoering geven aan het Hoofdlijnenakkoord, dat voorziet in de heffing van vennootschapsbelasting over de commerciële activiteiten van pensioenfondsen. Aan de andere kant recht doen aan de wens om rekening te houden met de uitkomsten van de commissie Staatsen.
Mede gezien de vele vragen die deze procedure heeft opgeroepen, hebben wij die nog eens bezien. Wij zijn daarbij tot de conclusie gekomen dat met een enigszins andere aanpak meer recht kan worden gedaan aan het tweede van de bovengenoemde doelstellingen. Die andere aanpak houdt in, dat wordt afgezien van een nadere invulling van het begrip "werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van pensioen- of VUT-regelingen" bij nota van wijziging. De consequentie daarvan is dat dit begrip in artikel 5 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 moet worden uitgelegd aan de hand van de maatschappelijke opvattingen op dit punt. De aanbevelingen die Commissie Staatsen zal doen, het standpunt dat het kabinet terzake zal innemen, en de discussie daarover met de Kamer, spelen daarbij uiteraard een belangrijke rol. Dat geldt ook voor mogelijke toekomstige wijzigingen in de Pensioenwet op dit punt. Met deze aanpak wordt uitvoering gegeven aan het Hoofdlijnenakoord, zonder dat vooruit wordt gelopen op de uitkomsten van de maatschappelijke discussie over commerciële activiteiten. Onzes inziens wordt hiermee tegemoet gekomen aan de aarzelingen die de leden van de bovengenoemde fracties op dit punt hadden.
De leden van de fracties van CDA en PvdA geven te kennen dat zij zich kunnen vinden in de afweging om commerciële activiteiten van pensioenfondsen te betrekken in de heffing van de vennootschapsbelasting. Voor zover deze leden weten vinden de commerciële activiteiten van pensioenfondsen echter plaats in aparte dochterondernemingen die al vennootschapsbelasting moeten betalen. Mede tegen die achtergrond vragen de leden van de fracties van CDA, PvdA en D66 naar een nadere onderbouwing van de verwachte budgettaire opbrengst van het onderhavige wetsvoorstel.
Volgens het Strategisch akkoord en het Hoofdlijnenakkoord bedraagt de structurele budgettaire opbrengst van het belasten van commerciële activiteiten naar verwachting circa € 100 mln. De bandbreedte van deze raming is relatief ruim, en is mede afhankelijk van de nadere invulling van het begrip commerciële activiteiten, en het gedeelte dat uiteindelijk onder de belastingheffing zal kunnen vallen. Uitgangspunt is dat de nadere concretisering van commerciële activiteiten door pensioenfondsen aan de hand van de conclusies van de Commissie Staatsen zal plaatsvinden. Mogelijk kunnen commerciële activiteiten voor een deel al zijn ondergebracht in aparte dochterondernemingen (BV of NV), die belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting.
De leden van de fractie van de PvdA geven aan groot belang te hechten aan de beleggingsvrijheid van pensioenfondsen. Zij zijn van mening dat beleggen een kernactiviteit is. De leden van de fractie van de VVD vragen om een nadere afbakening van het begrip beleggen. Deze leden vragen bovendien of hieronder ook de handel in aandelen, derivaten en goederen moeten worden begrepen en waar de scheidslijn ligt. Ook vragen zij in dit verband of de regering zich bewust is van het mogelijke effect op pensioenfondsen bij onduidelijkheid c.q. onvolkomenheid in de formulering van genoemde begrippen.

Ten aanzien van de toepassing van artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is er altijd van uitgegaan dat beleggen door pensioenfondsen rechtstreeks verband houdt met hun doelstelling. Dat zij daarbij een ruime mate van vrijheid hebben, staat niet ter discussie. Voor wat betreft het onderscheid tussen beleggen en ondernemen gaan wij ervan uit dat de rapportage van de commissie Staatsen hierover duidelijkheid zal geven.
De leden van zowel de PvdA-fractie als de VVD-fractie vragen de regering in te gaan op de verhouding tussen de mededeling van de Europese Commissie van 19 april 2001 over de opheffing van fiscale barrières voor grensoverschrijdende bedrijfspensioenregelingen en het voorstel om commerciële activiteiten van pensioenfondsen te belasten.
In haar mededeling propageert de Commissie bredere acceptatie in de EU van het zogenaamde "VVB-regime" (vrijgesteld-vrijgesteld-belast) bij het belasten van pensioenen door de lidstaten. Dit regime houdt in dat pensioenpremies onbelast zijn (in de praktijk wil dat zeggen dat premiebetalingen aftrekbaar zijn van het te belasten inkomen), dat de pensioenaanspraak is vrijgesteld en dat ten slotte de pensioenuitkering belast wordt. Dit systeem geldt in Nederland, maar volgens de Commissiemededeling ook in tien van de andere huidige lidstaten. Als meer lidstaten hetzelfde systeem zouden toepassen, aldus de Commissie, dan zou dit dubbele belasting en dubbele niet-belasting als gevolg van het uiteenlopen van fiscale regime helpen terugdringen. De Commissie is daarbij zeker niet van plan om wetgevende maatregelen voor te stellen om de belastingheffing van pensioenen in de lidstaten te harmoniseren.
De gedeeltelijke opheffing van de subjectieve vrijstelling van pensioenfondsen ziet slechts op commerciële activiteiten die geen verband houden met het uitvoeren van pensioen- en of VUT regelingen. Voor het aanbieden van pensioenproducten blijven de fondsen vrijgesteld. Deze vrijstelling betekent dat de pensioenaanspraak in beginsel onbelast blijft. In zoverre blijft het zogenaamde VVB regime in Nederland van toepassing en blijft Nederland in de pas lopen met de lijn die is uitgezet door de Commissie, terwijl tegelijkertijd het oneigenlijke concurrentievoordeel dat ontstaat door de volledige subjectieve vrijstelling van pensioenfondsen wordt weggenomen.
Zowel de leden van de fractie van de PvdA als de leden van de fractie van de VVD vragen of de introductie van een partiële vennootschapsbelastingplicht voor pensioenfondsen consequenties heeft voor vrijstelling van dividendbelasting van inkomsten uit Amerikaanse beleggingen. Naar aanleiding van deze vraag merken wij het volgende op. Op grond van artikel 35, eerste lid, van het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag komen in Nederland gevestigde pensioenfondsen die uitsluitend werkzaam zijn in de sfeer van het beheren en verstrekken van pensioenen, in aanmerking voor een vrijstelling van de Amerikaanse bronheffing op dividend en rente. Daarbij geldt als voorwaarde dat het inkomen van een dergelijk pensioenfonds in Nederland algemeen ("generally") is vrijgesteld van belastingheffing. Van belang daarbij is dat bij het 'uitsluitend werkzaam zijn' met het beheren en verstrekken van pensioenen gekeken wordt naar de aanwending van de inkomsten en niet naar de bron van de inkomsten. Het behalen van inkomsten via bedrijfsmatige activiteiten leidt er op zichzelf bezien dus niet toe dat niet meer aan dit criterium wordt voldaan.
Ingevolge de huidige Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn (inkomsten van) pensioenfondsen integraal vrijgesteld van belastingheffing. Het onderhavige voorstel leidt ertoe dat een beperkt deel van de inkomsten van pensioenfondsen – namelijk de inkomsten uit bedrijfsmatige, commerciële activiteiten – voortaan wel in de heffing van de vennootschapsbelasting wordt betrokken. Naar onze mening doet deze wijziging echter niet af aan het feit dat als uitgangspunt blijft gelden dat pensioenfondsen in zijn algemeenheid vrijgestelde entiteiten zijn omdat de inkomsten uit de kernactiviteiten van de pensioenfondsen vrijgesteld zijn en blijven van belastingheffing. In de Verenigde Staten geldt op dit punt een vergelijkbare benadering. In de Verenigde Staten kunnen entiteiten die zijn vrijgesteld van belastingheffing, zoals pensioenfondsen, ter zake van inkomsten uit "unrelated trade or business" al geruime tijd in de heffing worden betrokken. Ondanks deze 'beperkte belastingplicht' worden deze entiteiten in de Verenigde Staten nog steeds als algemeen vrijgestelde entiteiten gekwalificeerd. Amerikaanse pensioenfondsen die belasting betalen over inkomsten uit "unrelated trade or business" worden door Nederland als algemeen vrijgesteld aangemerkt en kunnen derhalve in aanmerking komen voor een vrijstelling van dividendbelasting of dividenden die zijn vanuit Nederland ontvangen.

Tegen deze achtergrond bezien zijn wij van mening dat, nu voor Nederlandse pensioenfondsen een algemene vrijstelling blijft gelden, deze pensioenfondsen ook na de introductie van de partiële belastingplicht voor inkomsten uit commerciële activiteiten, aanspraak moeten kunnen blijven maken op de vrijstelling van bronheffing op dividenden en renten die vanuit de Verenigde Staten worden ontvangen.
Voor de goede orde merken wij nog wel op dat in het tweede lid van artikel 35 van het Nederlands-Amerikaanse belastingverdrag (onder meer) is vastgelegd dat de vrijstelling van bronheffing op dividend en rente niet geldt voor de inkomsten die een pensioenfonds uit bedrijfsmatige activiteiten verkrijgt.
De leden van fractie van de VVD merken op dat pensioenfondsen bevoegd zijn om pensioenregelingen uit te voeren die fiscaal als bovenmatig worden aangemerkt. Zij wijzen daarbij op netto-netto pensioentoezeggingen. De uitvoering van dergelijke regelingen lijkt dientengevolge te behoren tot de kerntaken van pensioenfondsen. Deze leden wijzen er op dat artikel 5 van de wet, en dan met name het nieuwe derde lid daarvan, aan deze uitvoering in de weg staat. Dit wordt naar de mening van de fractieleden van de VVD veroorzaakt doordat de vrijstelling van vennootschapsbelasting alleen geldt voorzover pensioenfondsen regelingen uitvoeren in de zin van de wettelijke bepalingen op de loonbelasting. Deze leden zijn van mening dat de uitvoering van dergelijke regelingen behoort tot de kerntaken van pensioenfondsen en niet in de vpb-sfeer belast behoort te worden.
Naar aanleiding hiervan wijzen wij erop dat er op dit punt geen sprake is van een wijziging van de wettekst, maar slechts van een herschikking van de bestaande tekst. Deze herschikking heeft slechts ten doel om te komen tot een betere leesbaarheid.
De leden van de fracties van GroenLinks en D66 vragen wanneer de commissie Staatsen met haar conclusies zal komen. De datum waarop het rapport van de commissie Staatsen zal worden gepresenteerd is vastgesteld op 3 november 2003.
Deze fractieleden van GroenLinks vragen welk budgettair belang gemoeid was met het voornemen om een heffing te leggen op vermogensoverschotten van pensioenfondsen.
Het Wetsvoorstel heffing over vermogensoverschotten van pensioenfondsen is in 1989 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 1988/1989, 21 197). Achtergrond van deze aparte heffing was pensioenfondsen te stimuleren om in plaats van vermogen te accumuleren, de pensioenrechten te verbeteren of de pensioenpremies te laten dalen. Verwacht werd dat een budgettaire opbrengst op indirecte wijze zou ontstaan, doordat de verlaging van de premies, respectievelijk de verbetering van rechten, tot extra inkomsten zou leiden van de inkomstenbelasting, de premies volksverzekeringen en de vennootschapsbelasting. Op basis van de toenmalige inzichten uit jaarverslagen van pensioenfondsen en de destijds gemaakte veronderstellingen is een extra belasting- en premieopbrengst gepresenteerd die oploopt van circa € 55 mln in 1989 naar € 345 in 1994, en vervolgens weer afloopt naar circa € 155 in 2005. Sinds 1992 is de behandeling van genoemd voorstel van wet in de Tweede Kamer aangehouden. Naar aanleiding van advies van de Raad van State zal het kabinet bevorderen dat het wetsvoorstel wordt ingetrokken.

Het is de leden van de fractie van D66 onduidelijk waarom niet eveneens wordt overgegaan tot het belasten van de commerciële activiteiten van bijvoorbeeld gemeenten, zoals indertijd voorgesteld is in de Contourenschets verruiming vennootschapsbelastingplicht voor overheidsbedrijven uit 1999 en met betrekking tot de belastingplicht van gemeentelijke vervoerbedrijven. In een brief van de minister-president is aangegeven dat de behandeling van het wetsvoorstel 'markt en overheid' niet of pas na wijziging zal worden voortgezet (30 augustus 2002, 02M437766). Het kabinet zal hieromtrent met een standpunt komen. Daar de verruiming van de Vpb-plicht voor overheidsbedrijven binnen de problematiek van 'markt en overheid' valt, verwijst het kabinet hierbij naar genoemd standpunt.

(……)

8. OVERIGE MAATREGELEN

8.1. Reparatie waardering pensioenverplichtingen in eigen beheer
De leden van de CDA-fractie vragen zich af of met betrekking tot de pensioenverplichtingen in eigen beheer in 2005-2007 zich wel een tekort van € 350 mln zal voordoen. De waarderingsmethodes die dit tekort zouden veroorzaken, zouden al sinds 1995 gebruikt zijn. Als dat zo is, vragen de leden van de CDA-fractie zich af of de voorgenomen reparatiemaatregelen wel nodig zijn.
Sinds 1995 dient de waardering van pensioen in eigen beheer plaats te vinden met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. In september 2001 heeft de Hoge Raad beslist dat bij de waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer tegenover slechts enkele uitkeringsgerechtigden de zogenoemde premie-koopsom-methode aanvaarbaar is. In augustus 2002 heeft de Hoge Raad beslist dat ook de zogenoemde premie-bij-indiensttreding-methode voor de waardering van een in eigen beheer gehouden pensioenverplichting in een dergelijke situatie is toegestaan. Voor het leeuwendeel van de belastingplichtigen geldt dat zij de koopsommethode hebben toegepast. Slechts een beperkt aantal belastingplichtigen stelde zich op het standpunt dat de premie-koopsom-methode of de premie-bij-indiensttreding-methode zou zijn toegestaan.
Nu de uitkomst van de procedure over de premie-bij-indiensttreding-methode bekend is, moet gevreesd worden dat belastingplichtigen met een pensioen in eigen beheer massaal zullen overstappen van de koopsommen-methode naar de premie-bij-indiensttreding-methode. Te verwachten valt dat belastingplichtigen met een pensioen in eigen beheer op de eindbalans van 2002 een veel hogere pensioenverplichting zullen opnemen dan tot nu toe werd aangenomen. Daardoor valt de fiscale winst in 2002 onverwacht aanzienlijk lager uit, en treedt een kasverschuiving van naar schatting € 350 mln op ten nadele van de belastingopbrengst van 2003/2004.
De reparatiemaatregelen treden op 1 januari 2004 in werking. Naar verwachting zullen deze maatregelen in de jaren 2005-2007 een opbrengst van € 350 mln opleveren, even hoog als de incidentele derving in 2003/2004.

De leden van de fracties het CDA en de VVD vragen zich af of - indien leeftijdsterugstelling niet meer wordt toegestaan - niet meer directeur-grootaandeelhouders (DGA's) zullen kiezen om hun pensioen onder te brengen bij professionele verzekeraars. Deze leden vragen om hoeveel mensen het hierbij kan gaan en wat dan de budgettaire gevolgen zijn.
Bij de keuze van een DGA met betrekking tot de wijze van pensioenopbouw staan verschillende overwegingen tegenover elkaar. Het aantrekkelijke van een pensioen in eigen beheer is er vooral in gelegen dat er niets hoeft te worden afgestort waardoor de financieringsruimte van de onderneming behouden blijft. Ook komt in geval van vooroverlijden, het opgebouwde pensioenvermogen (de sterftewinst) in principe aan zijn erfgenamen toe. Aan de andere kant blijft bij de opbouw van een pensioen in eigen beheer fondsvorming over het algemeen achterwege. Tegenover de pensioentoezegging staat slechts een passiefpost op de balans van de onderneming. Daardoor bestaat het risico dat er uiteindelijk niet voldoende middelen in de onderneming zijn om de pensioenaanspraak te kunnen nakomen. Het aantrekkelijke van het onderbrengen van het pensioen bij een professionele verzekeraar is de zekerheid die de afzonderlijke fondsvorming met zich brengt. In het kader van deze afweging speelt de toepassing van een leeftijdsterugstelling een ondergeschikte rol. Wij verwachten dan ook geen gedragseffecten van betekenis.

Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA of wordt overwogen om de aankoop van een verzekeringspolis ofwel 'de iure' ofwel 'de facto' verplicht te stellen, kan ontkennend worden geantwoord.
De leden van de VVD-fractie merken op dat het in de praktijk gebruikelijk is dat verzekeringsmaatschappijen een leeftijdsterugstelling toepassen bij de berekening van pensioenen en lijfrenten. In het Belastingplan wordt voorgesteld om de leeftijdsterugstelling voor pensioen in eigen beheer af te schaffen met als argument dat bij verzekeringmaatschappijen een zogenaamde autoselectie plaatsvindt (personen die een lijfrente verzekeren leven langer) die in eigen beheer niet zou plaatsvinden. Deze leden zetten vraagtekens bij de juistheid van dit argument. Deze leden vragen zich bovendien af of dit discriminatie op kan leveren.
Zoals in de memorie is opgemerkt, zien wij geen reden om het DGA-pensioen gunstiger te behandelen dan dat van een gewone werknemer. Daar waar beide vormen van pensioenopbouw wezenlijk van elkaar verschillen is het daarentegen heel goed verdedigbaar om deze parallel te doorbreken. Een punt waarbij dit laatste aan de orde is, is het verschijnsel van autoselectie. Dit verschijnsel berust op de ervaring dat personen die zich wenden tot een professionele verzekeraar met de bedoeling een lijfrente (pensioen) te kopen, langer leven dan op grond van de geldende overlevingstafel kan worden verwacht. Dit doet zich voor in de situatie dat men zich wendt tot een professionele verzekeraar, en ook werkelijk premies wenst af te storten. In de eigen-beheersituatie wendt men zich echter juist niet tot een professionele verzekeraar en wordt er in beginsel ook niets afgestort, zodat het verschijnsel van autoselectie zich hier niet voor kán doen. Eerder zou hier zelfs sprake kunnen zijn van een "omgekeerde" autoselectie, in die zin dat wanneer men verwacht of weet dat de eigen gezondheidssituatie slechter is dan gemiddeld, men juist de eigen-beheersituatie opzoekt omdat in die situatie "de sterfte winst" niet toevalt aan de professionele verzekeraar, maar aan de nabestaanden. Daarom houdt het voorstel in dat een leeftijdsterugstelling wegens zogenoemde autoselectie in de eigen-beheersituatie niet langer is toegestaan. Gezien de verschillen tussen beide vormen van pensioenopbouw levert dit naar ons oordeel geen discriminatie op.
De leden van de fractie van de VVD vragen of de beslissing van de Hoge Raad dat de premie-koopsom-methode aanvaardbaar is, niet had kunnen worden voorzien, aangezien deze methode bij professionele verzekeraars niet ongebruikelijk is en volgens de memorie thans ook bij eigen beheer aanvaardbaar is?
De Hoge Raad heeft met name beoordeeld of het gevolgde waarderingsstelsel in strijd zou kunnen zijn met de regels van goed koopmansgebruik. Hierbij bleek niet van belang of een dergelijke waarderingsmethode in de praktijk in relatie met derden op een schaal van betekenis voorkomt. Dit laatste kan ook worden afgeleid uit de uitspraak over de premie-bij-indiensttredingmethode. De Hoge Raad achtte deze methode niet in strijd met goed koopmansgebruik, ofschoon deze methode in de praktijk (vrijwel) niet voorkomt.
In het huidige voorstel geldt als uitgangspunt dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij hetgeen tussen onafhankelijke partijen gebruikelijk is. Gelet op de huidige praktijk op dit punt bij professionele verzekeraars, is in de memorie opgemerkt dat de premie-koopsom-methode naar huidige inzichten ook in de eigen beheersituatie aanvaardbaar is. Omdat de premie-bij-indiensttredingmethode bij pensioenen die zijn onder gebracht bij professionele verzekeraars (vrijwel) niet voorkomt, brengt het hiervoor genoemde uitgangspunt mee deze methode uit te sluiten.
Voorts vragen deze leden waarom de budgettaire last van de premie-koopsommethode, alhoewel dit een aanvaardbare methode is, toch weer bij de BV's met een pensioen in eigen beheer wordt gelegd.
Wij gaan ervan uit dat deze leden doelen op de aanvullende maatregel met betrekking tot de leeftijdsterugstelling. Zoals in het voorgaande is aangegeven, is deze maatregel ingegeven door de overweging dat pensioenopbouw in eigen beheer en pensioenopbouw bij een professionele verzekeraar op dit punt wezenlijk verschillen.

Het antwoord op de vraag van deze leden of de maatregel met betrekking tot de leeftijdsterugstelling betekent dat de belastingopbrengsten in de toekomst lager zullen zijn, luidt ontkennend.
De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de beperking van de zogenoemde leeftijdsterugstelling bij pensioen in eigen beheer ertoe zal leiden dat pensioenen minder vaak in eigen beheer zullen worden gehouden, en zo ja, wat dan de budgettaire gevolgen zouden zijn.
Zoals hier voor al is aangegeven biedt een pensioen in eigen beheer voor met name directeuren-grootaandeelhouders voordelen in vergelijking met een pensioen dat elders wordt beheerd. Eén van de grote voordelen van een pensioen in eigen beheer is dat pensioenvermogen binnen de onderneming blijft. Het valt niet te verwachten dat een beperking van de leeftijdsterugstelling veel directeuren-grootaandeelhouders ertoe zal bewegen hun pensioenbeheer uit te besteden. Dat betekent dat uit hoofde daarvan geen budgettaire gevolgen te verwachten zijn.

(……)

12. TENSLOTTE
De leden van de fracties van de PvdA en de D66 verzoeken gemakshalve de regering in te gaan op brieven van het VNO-NCW, de NOB, de Vereniging voor Bedrijfstakpensioenfondsen, de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen en het Verbond voor Verzekeraars, voorzover de vragen die in die brieven worden gesteld niet aan de orde zijn gekomen in het Verslag.

(……)

Reparatie waardering pensioenverplichtingen in eigen beheer
De Orde heeft moeite met het voorstel inzake de waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer omdat de zogenoemde premie-bij-indiensttreding-methode niet langer mogelijk is, terwijl deze methode eerder door de Hoge Raad is geaccepteerd.
De Orde gaat er, kort gezegd, van uit dat in de uitspraak van de HR besloten ligt dat deze methode ook in de praktijk bij professionele verzekeraars zal voorkomen. Naar aanleiding hiervan wijzen wij erop dat in het bedoelde arrest is overwogen dat " Buiten geschil is dat (…) is uitgegaan van rekenrente en sterftekansen die kunnen worden aangemerkt als 'algemeen aanvaarde actuariële grondslagen' als bedoeld in artikel 9b" van de Wet IB 1964 (thans artikel 3.29 Wet IB 2001). Daarmee is naar onze mening nog niet gezegd dat een dergelijke waarderingsmethode in de praktijk in relatie met derden op een schaal van betekenis voorkomt. Het toelaten voor het DGA-pensioen van een zeer gunstig waarderingsstelsel, dat weliswaar is gebaseerd op actuariële grondslagen, maar in de praktijk in relatie met derden nauwelijks voorkomt, zou ertoe leiden dat het DGA-pensioen structureel gunstiger wordt behandeld dan dat van een gewone werknemer.
Wij kunnen ons niet vinden in de opmerking van de Orde dat sprake is van een achterhoedegevecht aangezien de lineaire methode reeds in 1995 is afgeschaft. Het voorstel strekt er immers toe om de in eigen beheer toe te passen waarderingsstelsels beter te laten aansluiten met wat in de praktijk in relatie met professionele verzekeringsmaatschappijen als gangbaar kan worden beschouwd. In de huidige context betekent dit dat bijvoorbeeld de premie-koopsom-methode gewoon kan worden toegepast. Ook biedt het voorstel de flexibiliteit om in te spelen op ontwikkelingen die zich in de praktijk in relatie met professionele verzekeraars kunnen voordoen.
Verder merkt de Orde op dat het voorgestelde artikel 8, zesde lid, eerste volzin, Wet Vpb 1969 te vaag is geformuleerd, omdat in feite continu moet worden gekeken naar wat in de praktijk in relatie met professionele verzekeraars als gangbaar kan worden beschouwd. De Orde meent dat dit criterium onwerkbaar is.
Wij delen deze opvatting niet. De bepaling laat ruimte om aan te sluiten bij toekomstige ontwikkelingen bij professionele verzekeringsmaatschappijen. Men hoeft echter niet in deze ontwikkelingen mee te gaan, zolang de waardering maar niet leidt tot een bedrag dat uitgaat boven hetgeen gebruikelijk kan worden geacht. In de toelichting wordt een aantal waarderingsstelsels genoemd dat in de huidige context zeker voldoet. Onduidelijkheid kan alleen ontstaan in het geval de grenzen van het gebruikelijke worden opgezocht.
Voorts vindt de Orde het uit wetsystematisch oogpunt vreemd dat het aanvullende waarderingskader alleen geldt voor lichamen als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, Wet LB 1964, en niet voor de in onderdeel e van dat artikel genoemde natuurlijke personen. De Orde had opname van de voorgestelde bepaling in de Wet IB 2001 logischer gevonden.

De achtergrond van de huidige plaatsing is dat een ondernemer die onderworpen is aan de inkomstenbelasting zichzelf geen pensioenrechten kan toekennen. Voor hem geldt de regeling van de fiscale oudedagsreserve en het instrument van de lijfrentepremieaftrek. In zeer uitzonderlijke situaties is het mogelijk dat een IB-ondernemer een pensioenverplichting die hij is aangegaan jegens een werknemer ingevolge de Pensioen- en spaarfondsenwet niet behoeft onder te brengen bij een professionele verzekeraar. Toegegeven zij dat die uitzonderlijke situaties niet door de voorgestelde maatregel worden bestreken.
De Orde voert aan dat pensioenlichamen zowel een fiscale- als een PSW-berekening moeten maken, en vraagt te komen tot meer coördinatie tussen de fiscale- en PSW-regelgeving waardoor tot administratieve lastenverlichting kan worden gekomen. Naar wij aannemen ziet deze vraag ook op verschillen tussen de commerciële en de fiscale balans. Ten aanzien daarvan kan worden opgemerkt dat een belastingplichtige het zelf in de hand heeft of voor de fiscale en de commerciële balans van dezelfde waarderingsmethode wordt uitgegaan.
Verder vraagt de Orde zich af of kortgezegd rekening gehouden mag worden met prognoses omtrent toekomstige leeftijdsverwachtingen.
Het antwoord hierop is dat het voorstel de toepassing van een leeftijdsterugstelling beperkt tot een correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum. Bij de waardering van de verplichting kan dus geen overlevingstafel worden gehanteerd waarin rekening is gehouden met prognoses omtrent toekomstige levensverwachtingen.
Wij maken van de gelegenheid gebruik om aan te geven dat er in het Belastingplan zoals dat naar de Kamer is gestuurd abusievelijk een onjuiste tekst is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting op artikel XI, onderdeel B (artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting). Het betreft de eerste acht alinea's. Deze beginnen met "Tot 1995 kon pensioen in eigen beheer, wat met name voorkomt…" en eindigen met "Tot dit moment kan dus niet worden gedoteerd". Dit fragment komt reeds voor in het Algemeen gedeelte van de memorie van toelichting. In de artikelsgewijze toelichting had de volgende tekst moeten staan, die wel was opgenomen in het wetsvoorstel zoals dat is voorgelegd aan de Raad van State:
"Het nieuwe zesde lid van artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geeft een aanvullend kader voor de waardering van een pensioenverplichting die voor een directeur-grootaandeelhouder in eigen beheer wordt gehouden. Het gaat om een aanvulling op het meer algemene waarderingsvoorschrift dat voor pensioen- en overige verplichtingen reeds in artikel 3.29 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is gegeven.
De eerste volzin van het zesde lid strekt ertoe om het waarderingsstelsel dat in eigen beheersituaties wordt toegepast in de pas te laten lopen met wat in de praktijk in relatie met professionele verzekeringsmaatschappijen als gangbaar kan worden beschouwd. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt met de methode die bij professionele verzekeraars in een belangrijk deel - dat wil zeggen in meer dan 30 procent - van de afgesloten pensioenovereenkomsten wordt gebruikt als uitgangspunt voor het vaststellen van de premies. In de huidige context betekent dit dat in ieder geval gebruik van de koopsommethode en de zuivere premie-methode is toegestaan, maar dat met name het gebruik van de premie-bij-indiensttreding-methode (de methode uit HR 9 augustus 2002, nr. 36 578, BNB 2003/25c* en HR 9 augustus 2002, nr. 36 930, BNB 2003/26c*) niet langer zal zijn toegestaan.
De tweede volzin van het nieuwe zesde lid schrijft het gebruik voor van een overlevingstafel (voorheen ook wel aangeduid als: sterftetafel) die is gebaseerd op overlevingskansen zoals die tot aan de balansdatum zijn waargenomen (en waarin dan geen correctie is opgenomen vanwege veronderstellingen omtrent het gemiddeld ouder worden van de mens vanwege betere leefomstandigheden, zoals betere medische verzorging et cetera). In dit verband kan verwezen worden naar de overlevingstafel die door het Actuarieel Genootschap is opgesteld (AG-tafels 1995-2000, Actuarieel Genootschap, Woerden, 2002). Voorts is sprake van een beperking van de mogelijkheid om in de eigen beheersituatie een leeftijdsterugstelling toe te passen. Het voorschrift beperkt deze mogelijkheid tot het toepassen van een leeftijdsterugstelling wegens technische correctie. Zodoende is een leeftijdsterugstelling wegens zogenoemde autoselectie niet langer toegestaan."

(……)

 

De Staatssecretaris van Financiën,

 

De Minister van Financiën,

 

 

Brief aan Tweede Kamer beantwoording feitelijke vragen (brief 28 november 2003, AFP 2003-00851)

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA 'S-GRAVENHAGE

 

Datum

Uw brief (Kenmerk)

Ons kenmerk

28 november 2003

AFP 2003-00851

Onderwerp

Belastingplan 2004 (29210), beantwoording feitelijke vragen afschaffing fiscale faciliëring VUT- en prepensioenregelingen en levensloopregeling (29208)

 

 

 

 

In het akkoord tussen het kabinet en sociale partners is afgesproken dat de in het belastingplan 2004 opgenomen maatregelen ten aanzien van de afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen en de invoering van de voorgestelde levensloopregeling worden aangehouden met het oog op nader overleg tussen het kabinet en sociale partners. Inzet van dit overleg is voor april 2004 overeenstemming te bereiken over het per 1 januari 2006 in te voeren stelsel, alsmede eventuele overgangsregelingen. Het pakket aan maatregelen met betrekking tot de afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen is, naar aanleiding van het op 14 oktober jl. tussen kabinet en sociale partners gesloten akkoord, bij de tweede nota van wijziging op het belastingplan 2004 uit dit wetsvoorstel verwijderd. Tevens is het wetsvoorstel levensloopregeling aangehouden.

Conform mijn toezegging worden in deze brief de in het verslag bij het belastingplan 2004 (29210) opgenomen vragen van feitelijke aard die zien op het totale pakket oorspronkelijk voorgestelde maatregelen met betrekking tot de afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen alsnog beantwoord. Tevens worden de later toegezonden vragen van feitelijke aard over dit onderwerp beantwoord. Eveneens conform mijn toezegging worden, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de in het verslag bij het wetsvoorstel levensloopregeling (29208) opgenomen vragen van feitelijke aard beantwoord. Ook voor dit onderwerp worden de later toegezonden vragen van feitelijke aard beantwoord.

Maatregelen betreffende afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT- en prepensioenregelingen

Vergrijzing en participatie

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe de stijgende trend van arbeidsparticipatie van ouderen zich ontwikkelt, door toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, vermindering van het aantal WAO-ers en de ombouw van VUT- naar prepensioenregelingen, in de komende 20 jaar zonder de voorgestelde maatregelen. Deze leden vragen verder de regering in dit kader laten zien wat het effect op de arbeidsparticipatie is geweest van het ombouwen van VUT naar prepensioen in de afgelopen jaren (hoeveel werknemers hebben nog een VUT-regeling en hoeveel werknemers hebben al een gecombineerde VUT/prepensioenregeling). Tevens vragen zij wat het effect op de arbeidsparticipatie zou zijn als de ombouw van VUT naar prepensioen versneld zou worden en het prepensioen fiscaal gefacilieerd blijft. Deze leden vragen verder wat de extra toename zou zijn van de arbeidsparticipatie van de door haar oorspronkelijk voorgestelde maatregelen.

De arbeidsparticipatie van ouderen (55 t/m 64 jaar) stijgt volgens berekeningen van het CPB uit 2000 van 33,5% in 2003 tot 41,2% in 2023 (Bron: Ageing in the Netherlands). Deze stijging wordt grotendeels veroorzaakt door de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen in deze leeftijdscategorie van 19% in 2003 tot 35% in 2023. Bij deze berekeningen is uitgegaan van de vormgeving van het fiscale en sociale stelsel ten tijde van de berekeningen (2000). Er is dus geen rekening gehouden met de invloed van beleidsmaatregelen op onder andere de arbeidsparticipatie van ouderen uit het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord. Over de exacte omvang van het effect van de nieuwe WAO-maatregelen op de arbeidsparticipatie van ouderen kan op dit moment geen uitspraak worden gedaan. Een lange termijn doorrekening daarvan is niet beschikbaar. Bovendien heeft het kabinet nog geen wetsvoorstel voor de inrichting van het toekomstige WAO-stelsel ingediend. Daarbij speelt dat het kabinet als gevolg van de afspraken uit het Najaarsakkoord de SER heeft verzocht in januari 2004 advies uit te brengen over drie thema's rondom de WAO. Ondanks dat een kwantificering niet beschikbaar is, kan wel gesteld worden dat de WAO-maatregelen een substantieel positief effect op de participatie van ouderen zullen hebben. In de brief over het nieuwe WAO-stelsel die op 16 september naar de Kamer is verzonden (Hoofdlijnen stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen) staat dat de maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord op termijn leiden tot een daling van het WAO-volume met 30% (d.w.z. 300.000 personen) ten opzichte van een situatie bij ongewijzigd beleid. Aangezien het WAO-bestand voor een aanzienlijk deel uit ouderen bestaat, ligt het voor de hand dat ook in deze groep het aantal arbeidsongeschikten wordt beperkt en zo het arbeidsaanbod en de werkgelegenheid wordt bevorderd.

Ook het effect van de ombouw van VUT- naar prepensioenregelingen op de arbeidsparticipatie van ouderen is lastig te kwantificeren. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat sociale partners in het transitieproces van het VUT- naar het prepensioenregime lange overgangstermijnen hebben afgesproken. Door de geleidelijke afbouw zijn de meeste regelingen voor vervroegde uittreding/pensionering op dit moment nog grotendeels gebaseerd op het omslagstelsel (VUT) en slechts beperkt op basis van een kapitaaldekkingstelsel (prepensioen). Uit een CBS-statistiek op het gebied van vervroegde uittreding en vervroegde pensionering over de periode 1995-2000 blijkt dat vanaf 1996 een duidelijke verschuiving zichtbaar is van VUT naar prepensioen. Tussen 1996 en 2000 nam het aantal personen met een VUT-uitkering jaarlijks met gemiddeld circa 10.000 af en nam het aantal personen met een prepensioenuitkering jaarlijks met hetzelfde aantal toe. Volgens deze statistiek hadden in 2000 113.000 personen een VUT-uitkering en 66.000 personen een prepensioenuitkering. Cijfers van de Arbeidsinspectie uit 2001 geven aan dat op dat moment voor tien procent van de werknemers alleen een VUT-regeling bestond en voor tachtig procent van de werknemers een gecombineerde VUT/prepensioenregeling. Pas rond 2020 zullen, na het aflopen van de overgangstermijnen, de meeste VUT-regelingen zijn vervangen door prepensioenregelingen zonder omslagelementen.

Het versneld ombouwen van de VUT- naar prepensioenregelingen heeft naar verwachting een positief effect op de arbeidsparticipatie van ouderen. In plaats van de hoge impliciete belasting op langer doorwerken in een VUT-regeling wordt in een prepensioenregeling aangesloten bij een actuarieel neutraal systeem waarin de kosten voor vervroegd uittreden niet meer kunnen worden afgewenteld op het collectief. Dit zorgt er voor dat ouderen geen impliciete belasting meer betalen op langer doorwerken en dus geprikkeld worden om te blijven participeren. Verder is van belang dat in de praktijk bij omvorming van VUT- naar prepensioenregelingen de (veronderstelde) uittreedleeftijd vaak wordt verhoogd. Het is niet aan te geven wat het effect zou zijn van een versnelde ombouw in het geval het prepensioen fiscaal gefacilieerd blijft. Overigens blijft de bepaling van de duur van de overgangstermijnen een zaak van de sociale partners.

Op dit moment is het CPB bezig met het in kaart brengen van de kwantitatieve effecten van de beleidsmaatregelen op de arbeidsparticipatie van ouderen. In een kwalitatieve analyse stelt het CPB dat de afschaffing van de fiscale faciliëring van prepensioensparen tot een toename van de arbeidsparticipatie van ouderen zal leiden (CPB-memorandum 76). Hoe groot dit effect is hangt uiteindelijk af van de vraag of, en zo ja hoe de sociale partners maatregelen op sectoraal niveau zullen repareren.

Naar aanleiding van de vragen van de leden van de fractie van PvdA over het aantal werknemers dat met dan wel zonder fiscale faciliëring met VUT of prepensioen zou gaan wordt het volgende opgemerkt.

Jaarlijks gaan ongeveer 30.000 werknemers met VUT en ongeveer 30.000 met prepensioen. Daarbij is een geleidelijke verschuiving zichtbaar van VUT naar prepensioen. Bij de berekening van de budgettaire effecten van de aanvankelijk in het BP 2004 opgenomen voorstellen met betrekking tot VUT en prepensioen is er voorzichtigheidshalve van uitgegaan dat vanaf de datum van inwerkingtreding van deze voorstellen werknemers niet meer met VUT zouden gaan. Voor zover werknemers na die datum nog met de VUT zouden gaan, zou de budgettaire opbrengst hoger uitkomen dan het in het BP 2004 ingeboekte bedrag als gevolg van de heffing ineens over de aanspraak. Op dezelfde wijze is bij prepensioenen verondersteld, dat er na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel geen prepensioen meer wordt opgebouwd. Het antwoord op de vraag in hoeverre werknemers na afschaffing van de fiscale faciliëring feitelijk nog gebruik zouden maken van VUT of prepensioen is volledig afhankelijk van de gedragsreacties van sociale partners. Bij invoering van de bovengenoemde maatregelen zouden sociale partners een afweging moeten maken tussen de extra kosten die het gebruik van prepensioen- en VUT-regelingen met zich meebrengt enerzijds en het belang dat aan die regelingen wordt gehecht anderzijds.

Maatregelen

De leden van de fractie van de PvdA vragen om, tegen de achtergrond van de circulaire van de PVK van 160895 en de uitspraak PJ 2002, 124, 30 oktober 2002 arrondissementsrechtbank Den Haag en gezien het voorgestelde verschillende fiscaal kader vanaf 31-12-2004, helder te omschrijven wanneer een regeling een VUT-regeling is en wanneer een prepensioenregeling. In dit kader willen deze leden ook weten of de FPU-regeling bij het ABP een VUT-regeling of een prepensioenregeling is.

Bij het antwoord op deze vraag is in de eerste plaats van belang, dat er geen eenduidige, voor alle rechtsgebieden toepasbare definitie van een VUT-regeling bestaat. Hoewel VUT-regelingen in het algemeen op omslagbasis worden gefinancierd en pensioenregelingen in het algemeen op basis van kapitaaldekking worden gefinancierd, is dit geen onderscheidend criterium. In verband met het ontbreken van een eenduidige, algemeen geldende definitie, is in de Wet op de loonbelasting 1964 expliciet aangegeven, wanneer er voor de toepassing van die wet sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding. Onder de huidige regeling geldt voor regelingen voor vervroegde uittreding op hoofdlijnen dezelfde fiscale behandeling als voor (pre)pensioenregelingen (aanspraken vrijgesteld, uitkeringen belast), zodat tot nu toe kon worden volstaan met de huidige, enigszins globale definitie. In het Belastingplan 2004 was een voorstel voor een nieuwe, scherpere definitie opgenomen. Dit was nodig in verband met het feit, dat op grond van de aanvankelijk in het Belastingplan 2004 opgenomen voorstellen voor regelingen voor vervroegde uittreding een andere fiscale behandeling zou gelden dan voor (pre)pensioenregelingen (bij regelingen voor vervroegde uittreding zou de aanspraak op het moment direct voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen worden belast en zouden de door de werknemer betaalde premies aftrekbaar zijn op het moment van betaling; bij prepensioenregelingen zou de aanspraak tijdens de opbouw worden belast en zou de door de werknemer betaalde premie in mindering komen op de waarde van deze aanspraak). Op grond van dit voorstel zou onder een regeling voor vervroegde uittreding worden verstaan iedere regeling die is bedoeld om voorafgaand aan of in aanvulling op een fiscaal gefacilieerde pensioenregeling of de AOW te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen. In de definitie was tevens bepaald, dat een regeling niet als regeling voor vervroegde uittreding wordt aangemerkt, voor zover die regeling een toezegging omtrent pensioen omvat in de zin van het bepaalde bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet. Bij toepassing van deze definitie zou de FPU-regeling van het ABP in fiscale zin moeten worden gesplitst in een deel dat wordt behandeld als een regeling voor vervroegde uittreding en een deel dat wordt behandeld als (pre)pensioen.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat het bij de aanvankelijk in het Belastingplan 2004 voorgestelde tekst van het vierde lid van artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 zou kunnen voorkomen, dat werknemers die al op jonge leeftijd betaalde arbeid zijn gaan verrichten onder omstandigheden al op 58-jarige worden geconfronteerd met het feit dat hun opbouw moet stoppen om voor fiscale faciliëring in aanmerking te blijven komen. Deze leden vragen of dit niet tot leeftijdsdiscriminatie zou leiden.

Naar mijn mening kan niet worden gesteld, dat de door deze leden genoemde bepaling tot leeftijdsdiscriminatie zou leiden. De in die bepaling opgenomen begrenzing biedt iedere werknemer, ongeacht leeftijd, onder dezelfde voorwaarden de mogelijkheid om een fiscaal gefacilieerd pensioen op te bouwen, dat ingaat bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en op dat moment niet meer bedraagt dan 70%-eindloon. Werknemers die al op jonge leeftijd beginnen met pensioenopbouw, maar ook werknemers die weliswaar pas beginnen met pensioenopbouw bij de nog steeds in veel pensioenregelingen gehanteerde toetredingsleeftijd van 25 jaar, maar wel ieder jaar de fiscaal toegestane ruimte voor opbouw maximaal benutten, zullen uiteraard eerder de genoemde grens van 70%-eindloon bereiken dan werknemers die op 25-jarige leeftijd beginnen met pensioenopbouw en daarbij niet de maximale ruimte per dienstjaar volledig benutten. De genoemde grens is derhalve niet gekoppeld aan leeftijd, maar uitsluitend aan de hoogte van het pensioen, dat op enig moment is opgebouwd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat de in de huidige tekst van artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen begrenzing van 100%-eindloon, afgezien van de hoogte van deze grens, dezelfde werking heeft.

De leden van fractie van de PvdA vragen of het tegen de achtergrond van het Pensioenconvenant 1997 geoorloofd is om nu de voorgestelde aanpassing van het fiscale stelsel door te voeren. In 1997 heeft het kabinet zich het recht voorbehouden om de fiscale behandeling van pensioenen terug te brengen van maximaal 70% eindloon naar maximaal 70% middelloon. Bij de evaluatie van het convenant in 2001 is geconstateerd dat de kwantitatieve afspraken over kostenbeheersing zijn gehaald en dat de voorgestelde maatregelen in de fiscale sfeer geen doorgang behoefden te vinden. De huidige voorstellen gaan nog steeds uit van 70% eindloon; er is geen voorstel om over te stappen op een maximum van 70% middelloon. Wel is in de nieuwe voorstellen de pensioenleeftijd op 65-jarige leeftijd gesteld. Dit is omdat inmiddels duidelijker is dat met het oog op de vergrijzing ouderenparticipatie bevorderd moet worden, wat ook in Europees verband is afgesproken. In dit licht vindt de regering de voorgestelde aanpassingen geoorloofd.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de fiscale hoofdregel (aanspraken belast, uitkeringen belastingvrij) wel kan gelden bij niet-individueel toerekenbare opgebouwde rechten, zoals het geval is bij de VUT-regeling.

Naar mijn mening is het feit dat er sprake is van niet-individueel toerekenbare opgebouwde rechten geen beletsel om de fiscale hoofdregel toe te passen en dus de aanspraken te belasten. Om zowel uitvoeringsproblemen als een te lage heffing te voorkomen, is het daarbij echter wel noodzakelijk om het fiscale genietingsmoment te verschuiven naar het moment waarop deze rechten onherroepelijk vaststaan. Daarom is bij de aanvankelijk in het Belastingplan 2004 opgenomen voorstellen bepaald, dat aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding geacht worden niet eerder te zijn genoten dan op het moment direct voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen.

Daarnaast vragen deze leden met betrekking tot de bovengenoemde voorstellen of het met terugwerkende kracht invoeren van een fiscaal regime juridisch houdbaar is. Naar mijn mening is er bij deze voorstellen formeel geen sprake van terugwerkende kracht. Wel zou met betrekking tot de aanvankelijk in het Belastingplan 2004 voorgestelde maatregelen inzake de fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding kunnen worden gesteld, dat er sprake is van terugwerkende kracht in materiële zin. In het Belastingplan 2004 was in het overgangsrecht een uitdrukkelijke wettelijke bepaling opgenomen op grond waarvan bestaande aanspraken op grond van een VUT-regeling kunnen worden belast bij het ingaan van de uitkeringen. Zonder deze bepaling zou voor alle op 31 december 2004 bestaande VUT-aanspraken het huidige regime moeten blijven gelden. Dat wil zeggen dat uitkeringen die hieruit voortvloeien belast zouden moeten zijn en niet de aanspraak ineens bij het ingaan van de uitkering. Dit zou echter in de praktijk niet uitvoerbaar zijn. Het zou in dat geval noodzakelijk zijn om de aanspraken en de uitkeringen te splitsen in een belast deel en een onbelast deel (voor en na 31 december 2004 ontstaan), hetgeen tot grote waarderingsproblemen en administratieve lasten zou leiden. Om die reden is er voor gekozen het voorgestelde overgangsregime zo vorm te geven, dat in het verleden vrijgestelde VUT-aanspraken ineens zouden worden belast op het moment direct voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen. Daar stond tegenover dat de uitkeringen dan volledig - ook voor zover deze voortvloeien uit het deel van de aanspraak dat voor 1 januari 2005 is ontstaan - onbelast zijn. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat voor situaties waarin de uitkeringen reeds voor 1 januari 2005 zijn ingegaan, het huidige regime zou blijven gelden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen voorts of het in alle bedrijfstakken zo is dat de VUT-uitkeringen worden betaald uit de lopende premieopbrengsten (omslagfinanciering) en er in het geheel geen fondsvorming heeft plaatsgehad. In antwoord op deze vraag kan ik meedelen, dat mij in ieder geval geen bedrijfstakken bekend zijn, waarin structureel fondsvorming plaatsvindt ten behoeve van het doen van VUT-uitkeringen in een ander jaar dan het jaar waarin de daarvoor bestemde premies worden betaald, behoudens in situaties waarin een begin is gemaakt met de omzetting van een VUT-regeling in een prepensioenregeling. De leden van de fracties van het CDA en van de VVD vragen hoe het voorstel om de huidige regeling voor aftrekbaarheid van de door de werknemer betaalde VUT-premie te handhaven zich verhoudt tot het voorstel om de fiscale faciliëring van VUT-regelingen per 1 januari 2005 af te schaffen. De wijze waarop de betaalde premie wordt vergolden, staat in beginsel los van het laten vervallen van de fiscale faciliëring van VUT-regelingen. De fiscale faciliëring van VUT-regelingen houdt in dat de omkeerregel wordt toegepast. Op grond van de omkeerregel zijn de aanspraken vrijgesteld en worden de uitkeringen die later uit deze aanspraken voortkomen belast. Het afschaffen van de fiscale faciliëring houdt in, dat de aanspraken worden belast en de uitkeringen worden vrijgesteld. De wijze van vergelden van de door de werknemer betaalde premies, staat los van het al dan niet toepassen van de omkeerregel.

De leden van de fractie van de VVD vragen voorts een toelichting op een aantal passages in de memorie van toelichting over de overgang van box 1 naar box 3. Volgens deze leden geldt voor na 1 januari 2005 eventueel nog op te bouwen aanspraken op prepensioen of overbruggingspensioen dat ze überhaupt niet fiscaal gefacilieerd zijn en dus meteen in box 3 terecht komen, zodat er in die situatie geen sprake is van overgang van box 1 naar box 3.

Voor zover na 1 januari 2005 nog prepensioenaanspraken worden opgebouwd, zou de waarde van dat deel van de aanspraak bij de in het belastingplan 2004 opgenomen voorstellen belast worden in box 1. Na de heffing in box 1 gaan deze aanspraken over naar box 3 en wordt de waarde van de in totaal opgebouwde aanspraken hier jaarlijks in de vermogensrendementsheffing betrokken. Aanspraken die voor 1 januari 2005 zijn opgebouwd, zouden bij deze voorstellen tot en met de uitkeringsfase in box 1 blijven.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het voorstel om de VUT-aanspraken in een keer fiscaal te belasten uitpakt voor iemand die op zijn 60ste in een keer zijn belastingverplichtingen tot zijn 65ste jaar heeft voldaan maar die komt te overlijden op zijn 61ste. Zij willen met name weten of de erfgenamen in dat geval aanspraak kunnen maken op de resterende vooruitbetaalde belastingverplichtingen.

Net als op grond van de oorspronkelijke voorstellen overigens bij de fiscale behandeling van prepensioen het geval zou zijn, zou ook bij VUT het recht op de toekomstige uitkeringen worden belast voordat de uitkeringen ingaan. Hierdoor zou het inderdaad ook bij VUT-aanspraken mogelijk zijn, dat achteraf bezien over een hoger bedrag belasting zou worden betaald dan het bedrag van de feitelijk ontvangen uitkeringen. Bij die voorstellen zouden erfgenamen geen aanspraak kunnen maken op een deel van de over de aanspraak betaalde belasting. Hetzelfde geldt overigens in andere situaties waarin een werknemer een belaste aanspraak geniet.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de VVD of een omschrijving kan worden gegeven van het begrip 'aanspraak' wordt het volgende opgemerkt. Over de exacte definitie van het begrip aanspraak bestaat in de jurisprudentie en de fiscale literatuur geen overeenstemming. In de fiscale literatuur wordt vaak de volgende omschrijving gehanteerd: van een aanspraak is sprake indien naast de contante beloning een voorziening voor een werknemer wordt getroffen, krachtens welke die werknemer of zijn nabestaanden aanspraken verwerven om op een toekomstig tijdstip al dan niet onder bepaalde voorwaarden in het genot te worden gesteld van een of meer uitkeringen. In het algemeen moet die voorziening zich er voor lenen dat de werkgever de daaruit voortvloeiende aanspraken dekt door daarvoor in eigen beheer een fonds op te bouwen, of daarvoor stortingen te doen bij derden.

Overgangsrecht

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoeveel regelingen inmiddels zijn aangepast aan het Witteveenkader en hoeveel regelingen nog moeten worden aangepast. Wij beschikken niet over gegevens in welke mate pensioenregelingen al dan niet zijn aangepast. De indruk bestaat dat veel regelingen nog niet zijn aangepast. Volgens een globale schatting voldoet op dit moment zeker de helft van alle pensioenregelingen nog niet aan het Witteveenkader. De indruk bestaat dat de aanpassing van deze pensioenregelingen bewust is uitgesteld tot het einde van de geboden overgangstermijn om zo lang mogelijk gebruik te kunnen maken van het tot de invoering van het Witteveenkader bestaande regime.

De leden van de fractie van de PvdA vragen verder welk tijdschema volgens de regering realistisch gehanteerd kan worden door werkgevers, werknemers en uitvoerders om de aanvankelijk in het Belastingplan 2004 voorgestelde aanpassingen voor 1-1-2005 doorgevoerd te krijgen.

Naar mijn mening was het voorgestelde tijdschema niet onrealistisch. Wij onderschrijven de stelling van de leden van de fractie van de PvdA dat pensioen een zaak is van lange adem. Anders dan deze leden zien we hierin echter geen reden om niet naar aanleiding van de huidige ontwikkelingen tot aanpassing van het fiscale pensioenstelsel over te gaan. Om het pensioenstelsel ook in de toekomst, op het hoogtepunt van de vergrijzing, te kunnen handhaven is nu een structurele aanpassing nodig om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen. Naar het oordeel van de regering kan niet worden gesteld, dat de overheid zich hier een onbetrouwbare partner toont. Bij veranderende omstandigheden en vooruitzichten moet het mogelijk zijn om op het moment dat dit noodzakelijk is maatregelen te nemen om structurele problemen te voorkomen.

De leden van de fracties van het CDA en van de VVD vragen of het met betrekking tot prepensioen voorgestelde overgangsrecht geen lege huls is. Zij verwijzen hierbij naar de tekst van het tweede lid van het aanvankelijk in het Belastingplan voorgestelde artikel 38d Wet op de loonbelasting 1964 in samenhang met de in het huidige artikel 38a gestelde voorwaarde dat de opbouw van prepensioen in tenminste 10 jaren 'onmiddellijk voorafgaand aan de ingangsdatum van het prepensioen' moet plaatsvinden. Zoals deze leden aangeven kan aan deze voorwaarde niet meer worden voldaan voor de regelingen die nog in opbouw zijn als na 1 januari 2005 de fiscale faciliteiten zijn geschrapt. Deze leden veronderstellen dat hierdoor (pre)pensioenrechten die reeds waren opgebouwd op het moment dat de fiscale faciliëring wordt afgeschaft niet meer kunnen worden ingezet voor het doel waarvoor zij zijn opgebouwd. Op grond van de systematiek van de wet geldt een wijziging van de mogelijkheid om fiscaal gefacilieerd pensioen op te bouwen uitsluitend voor aanspraken die na de inwerkingtreding van die wijziging worden opgebouwd, tenzij nadrukkelijk anders bepaald. Dat betekent dat voor de reeds vóór het moment van inwerkingtreding opgebouwde aanspraken de destijds geldende fiscale behandeling blijft gelden. Anders dan deze leden veronderstellen was het tweede lid van artikel 38d Wet op de loonbelasting 1964, zoals oorspronkelijk voorgesteld in het Belastingplan 2004, derhalve niet nodig om prepensioenrechten die reeds waren opgebouwd op het moment dat de fiscale faciliëring wordt afgeschaft nog in te kunnen zetten voor het doel waarvoor zij zijn opgebouwd. De bepaling in het tweede lid van artikel 38d was het gevolg van de omstandigheid dat ook prepensioenregelingen in het algemeen nog grotendeels op omslagbasis worden gefinancierd uit de premies die worden ingehouden op het loon van de werkenden. Om te voorkomen dat lopende prepensioenuitkeringen zouden moeten worden stopgezet en ook geen prepensioenuitkeringen ingevolge reeds opgebouwde aanspraken zouden kunnen worden gedaan, was met het tweede lid van artikel 38d geregeld, dat de premies die betrekking hebben op dergelijke uitkeringen aftrekbaar zouden blijven.

De leden van de fracties van het CDA en van de VVD vragen of voor overbruggingspensioen een beperktere overgangsregeling geldt dan voor prepensioen. Zij wijzen hierbij op het verschil in formulering van het aanvankelijk in het Belastingplan opgenomen artikel 38d Wet op de loonbelasting 1964 enerzijds en het daarin eveneens opgenomen artikel 38f Wet op de loonbelasting anderzijds. Op basis van de tekst van het laatstgenoemde artikel veronderstellen zij, dat bestaande overbruggingspensioenrechten na 1 januari 2005 alleen maar kunnen worden ingebracht in een regeling voor ouderdomspensioen.

Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangegeven, geldt een wijziging van de mogelijkheid om fiscaal gefacilieerd pensioen op te bouwen op grond van de systematiek van de wet uitsluitend voor aanspraken die na de inwerkingtreding van die (wets)wijziging ontstaan, tenzij nadrukkelijk anders bepaald. Dat betekent dat voor die vóór het moment van wijziging ontstane aanspraken de destijds geldende fiscale behandeling blijft gelden. Anders dan deze leden veronderstellen was het tweede lid van artikel 38d derhalve niet nodig om prepensioenrechten die reeds waren opgebouwd op het moment dat de fiscale faciliëring wordt afgeschaft nog in te kunnen zetten voor het doel waarvoor zij zijn opgebouwd. Om dezelfde reden was ook geen afzonderlijke bepaling nodig om te bewerkstelligen dat een bestaande aanspraak op overbruggingspensioen nog kon worden ingezet voor het doel waarvoor deze was opgebouwd. Voor overbruggingspensioen gold wat dat betreft derhalve geen beperktere overgangsregeling dan voor prepensioen. Hiermee is ook de vraag van de leden van de fractie van de PvdA met betrekking tot het overgangsrecht voor overbruggingspensioen beantwoord.

Naar aanleiding van de tekst van het aanvankelijk in het Belastingplan 2004 opgenomen artikel 38c, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964, waarin werd bepaald dat artikel 13b Wet op de loonbelasting 1964 eveneens van toepassing is voor aanspraken op VUT die zijn ontstaan na 1 januari 2005, vragen de leden van de fractie van het CDA en van de VVD hoe dit zich verhoudt tot het feit, dat artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 na die datum is vervallen en er dus geen sprake meer is van fiscaal gefacilieerde opbouw.

In tegenstelling tot het eerste lid van artikel 38c, ziet het tweede lid van artikel 38c niet op regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i, maar geldt deze bepaling voor alle regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in het aanvankelijk in het Belastingplan 2004 voorgestelde artikel 13b, derde lid. Op grond van deze bepaling was niet van belang in hoeverre er sprake was van een in het verleden fiscaal gefaciliëerde aanspraak.

Administratieve lasten

De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel de administratieve lastendruk toeneemt als gevolg van de extra gegevensverstrekking van werkgever aan werknemer in verband met het vervallen van de omkeerregeling voor prepensioen- en overbruggingspensioenregelingen.

De veronderstelling van deze leden dat er sprake zal zijn van extra gegevensverstrekking door de werkgever delen wij niet. Normalerwijze vindt er in het kader van de desbetreffende regelingen al informatievoorziening aan de werknemer plaats door de aangewezen pensioenuitvoerder, bijvoorbeeld over de opgebouwde of toegekende aanspraken. Voor de bepaling van de waarde voor box 3 kan in beginsel bij dergelijke informatie worden aangesloten. Daarmee wordt zoveel mogelijk vermeden dat er extra gegevensverstrekking plaats moet vinden.

Overig

De leden van de fractie vragen of het feitelijk nog steeds mogelijk is bij Koninklijk Besluit de verlaging van de binnen het Witteveenkader geldende opbouwpercentages op een later tijdstip alsnog door te voeren, nu de vorig jaar doorgevoerde wijzigingen met betrekking tot het opbouwpercentage volgens deze leden in het wetsvoorstel niet werden teruggedraaid. Anders dan deze leden veronderstellen zou het bij Koninklijk Besluit verlagen van de opbouwpercentages niet meer mogelijk zijn bij de aanvankelijk in het Belastingplan 2004 opgenomen voorstellen. Dit was geregeld in het aanvankelijk voorgestelde artikel XXIII van het Belastingplan. Dit artikel is overigens gelet op de samenhang met de overige voorstellen eveneens bij de 2e nota van wijziging uit het Belastingplan 2004 verwijderd.

 

Wetsvoorstel Levensloopregeling

(……)

Opname voorafgaand aan pensionering

De leden van de CDA-fractie vragen of het mogelijk is om 50% van de arbeidsduur te verminderen en vervolgens met gebruikmaking van een andere (al dan niet fiscale) regeling (een deel van) de overige arbeidsduur te verminderen.

Deze leden doelen waarschijnlijk op de in het wetsvoorstel levensloopregeling opgenomen eis dat in de twee jaar voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen ten minste voor 50% moet worden doorgewerkt om gebruik te kunnen maken van de levensloopvoorziening. Gelet op deze eis, is het in deze periode derhalve binnen de levensloopregeling niet mogelijk om voor meer dan 50% verlof de ingevolge de levensloopregeling opgebouwde voorziening te gebruiken, terwijl niet daarnaast tenminste voor 50% wordt gewerkt. Volledig stoppen met werken en/of vermindering van de arbeidsduur met meer dan 50% in de twee jaar voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen waarbij (deels) gebruik wordt gemaakt van de ingevolge de levensloopregeling opgebouwde voorziening is derhalve niet toegestaan binnen de levensloopregeling.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het klopt dat iemand van 63 jaar verlof kan opnemen via de levensloopregeling, maar vervolgens op zijn 64e weer verplicht is te gaan werken, ook als hij voldoende gespaard zou hebben om in principe met verlof te gaan.

Wanneer de persoon in het door deze leden genoemde voorbeeld bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar met ouderdomspensioen gaat, houdt de hierboven beschreven 50%-eis in dat de ingevolge de levensloopregeling opgebouwde voorziening vanaf het bereiken van de leeftijd van 63 jaar alleen gebruikt kan worden wanneer nog voor 50% van de in de voorafgaande periode gebruikelijke arbeidsduur wordt gewerkt. Als deze persoon tot het bereiken van de leeftijd van 63 jaar voltijds heeft gewerkt moet vanaf het bereiken van de 63-jarige leeftijd steeds minimaal 50% van dat voltijdsdienstverband gewerkt worden om in de periode tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd met gebruikmaking van de levensloopvoorziening verlof te kunnen financieren.

(……)

Artikelsgewijze Toelichting

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe artikel 13a, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964 zich verhoudt tot het voorgestelde artikel 19g, eerste lid, onderdeel b, Wet op de loonbelasting.

In het tweede lid van artikel 13a Wet op de loonbelasting 1964 wordt bepaald dat maximaal 10% van het loon dat op een ongebruikelijk tijdstip kan worden genoten, maar dat bij de toets of dit maximum wordt overschreden rekening moet worden gehouden met het bedrag dat in dat jaar is ingelegd in de verlofspaarregeling. In de voorgestelde levensloopregeling wordt het opbouwpercentage van 10% verhoogd naar 12%. Dit heeft geen gevolgen voor de toepassing van artikel 13a Wet op de loonbelasting 1964.

 

De Staatssecretaris van Financiën,