Dit besluit is ingetrokken in het besluit Internationale aspecten van pensioenen (besluit van 31 januari 2008 nr. CPP2007/98M, Stcrt. nr. 27)

Voortzetting van Nederlandse pensioenregeling bij uitzending naar het buitenland in concernverband

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

Besluit van 24 juli 2002, nr. CPP2002/1073M

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1. Inleiding

Bij uitzending van werknemers in concernverband naar het buitenland komt het voor dat de deelname aan de Nederlandse pensioenregeling voor het in het buitenland verdiende salaris wordt voortgezet. Hetzelfde kan zich voordoen bij de aanvaarding van een (deeltijd)dienstbetrekking bij een buitenlandse concernmaatschappij onder handhaving van de dienstbetrekking bij de Nederlandse inhoudingsplichtige (de zgn. salarysplit). Ik heb hierover de volgende vraag ontvangen.

2. Vraag

Wordt de Nederlandse pensioenregeling voor de betrokken werknemer onzuiver als in de pensioenregeling de binnen concernverband doorgebrachte buitenlandse diensttijd als pensioengevende diensttijd wordt aangemerkt?

3. Antwoord

In het besluit van 16 april 2001, nr. RTB2001/1325, is aangegeven dat een Nederlandse inhoudingsplichtige tijdens het bestaan van een dienstbetrekking met een met de inhoudingsplichtige in concernverband verbonden buitenlands lichaam geen vrijgestelde pensioenaanspraken kan toezeggen over de diensttijd bij dat lichaam. Door toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 is inkoop over de buitenlandse, binnen concernverband doorgebrachte diensttijd alleen achteraf mogelijk.

De Nederlandse pensioenregeling wordt evenwel niet onzuiver indien het buitenlandse lichaam zelf een pensioentoezegging aan de (uitgezonden) werknemer doet die overeenkomt met de pensioenregeling van de Nederlandse inhoudingsplichtige. Deze pensioenaanspraak kan ook verzekerd worden bij de verzekeraar van de Nederlandse pensioenregeling. Bij die Nederlandse pensioenverzekeraar zijn dan zowel de aanspraken ondergebracht die zijn toegezegd door de Nederlandse inhoudingsplichtige als de aanspraken die zijn toegezegd door het met de Nederlandse inhoudingsplichtige verbonden buitenlandse lichaam. Uit de feiten moet blijken dat de aanspraken over de buitenlandse diensttijd daadwerkelijk zijn toegekend door het buitenlandse lichaam. De kosten van de pensioenaanspraak over het buitenlandse salaris moeten ten laste te komen van het buitenlandse lichaam. Indien deze kosten in eerste aanleg worden voldaan door de Nederlandse (voormalige) inhoudingsplichtige, dienen ze aan het buitenlandse lichaam te worden doorbelast. Deze kosten moeten de integrale kosten omvatten die de pensioenverzekeraar op basis van de financieringsovereenkomst van de Nederlandse pensioenregeling voor financiering van het pensioen over het buitenlandse salaris in rekening brengt (incl. de kosten van de backservice bij salarisverhogingen).

In het geval de werknemer zelf een deel van de kosten voor zijn rekening neemt via inhouding op zijn salaris dient de eigen bijdrage bij een salarysplit naar evenredigheid te worden toegerekend aan het binnenlandse en het buitenlandse salaris. Bij de loonheffing mag slechts de eigen bijdrage die is toe te rekenen aan het salaris uit de Nederlandse dienstbetrekking in mindering worden gebracht op het Nederlandse loon.

Voor de heffing van inkomstenbelasting geldt het volgende.

a. De werknemer is binnenlands belastingplichtig.
Indien de door de buitenlandse werkgever toegekende aanspraak net als de door de Nederlandse inhoudingsplichtige toegekende aanspraak voldoet aan de voorwaarden van Hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), is de gehele aanspraak - dus zowel het binnenlandse als het buitenlandse deel - vrijgesteld op grond van artikel 3.81 van de Wet IB 2001. Er is dan geen sprake van pensioenregeling van een andere mogendheid maar van een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Een eigen bijdrage van de werknemer is in zijn geheel aftrekbaar op grond van artikel 3.81 van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel j, sub 1, van de Wet LB. Een eventuele aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zal kunnen worden verleend voor het buitenlandse loon, verminderd met de aan het buitenlandse salaris toe te rekenen deel van de eigen bijdrage.

b. De werknemer is buitenlands belastingplichtig.
Alleen het loon uit de Nederlandse dienstbetrekking behoort tot het belastbare loon (artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Op dat loon mag ook alleen in mindering worden gebracht het deel van de eigen bijdrage dat is toe te rekenen aan het salaris uit de Nederlandse dienstbetrekking.