Artikel 18 Wet op de loonbelasting 1964

Artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, Wet op de loonbelasting 1964

Vervroegd pensioen en doorwerken (Vraag & Antwoord 08-014 d.d. 270808)

Vraag
Het besluit van 29 augustus 2003, nr. CPP2003/530M, behandelt in punt 3 de vraag of een werknemer zonder fiscale gevolgen vervroegd met pensioen mag gaan als hij zijn dienstverband onverkort voortzet. Het aldaar gegeven antwoord blijkt in de praktijk tot misverstanden aanleiding te geven als het gaat om andere vormen van doorwerken bij vervroegd pensioen. In verband hiermee wordt de kwestie in de vraag hierna ruimer omschreven:

Wat zijn de voorwaarden voor doorwerken en bijverdienen als een werknemer zonder fiscale gevolgen zijn ouderdomspensioen of zijn prepensioen eerder in wil laten gaan dan de in de regeling opgenomen pensioendatum of richtleeftijd?

Antwoord
Het antwoord op deze vraag is te vinden in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, Wet LB: bij ouderdomspensioen moet sprake zijn van een inkomensvoorziening, dat wil zeggen dat de fiscale faciliteit waarbij de aanspraken op ouderdomspensioen worden vrijgesteld erop is gericht om verlies van inkomen uit werk op te vangen. Voor prepensioen geldt hetzelfde. Indien een werknemer zijn ouderdomspensioen of prepensioen vervroegd laat ingaan zonder dat hij dienovereenkomstig in inkomen uit werk achteruitgaat, voldoet de fiscale faciliteit niet meer aan die doelstelling. Op grond van artikel 19b, eerste lid, Wet LB wordt dan ook de gehele aanspraak op de vervroegde ingangsdatum belast.

Het is niet van belang of het inkomen afkomstig is uit dezelfde dienstbetrekking, uit een andere dienstbetrekking of uit enige andere inkomensgenererende activiteit. Vervroegde pensionering veronderstelt een einde van het arbeidzame leven.

Als sprake is van een gedeeltelijke vervroegde pensionering dient de mate van vermindering van het inkomen uit economische activiteiten overeen te komen met het gedeelte waarvoor het pensioen vervroegd ingaat. Ook hier is dus niet van belang of die inkomsten afkomstig zijn uit dezelfde dienstbetrekking of uit een andere economische activiteit. Vanuit de werknemer bezien dient een één-op-één relatie te bestaan tussen de mate van vervroegde pensionering en de mate van reductie van het inkomen uit werk.

Bij de beoordeling of sprake is van een einde van het arbeidzame leven kunnen betaalde economische activiteiten buiten beschouwing blijven die de pensioengerechtigde al buiten de dienstbetrekking verrichtte vóór de vervroegde pensionering. Hetzelfde geldt bij de beoordeling van de mate van vermindering van de economische activiteiten. Uiteraard is in beide gevallen de veronderstelling dat de bestaande activiteiten niet toenemen na de vervroegde pensionering.

Als een werknemer met pensioen gaat op de reguliere ingangsdatum van de (pre)pensioenregeling gelden bovenstaande regels niet. In dat geval gaat het immers niet om een subjectief besluit van de werknemer zelf maar om de uitvoering van een algemene regeling. Die regeling is opgesteld met behulp van in een (ver) verleden gemaakte objectieve veronderstellingen omtrent onder meer gewenste pensioendatum, arbeidskracht, leeftijd en inkomen. Het is in overeenstemming met het objectieve karakter van zo’n regeling dat deze niet fiscaal onzuiver wordt als werknemers na de in die regeling voorziene pensioendatum onverkort inkomen blijven genieten uit hun economische activiteiten of nieuwe betaalde economische activiteiten opstarten.

Bovenstaande uitleg van artikel 18 Wet LB bij vervroegde pensionering is niet in strijd met het beleid om werknemers langer te laten werken. Vervroegde pensionering is geen onderdeel van overheidsbeleid, ook niet als daarnaast wordt doorgewerkt. Het beleid is gericht op langer doorwerken zonder vervroegde pensionering en op doorwerken na (gedeeltelijke) pensionering op de reguliere pensioendatum. Bij een keuze voor vervroegde pensionering met doorwerken bestaat voorts een gerede kans op een pensioentekort als de inkomsten uit de (overige) werkzaamheden na een aantal jaren wegvallen. Het pensioen wordt bij vervroegde ingang immers aanzienlijk verlaagd welke verlaging alleen in de eerste jaren wordt opgevangen door de inkomsten uit de voortgezette of uitgebreide werkzaamheden. Het ontstaan van dergelijke pensioentekorten is, gelet op de maatschappelijke gevolgen daarvan, niet in het algemeen belang.

Om de gevolgen van het bovenstaande beleid voor de uitvoering van de (pre)pensioenregeling door pensioenverzekeraars te beperken kan een verzekeraar er mee volstaan om op de datum van vervroegde pensionering van de werknemer een verklaring te vragen. Hierin verklaart de werknemer dat hij zijn arbeidzame leven beëindigt in dezelfde mate als waarin hij vervroegd met pensioen gaat en dat hij niet voornemens is die arbeid weer te hervatten.

Mocht de werknemer na de vervroegde pensionering na verloop van tijd besluiten toch weer betaalde economische activiteiten te gaan verrichten of deze uit te breiden dan heeft dat in het algemeen geen gevolgen voor de zuiverheid van het (pre)pensioen. Dit is alleen anders als de inspecteur op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk kan maken dat de intentie tot het (weer) starten of uitbreiden van economische activiteiten al bestond op het moment van de vervroegde pensionering.