Tweede Kamer der Staten-Generaal

2


Vergaderjaar 2003-2004


29 678

 

Wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004)

 

 

Nr. 5

 

VERSLAG

 

 

 

Vastgesteld 1 oktober 2004

 

De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

(...)

De voorzitter van de commissie,
Tichelaar

De adjunct-griffier van de commissie,
Vente

INLEIDING

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.Aangenaam verrast waren deze leden door de in de memorie van toelichting opgenomen erkenning dat de praktijk (werkgevers- en werknemersorganisaties, de Belastingdienst, belastingadviseurs, wetenschap en individuele belastingplichtigen) een belangrijke rol spelen in het wetgevingstraject.W at bedoelt de regering met de opmerking in de memorie van toelichting dat zij steeds beter de weg vinden om aan te geven wat hun ervaringen zijn geweest? En kan de regering nadrukkelijker ingaan op welke wijze meer naar deze ervaringen wordt geluisterd dan vroeger?

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van bovenvermeld wetsvoorstel.Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het vooral technische wetsvoorstel Fiscale Onderhoudswet 2004. Op een aantal punten zouden deze leden graag verduidelijking ontvangen.
Deze leden hebben er begrip voor dat vanwege het complexe karakter van belastingwetgeving het risico groot is dat er fouten worden gemaakt. Tegelijkertijd vragen zij zich af of het de wetgever siert om de toelichting enthousiast in te zetten met de «in de laatste jaren gebruikelijk geworden praktijk om met enige regelmaat een verzamelwetsvoorstel te maken met voorstellen tot herstel van de in de uitvoeringspraktijk gebleken onduidelijkheden in de wetgeving en aanpassingen van redactionele aard».Er mag immers worden verwacht dat de open dialoog met degenen die de wet moeten uitvoeren, reeds voor de inwerkingtreding van de wet plaatsvindt. Wetswijzigingen die met terugwerkende kracht in werking treden kunnen dan zoveel mogelijk worden vermeden.Op welke wijze wordt binnen het Ministerie van Financiėn bevorderd dat dergelijke wetswijzigingen niet meer nodig zijn?

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A

In de verdragen met internationale organisaties is steeds opgenomen dat de pensioenuitkeringen belast zijn in het land waar de pensioengenieter woont.Onder de oude Wet op de inkomstenbelasting 1964 kon deze heffing ook worden gerealiseerd. De leden van de CDA-fractie constateren echter dat deze situatie in de nieuwe Wet op de inkomstenbelasting 2001 niet goed is geregeld. Bij genoemde leden rijst de vraag hoe belastingplichtigen die bij een internationale organisatie hebben gewerkt en nu hier in Nederland hun oude dag beleven tussen 1 januari 2001 en nu in de heffing betrokken zijn geweest? Heeft de overheid als gevolg van deze omissie inkomsten gederfd? Bovendien vragen zij zich af waarom deze omissie nu pas aan licht komt? Tenslotte hebben genoemde leden op dit punt de volgende – meer technische vragen.
Een definitie van het begrip «internationale instellingen/organisaties» ontbreekt. Evenals een opsomming van organisaties die tot dit begrip behoren. Ook het besluit «Overdracht van pensioenkapitaal aan een pensioenfonds van een internationale organisatie van 22 januari 2004, nr.CPP 2003/200M geeft helaas geen uitsluitsel welke internationale instellingen/organisaties nu concreet worden bedoeld. Kan hier alsnog duidelijkheid gegeven kunnen worden.
Niet duidelijk is wat de achtergrond is van de door Nederland met internationale organisaties gesloten verdragen die consequent voorzien in woonstaatheffing over de pensioenuitkering afkomstig van de internationale instelling/organisatie.Is op dit specifieke onderdeel sprake van een bewuste afwijking van het door Nederland anno 2004 gevoerde algemeen fiscaal verdragsbeleid inzake pensioenen dat juist in het teken staat van bronstaatheffing? Graag zien genoemde leden ook op dit specifieke onderwerp een uitleg over de keuze van woonstaatheffing.
De beoogde aanpassing van de artikelen 1.7 en 3.82 van de Wet IB 2001 heeft, zo meldt de memorie van toelichting, geen gevolgen voor pensioenen van de Europese Gemeenschap en de Europese Centrale Bank. Betekent dit dat de beoogde aanpassingen wel gevolgen zullen hebben voor pensioenen afkomstig van(bijvoorbeeld) de Verenigde Naties? Zijn er nog een aantal andere met de Europese Gemeenschap c.q. de Europese Centrale Bank vergelijkbare situaties dat de beoogde aanpassingen geen gevolgen heeft voor het uit te keren pensioen?

(...)