Tweede Kamer der Staten-Generaal

2


Vergaderjaar 2003-2004


29 678

 

Wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004)

 

 

Nr. 6

 

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

 

 

 

Ontvangen 2 november 2004

 

(...)

I. INLEIDING

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de VVD, de LPF en de SGP hebben naar aanleiding van het onderhavige wetsvoorstel verschillende vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Verreweg de meeste vragen hebben betrekking op de artikelsgewijze toelichting. Deze vragen zal ik overeenkomstig de volgorde van de artikelsgewijze toelichting beantwoorden. Hieronder zal ik echter eerst ingaan op enkele vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van het CDA en de SGP.

De leden van de fractie van het CDA vragen de regering wat wordt bedoeld met de opmerking in de memorie van toelichting dat de praktijk (werkgeversen werknemersorganisaties, de Belastingdienst, belastingadviseurs, wetenschap en individuele belastingplichtigen) steeds beter de weg vinden om aan te geven wat hun ervaringen zijn geweest. Voorts vragen deze leden of de regering nadrukkelijker in kan gaan op welke wijze meer naar deze ervaringen wordt geluisterd dan vroeger.

De leden van de fractie van de SGP vragen zich af of de in de memorie van toelichting genoemde open dialoog er niet toe zou moeten leiden dat wetswijzigingen met terugwerkende kracht minder nodig zouden zijn en voorts vragen deze leden op welke wijze binnen het ministerie wordt bevorderd dat dergelijke wetswijzigingen niet meer nodig zullen zijn.

De open dialoog waaraan deze leden refereren dient te worden geplaatst in het perspectief dat verschillende actoren in de samenleving knelpunten of onduidelijkheden signaleren en de weg naar de overheid steeds beter weten te vinden. De in de toelichting geschetste praktijk om periodiek met een wetsvoorstel als het onderhavige te komen, is – kennelijk ook voor hen – een stimulans om een bijdrage te leveren aan het voorkomen of wegnemen van de eerderbedoelde knelpunten of onduidelijkheden. Deze dialoog vindt niet alleen plaats na inwerkingtreding van wettelijke bepalingen. Ook bij het concipiëren van wetteksten wordt – met inachtneming van ieders rol en verantwoordelijkheden in het wetgevingsproces zowel door de overheid als de betrokken actoren in de samenleving – waar mogelijk de dialoog gezocht. Dit is een onderdeel van de continue aandacht voor de kwaliteit van de regelgeving. Het is diezelfde kwaliteit van de regelgeving die echter soms ook noopt tot het voorstellen van maatregelen met terugwerkende kracht. Maatregelen die in verschillende gevallen overigens juist in het voordeel van belastingplichtigen zijn. Zoals ook in de memorie van toelichting is verwoord, wordt met de toekenning van terugwerkende kracht terughoudend omgegaan, maar in geval terugwerkende kracht consistente regelgeving dient, is toepassing daarvan geoorloofd.

 

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

1. Artikel I, onderdeel A

Zoals de leden van de fractie van het CDA constateren, was in de Wet inkomstenbelasting 2001 nog niet goed geregeld dat de door een inwoner van Nederland ontvangen uitkeringen ingevolge een pensioenregeling van een internationale organisatie, die op grond van de verdragen met deze internationale organisaties belast zijn in het land waar de pensioengenieter woont, in Nederland kunnen worden belast. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kon deze heffing wel worden gerealiseerd. De genoemde leden vragen hoe belastingplichtigen die bij een internationale organisatie hebben gewerkt en nu hier in Nederland uitkeringen ingevolge een pensioenregeling van deze internationale organisatie genieten, tussen 1 januari 2001 en nu in de heffing betrokken zijn geweest en of de overheid als gevolg van deze omissie inkomsten heeft gederfd. Verder vragen deze leden waarom deze omissie nu pas aan het licht komt.
In antwoord op de bovenstaande vragen wordt opgemerkt dat in de uitvoeringspraktijk ook na 1 januari 2001 is uitgegaan van het onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldende systeem, zodat er in zoverre nog geen sprake is van een derving van belastinginkomsten. Om te voorkomen dat een dergelijke derving in de toekomst alsnog ontstaat, dient de voorgestelde aanpassing van de wet wel met terugwerkende kracht plaats te vinden. Het feit dat de wettekst niet (meer) adequaat was, werd geconstateerd – de genoemde leden vragen daarnaar – bij het schrijven van het besluit inzake de overdracht van pensioenkapitaal naar internationale organisaties (besluit van 22 januari 2004, nr. CPP 2003/200M).
De genoemde leden wijzen er terecht op, dat een definitie van het begrip «internationale instellingen/organisaties» ontbreekt en dat er ook geen opsomming wordt gegeven van de organisaties die tot dit begrip behoren. Hier is echter bewust voor gekozen. Het opnemen van een definitie of een opsomming heeft (na de voorgestelde wijzigingen) geen toegevoegde waarde voor de mogelijkheid om te kunnen heffen over de uitkeringen. Voor zover een pensioenregeling niet kan worden aangemerkt als een pensioenregeling van een internationale organisatie en geen (naar doel en strekking met de loonbelasting of inkomstenbelasting overeenkomende) heffing naar het inkomen over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heeft plaatsgevonden, zal sprake zijn van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a, b of c, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De pensioenuitkering zal dan in Nederland kunnen worden belast. Voor zover wel een (naar doel en strekking met de loonbelasting of inkomstenbelasting overeenkomende) heffing naar het inkomen over de aanspraken ingevolge die regeling heeft plaatsgevonden, is evenmin van belang of het gaat om een regeling van een internationale organisatie of niet. Ongeacht of het gaat om een regeling van een internationale organisatie of om een andere regeling, vindt de afwikkeling van de aanspraak in dat geval in box 3 plaats.
De definitie van het begrip «internationale instellingen/organisaties» is wel van belang voor de toepassing van het – op grond van dit wetsvoorstel eveneens te wijzigen – artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Vooruitlopend op die wetswijziging is in het beleidsbesluit van 22 januari 2004, nr. CPP 2003/200M, bepaald onder welke voorwaarden onbelaste overdracht mogelijk is aan het buitenlandse pensioenfonds van internationale organisaties. Het genoemde besluit is – evenals de voorgestelde wetswijziging – alleen van toepassing als ook voor toepassing van de Pensioen- en spaarfondsenwet overdracht van pensioenkapitaal mogelijk is. Hiervoor wordt verwezen naar het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 1999, nr. SV/VP/99/16038, Stcrt. 1999, nr. 78 (overdracht pensioenkapitaal naar internationale organisaties). In een bijlage bij dat besluit is een opsomming opgenomen van de internationale organisaties waarvoor dat besluit geldt. Gelet op het voorgaande geldt die opsomming derhalve ook voor de toepassing van het voorgestelde artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voor zover op grond van het laatstgenoemde besluit geen overdracht mogelijk is, kan de in de aan artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 toe te voegen volzin bedoelde situatie zich in beginsel ook niet voordoen.
De genoemde leden vragen naar de relatie tussen enerzijds de door Nederland met internationale organisaties gesloten verdragen die volgens deze leden voorzien in woonstaatheffing over de van deze organisaties afkomstige pensioenuitkeringen en anderzijds het door Nederland anno 2004 gevoerde algemeen fiscaal verdragsbeleid inzake pensioenen dat volgens deze leden juist in het teken staat van bronstaatheffing.
De inkomstenbelastingaspecten van de beloningen voor functionarissen van internationale organisaties zijn in de regel neergelegd in het oprichtingverdrag van de betreffende organisatie. Voor de meeste organisaties, met uitzondering van de Europese Gemeenschappen en de Europese Centrale Bank, komt dit neer op – alleen – een vrijstelling van nationale belasting voor het door de functionarissen ontvangen salaris. Dit salaris is in plaats daarvan onderworpen aan een eigen interne heffing door de internationale organisatie. Bij deze internationale organisaties is, anders dan de leden kennelijk veronderstellen, noch in het oprichtingsverdrag noch in de door Nederland, als vestigingsplaats, met de organisatie gesloten zetelovereenkomst, iets geregeld over de belastingheffing over pensioenen. De belastingheffing over de door de organisatie uitbetaalde pensioenen wordt alsdan volledig beheerst door de nationale wetgeving van de betrokken landen en door de tussen die landen gesloten bilaterale belastingverdragen. Nu in de zetelovereenkomst niets over de heffing van pensioenen wordt geregeld, kan van een afwijkende benadering ten opzichte van de belastingverdragen uiteraard niet worden gesproken.
Overigens zij er voor de volledigheid op gewezen dat ook bij het huidige verdragsbeleid een woonstaatheffing over pensioenuitkeringen, niet zijnde overheidspensioenen, nog steeds uitgangspunt is. Alleen voor afkoopsommen en voor situaties waarin de woonstaat het heffingsrecht niet of onvoldoende effectueert, wordt een bronstaatheffing nagestreefd. De genoemde leden vragen tevens naar een toelichting op de met betrekking tot de beoogde aanpassing van de artikelen 1.7 en 3.82 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in de memorie van toelichting gemaakte opmerking, dat deze aanpassing geen gevolgen heeft voor pensioenen van de Europese Gemeenschap en de Europese Centrale Bank. Deze leden vragen in het bijzonder of deze opmerking betekent dat de beoogde aanpassingen wel gevolgen zullen hebben voor pensioenen afkomstig van (bijvoorbeeld) de Verenigde Naties en of er nog een aantal andere met de Europese Gemeenschap of de Europese Centrale Bank vergelijkbare situaties zijn waarin de beoogde aanpassingen geen gevolgen hebben voor het uit te keren pensioen.
De voorgestelde aanpassing van de artikelen 1.7 en 3.82 van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft inderdaad geen gevolgen voor pensioenen van de Europese Gemeenschap en van de Europese Centrale Bank. Deze pensioenen zijn namelijk onderworpen aan een interne belasting ten bate van de EG/ECB en zijn vrijgesteld van nationale belasting in de Lidstaten. Voor zover ons bekend is, zijn er geen andere internationale organisaties waar dit eveneens voor geldt. Voor de uitkeringen ingevolge de pensioenregeling van die andere internationale organisaties hebben de aanpassingen derhalve wel gevolgen.

(...)