Overzicht van door de Kennisgroep verzekeringsproducten gegeven antwoorden op helpdeskvragen over de Wet "Lijfrentesparen en Eigen Woning Sparen"
(deze antwoorden vormen geen beleid door of namens de staatssecretaris van Financiën maar zijn standpunten rechtstreeks voortvloeiend uit wet- en regelgeving)
Vragen over deze Vragen en Antwoorden kunt u per mail voorleggen aan de Kennisgroep verzekeringsproducten.
Inhoudsopgave
Eis van geblokkeerde spaarrekening of beleggingsrecht
Spaarrekening met gekoppelde beleggingsrekening
Geen terugwenteling betaalde inleg naar 2007
Omzetting van in 2007 geëxpireerde lijfrente in Lijfrentespaarrekening
Omzetting kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in LSR
Omzetting lijfrente met eerbiedigende werking (overbruggingslijfrente) in LSR
Looptijd tijdelijke oudedagsuitkering van de Lijfrentespaarrekening
Spaarrekening eigen woning met 2 rekeninghouders
Omzetting kapitaalverzekering in Spaarrekening eigen woning
Verhuisregeling van toepassing op de Spaarrekening eigen woning
Clausule voor vormgeving Spaarrekening eigen woning
Hoogte vrijstelling bij continuering rekening van overleden partner
Redelijke termijn voor het doen van het continueringsverzoek
Deblokkeren en benutten vrijstelling eigen rekening bij overlijden partner
Rendement Spaarrekening Eigen Woning gelijk aan percentage hypotheekrente
A. Lijfrentespaarrekening (LSR) en Lijfrentebeleggingsrecht (LBR)
Voor het bestaan van een LSR of LBR geldt op grond van artikel 3.126a, eerste lid, Wet IB 2001 als eis dat sprake is van een geblokkeerde rekening of beleggingsrecht. Deze blokkering kan worden bewerkstelligd door de overeenkomst van de LSR en de LBR en de daarbij behorende algemene en eventueel bijzondere voorwaarden in te richten volgens de overige wettelijke eisen aan de vormgeving van de LSR en de LBR. Het gaat om bijvoorbeeld het opnemen van het verbod op afkoop, vervreemding en dergelijke, alsmede het opnemen van de gelimiteerde mogelijkheden tot aanwending van het tegoed op de rekening. Er behoeven met andere woorden, geen additionele civielrechtelijke bepalingen te worden opgenomen om de blokkering te bewerkstelligen. Voor de kenbaarheid van het karakter van de rekening of het beleggingsrecht naar de rekeninghouders, verdient het aanbeveling om de term "geblokkeerd" ten minste éénmaal met zoveel woorden in de overeenkomst op te nemen.
Het is mogelijk is om aan een LSR een beleggingsrekening te koppelen zonder dat daarbij sprake moet zijn van een LBR. Fiscaal is dan sprake van een LSR zodat ook administratief alle stortingen, opnamen, deblokkeringen en renseigneringen aan de Belastingdienst moeten plaatsvinden via de LSR.
Het is niet mogelijk om een na 31 december 2007 op een LSR betaalde inleg af te trekken in het jaar 2007 (terugwenteling). Terugwenteling in de zin van artikel 3.130 Wet IB 2001 houdt immers uitsluitend in dat de inleg of premie wordt geacht te zijn betaald in het jaar dat voorafgaat aan het jaar van betaling. Met andere woorden, er werkt als gevolg daarvan geen regime terug naar het voorafgaande jaar. Omdat in 2007 het regime van de LSR nog niet in werking was getreden, is derhalve aftrek op grond van dat regime in 2007 niet mogelijk.
Een lijfrente waarop het regime van de Wet IB 1964 met ingang van 1992 of van de Wet IB 2001 van toepassing is, kan zowel in de opbouwfase als in de uitkeringsfase fiscaal geruisloos worden omgezet in een LSR indien integraal wordt voldaan aan het regime daarvan. Indien de lijfrente in het jaar 2007 de overeengekomen datum heeft bereikt waarop de lijfrentetermijnen zullen ingaan, bestaat er volgens vaste jurisprudentie een redelijke termijn voor het bedingen van die termijnen of voor het bedingen van een nadere uitgestelde lijfrente indien dat mogelijk is op grond van de wettelijke eisen. Voor het begrip "redelijke termijn" dient in dit verband te worden aangesloten bij hetgeen voor de sfeer van verzekerde lijfrenten geldt op grond van jurisprudentie en beleid. Indien de redelijke termijn eindigt in het jaar 2008, kan binnen die redelijke termijn ook de omzetting in een LSR fiscaal geruisloos plaatsvinden.
Een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule waarop nog het regime van de Wet IB 1964 zoals die wet luidde tot en met 1991 van toepassing is – eerbiedigende werking - kan fiscaal geruisloos worden omgezet in een LSR indien integraal wordt voldaan aan het regime van de LSR. Feitelijk doet de verzekeringnemer hiermee het verzoek als bedoeld in artikel 75, eerste lid, slotzin, Wet IB 1964, tekst 2000, om de eerbiedigende werking verloren te doen gaan zodat na de omzetting geen recht meer bestaat op het regime van de Wet IB 1964, tekst tot en met 1991 (pré-Brede-herwaarderingregime).
Voor bepaalde lijfrenten bestaat op grond van artikel 10a.1 Wet IB 2001 het recht om de waarde daarvan geheel of gedeeltelijk in de toekomst te gebruiken voor het doen ingaan van een overbruggingslijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, zoals die bepaling luidde tot en met 2005. Indien een dergelijke lijfrente wordt omgezet in een LSR is het in de toekomst niet mogelijk de genoemde overbruggingslijfrente te doen ingaan aangezien een dergelijke lijfrente geen onderdeel uitmaakt van het regime van de LSR. Wel is het mogelijk de LSR op enig tijdstip weer om te zetten in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 Wet IB 2001 die is verzekerd bij een levensverzekeringmaatschappij. Voor zover de oorspronkelijke lijfrente op grond van artikel 10a.1 Wet IB 2001 had kunnen worden aangewend voor een overbruggingslijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, tekst tot en met 2005, kan ook de weer in een lijfrente omgezette LSR worden aangewend voor een overbruggingslijfrente.
De LSR kent ingevolge artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3, Wet IB 2001, voor de tijdelijke oudedagsuitkering een minimumperiode van 5 jaren tussen de eerste termijn en de laatste termijn. Deze letterlijke tekst houdt bij jaaruitkeringen in dat er ten minste 6 uitkeringen uit de LSR moeten worden gedaan. De wettekst voor de LSR wijkt hiermee af van de voorwaarde voor de tijdelijke oudedagslijfrente in de verzekeringssfeer op grond waarvan de termijnen een minimumlooptijd van 5 jaren moeten hebben. Bij postnumerando termijnen kan een verzekeringsmaatschappij als gevolg van deze formulering volstaan met het uitkeren van 5 termijnen, waarvan de eerste vervalt een jaar na de ingangsdatum van de lijfrente.
Uitgangspunt van de wetgever is een zoveel mogelijk gelijke behandeling van bancaire en verzekeringssfeer, rekening houdend met het verschil in karakter tussen sparen en verzekeren. Een redelijke wetstoepassing brengt dan ook mee dat indien bij een LSR de eerste jaartermijn pas een jaar na het bereiken van de overeengekomen ingangsdatum van de uitkeringen wordt uitgekeerd, daarna kan worden volstaan met het uitkeren van 4 jaartermijnen met een tussenperiode van een jaar. Wordt de eerste jaartermijn daarentegen onmiddellijk bij het bereiken van de overeengekomen ingangsdatum uitgekeerd, dan dienen vervolgens nog 5 termijnen met een tussenperiode van een jaar te worden gedaan.
De tijdelijke oudedagsuitkering kan op grond van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3, Wet IB 2001 niet eerder ingaan dan in het kalenderjaar waarin de rekeninghouder 65 jaar wordt. Daarnaast geldt als voorwaarde op grond van onderdeel a, onder 1, van die bepaling dat de tijdelijke oudedagsuitkering uiterlijk ingaat in het kalenderjaar waarin de rekeninghouder 70 jaar wordt.
Na het overlijden van de rekeninghouder van de LSR, dienen nabestaandenuitkeringen in te gaan. De LSR kent anders dan een reguliere lijfrente geen met name genoemde gerechtigden bij overlijden. Het tegoed van de LSR behoort evenals dat van een reguliere spaarrekening tot de huwelijksgoederengemeenschap indien aanwezig en tot de nalatenschap van de overleden rekeninghouder. Deze systematiek brengt mee dat het "nabestaandentegoed" aan de overblijvende echtgenoot c.q alle erfgenamen toekomt naar de mate van hun civielrechtelijke gerechtigdheid tot het tegoed. Voor zover dat tegoed tot de nalatenschap behoort en er ter zake geen testamentaire bepalingen zijn opgemaakt, is de overblijvende echtgenoot op grond van het erfrecht volledig tot dat gedeelte van het tegoed gerechtigd op grond van de wettelijke, ouderlijke boedelverdeling. Aan andere erfgenamen komt op grond van die regeling slechts een niet direct opeisbare vordering toe. In deze situatie kan het tegoed ook fiscaal volledig door de echtgenoot worden gebruikt voor eigen nabestaandenuitkeringen.
Indien er op grond van een testament een mate van gerechtigdheid tot het tegoed bij overlijden bestaat, wordt ook daar fiscaal bij aangesloten.
De met ingang van 1 januari 2008 in werking getreden wettelijke bepalingen voorzien er niet in om gouden-handdrukstamrechten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964 onder te brengen bij een bancaire instelling.
B. Spaarrekening eigen woning (SEW) en Beleggingsrecht eigen woning (BEW)
Het is mogelijk om een spaarrekening eigen woning aan te houden met 2 rekeninghouders door middel van een "en/of"-rekening of een "en/en"-rekening. Daarvoor is in artikel 17bis Uitv. reg. IB 2001 bepaald dat het tegoed van de rekening fiscaal in gelijke delen wordt toegerekend aan de rekeninghouders. Deze toerekening vindt plaats ongeacht de mate van civielrechtelijke gerechtigdheid tot de rekening. Voor ieder van de rekeninghouders geldt fiscaal dat deze zelfstandig een spaarrekening eigen woning heeft ter grootte van de helft van het tegoed van de rekening. Voor die helft kan de rekeninghouder op de contractuele einddatum – of bij eerdere beëindiging – zijn SEW-vrijstelling benutten als aan de voorwaarden daarvan is voldaan.
Voor de financiële instellingen houdt deze fiscale behandeling in dat de renseignering van fiscaal relevante gegevens dient plaats te vinden per rekeninghouder afzonderlijk, ieder voor de helft van het tegoed op de rekening.
Een kapitaalverzekering eigen woning – KEW - als bedoeld in artikel 3.116 Wet IB 2001 kan op grond van artikel 3.119 Wet IB 2001 fiscaal geruisloos worden omgezet in een SEW of een BEW. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat een kapitaalverzekering die geen KEW is, in een SEW of BEW kan worden omgezet zonder dat die kapitaalverzekering eerst wordt omgezet in een KEW. Op die omzetting zijn ook de bepalingen van toepassing die gelden voor de omzetting van een tot box 3 behorende kapitaalverzekering in een KEW. Zie onder meer artikel 3.116, achtste lid, Wet IB 2001.
Op de SEW of BEW zijn ingevolge artikel 3.118a van de Wet IB 2001 zoveel mogelijk de bepalingen van het regime van de kapitaalverzekering eigen woning van toepassing. Ook de zogenoemde "verhuisregeling" van artikel 3.118, vijfde lid, Wet IB 2001 voor situaties waarin binnen 3 jaar na de verkoop van de eigen woning weer een eigen woning wordt betrokken, geldt voor de SEW en de BEW.
Voor de vormgeving van een SEW of BEW kan gebruik worden gemaakt van de volgende of een soortgelijke clausule in de voorwaarden van de rekening: "De rekeninghouder zal het tegoed aanwenden ter aflossing van diens eigenwoningschuld in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001". Tezamen met de voorwaarden voor het aantal jaren inleg op de rekening, voor de hoogte van de inleg en de looptijd van de rekening, is met een dergelijke clausule de vormgeving van de SEW of BEW voldoende bepaald.
Als de rekeninghouder van een SEW overlijdt, wordt diens rekening gedeblokkeerd, tenzij de echtgenoot of degene met wie de rekeninghouder duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde, verzoekt om de rekening te continueren. Zie artikel 3.116a, vierde lid, onderdeel f, juncto onderdeel b, Wet IB 2001. Als de rekening wordt gedeblokkeerd kan, als aan alle voorwaarden ter zake is voldaan, gebruik worden gemaakt van de vrijstelling van de overleden rekeninghouder.
Als het verzoek tot continuering wordt gedaan, heeft de voortzettende rekeninghouder voor de betreffende rekening bij een toekomstige deblokkering daarvan recht op het bedrag van de SEW-vrijstelling die ten name van de overleden rekeninghouder had kunnen worden gebruikt op het tijdstip van diens overlijden als het verzoek tot continuering niet zou zijn gedaan. Het bedrag van die vrijstelling wordt enerzijds begrensd door de hoogte van het op het tijdstip van overlijden aanwezige tegoed op de rekening van de overledene en anderzijds door het bedrag aan vrijstelling dat voor de overledene nog "life time" resteerde, rekening houdend met eventueel eerder gebruikte vrijstellingsbedragen.
Als de rekeninghouder van een SEW overlijdt, wordt diens rekening gedeblokkeerd, tenzij de echtgenoot of degene met wie de rekeninghouder duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde, verzoekt om de rekening te continueren. Zie artikel 3.116a, vierde lid, onderdeel f, juncto onderdeel b, Wet IB 2001. Voor het doen van dit verzoek aan de instelling waarbij de rekening wordt aangehouden, bestaat een redelijke termijn. Deze termijn bedraagt ten minste 12 maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van overlijden. Bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet mogelijk was het verzoek binnen die termijn te doen, is een langere termijn mogelijk. In een dergelijk geval dient door de continuerende persoon de bijzondere omstandigheid aannemelijk te worden gemaakt aan de inspecteur die bevoegd is voor de overleden rekeninghouder.
Bij overlijden van een rekeninghouder die de echtgenoot was of degene met wie duurzaam een gezamenlijke huishouding werd gevoerd, kan een (mede)rekeninghouder ook besluiten dat zijn eigen SEW wordt gedeblokkeerd. Hij kan dan ter zake van die deblokkering zijn eigen vrijstelling benutten (zie artikel 3.116a, tweede lid, onderdeel c, Wet IB 2001). In die situatie behoeft niet ten minste 15 jaren jaarlijks inleg te zijn gedaan om recht te hebben op de SEW-vrijstelling maar volstaat jaarlijkse inleg tot het tijdstip van overlijden.
Het is fiscaal toegestaan dat een verzekeraar op een KEW een rendement geeft dat wat percentage betreft gelijk is aan het percentage van de rente die is verschuldigd op de eigenwoningschuld. In een dergelijk geval heeft de hoogte van het rendement geen gevolgen voor de aftrekbaarheid van de betaalde rente. Er behoeft derhalve geen splitsing van rente plaats te vinden als bedoeld in paragraaf 9 van het besluit van 13 november 2006, nr. CPP 2006/412M. Als voorwaarde geldt hierbij dat het percentage aan te betalen hypotheekrente niet hoger is dan gebruikelijk is voor hypotheken die worden gesloten zonder KEW. Een marge van 0,2% hogere hypotheekrente dan gebruikelijk is voor leningen zonder KEW, vormt in dit verband geen beletsel voor de aftrek van de rente.
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is de vraag gesteld of deze systematiek ook geldt voor een evenals als de KEW tot box 1 behorende SEW in combinatie met een eigenwoningschuld. Daarop is door de Staatssecretaris van Financiën in bevestigende zin geantwoord.