Loonheffingen. Pensioenen: opbouw, eigen beheer en overgangsrecht. Stamrechten
8 september 2008/Nr. CPP2008/1727M
Belastingdienst/Centrum voor proces-en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit is een actualisering en samenvoeging van eerdere beleidsbesluiten over pensioenopbouw, in het bijzonder over dienstjaren en pensioengevend loon, over pensioenopbouw bij eigen beheer, en over overgangsrecht voor prepensioenen en overbruggingspensioenen. Ook bevat het besluit een actualisering en samenvoeging van enkele beleidsbesluiten over loonstamrechten. Het besluit bevat op een aantal punten nieuw beleid en verduidelijkingen en voorziet daarnaast in de intrekking van enige besluiten.
1. Inleiding
In dit besluit zet ik in de eerste plaats en voor een deel vooruitlopend op een
wijziging van het UBLB het (deels) goedkeurende beleid inzake de begrippen
dienstjaren (diensttijd) en pensioengevend loon uiteen. Deze begrippen zijn van
belang voor de fiscaal toegestane opbouw van pensioen. Onderdeel 2; betreft de
dienstjaren en diensttijd, onderdeel 3 het pensioengevend loon, terwijl
onderdeel 4 ingaat op het pensioengevend loon bij de toepassing van de
zogenoemde cafetariaregelingen.
In onderdeel 5 geef ik de kaders aan voor de vaststelling van de pensioenbijdragen
en de verdeling daarvan over werkgever en werknemer bij eigen beheer.
Onderdeel 6 is van belang voor prepensioenen en overbruggingspensioenen waarop het
overgangsrecht van artikel 38d respectievelijk 38f van de Wet LB van toepassing
is. Dit onderdeel bevat een drietal goedkeuringen.
Onderdeel 7 bevat ten slotte een goedkeuring op het gebied van loonstamrechten.
Voorgaande besluiten
Onderdeel 2 is een actualisering en samenvoeging van het besluit van
9 augustus 2001, nr. RTB2001/2390M, en het besluit van
22 april 2004, nr. CPP2003/2794M (onderdelen
3,
5 en
7) over dienstjaren en diensttijd. In dit onderdeel is vooruitlopend op
een wijziging van het UBLB een goedkeuring met betrekking tot perioden van
verlof opgenomen (onderdeel 2.2).
De onderdelen 3 en 4 zijn een actualisering en samenvoeging van de besluiten
van 22 februari 2002, nr. CPP2001/3047M, van
27 augustus 2003, nr. CPP2003/233M,
van 10 februari 2004, nr. CPP2003/1610M
(onderdeel 2) en de kennisgeving
van 9 maart 2004, nr. DGB2004/1265M (Stcrt. 2004/45)
over pensioengevend loon. In onderdeel 3 is duidelijker dan voorheen vastgelegd dat het fiscale loon
uitgangspunt is voor het pensioengevend loon. Dit heeft als consequentie dat
ook andere eindheffingsbestanddelen dan spaarloon voortaan in beginsel tot het
pensioengevend loon behoren (onderdeel 3.2.5). In onderdeel 3.7 is bevestigd
dat in verlofperioden pensioenopbouw mogelijk is over 100% van het voordien (of
direct na het verlof) genoten loon. Daarnaast bevat onderdeel 3 enkele
verduidelijkingen van het pensioengevend loon bij demotie, deeltijd, en
arbeidsongeschiktheid. Onderdeel 4 betreft het pensioengevend loon bij de
toepassing van de zogenoemde cafetariaregelingen en bevat in onderdeel 4.3 een
uitbreiding van de goedkeuring om bij ruil van loonbestanddelen een verlaging
van het pensioengevend loon achterwege te laten.
Onderdeel 5 betreft een actualisering en samenvoeging van de besluiten van
1 april 2003, CPP2002/2980M
en van
12 januari 2005, CPP2004/2422M over pensioenopbouw in eigen beheer.
Onderdeel 6 is een actualisering van de onderdelen 3, 4 en
13 van het besluit van
8 juli 2004, CPP2004/244M inzake overgangsrecht voor
prepensioenen en overbruggingspensioenen.
Onderdeel 7 betreft een actualisering en samenvoeging van de besluiten van
21 december
2000, CPP2000/3040M en van 27 november
2002, CPP2002/896M over loonstamrechten.
Dit besluit voorziet tevens in de intrekking van de volgende besluiten:
- 29 augustus 2003, CPP2003/530M
inzake vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en 38a van de Wet LB, deel 1;
- 10 februari 2004, CPP2003/1610M
inzake vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en 38a van de Wet LB, deel 2;
- 22 april 2004, CPP2003/2794M inzake vragen en
antwoorden hoofdstuk IIB en 38a van de Wet LB, deel 3;
- 8 juli 2004, CPP2004/244M inzake vragen en
antwoorden hoofdstuk IIB en 38a van de Wet LB, deel 4.
Voor zover de inhoud van de ingetrokken besluiten niet in het onderhavige besluit is overgenomen, betreffen deze besluiten rechtstreekse wetstoepassing. Voor zover die onderdelen nog van belang zijn, komen zij in geactualiseerde vorm te staan op de voorlichtingssite www.belastingdienstpensioensite.nl (op termijn te raadplegen via www.belastingdienst.nl). Ook trek ik het besluit in van 2 juli 1999, DB99/1896M inzake AOW-inbouw nabestaandenpensioen en wezenpensioen. Dat besluit heeft zijn belang verloren.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
| Artikel 18e (oud) van de Wet LB |
artikel 18e van de Wet LB zoals dit artikel luidde op 31 december 2004 |
Artikel 38a (oud) van de Wet LB |
artikel 38a van de Wet LB zoals dit artikel luidde op 31 december 2004 |
AOW |
Algemene ouderdomswet |
AWR |
Algemene wet inzake rijksbelastingen |
dga |
directeur-grootaandeelhouder |
loon |
loon in de zin van hoofdstuk II van de Wet LB |
loonheffing |
loonbelasting/premie volksverzekeringen |
loonheffingen |
loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet |
partijen |
bij een pensioenregeling betrokken werkgever(s), werknemer(s) en pensioenverzekeraar(s) |
(pre)pensioendatum |
de in een (pre)pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het prepensioen of het ouderdomspensioen |
salaris |
het privaatrechtelijk of publiekrechtelijk overeengekomen salaris |
UBLB |
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 |
VUT |
vervroegde uittreding |
werkgever |
inhoudingsplichtige voor de loonheffingen |
Wet IB 2001 |
Wet inkomstenbelasting 2001 |
| Wet LB |
Wet op de loonbelasting 1964 |
2. Dienstjaren en diensttijd
2.1. Inleiding
Onderdeel 2 betreft de verduidelijking van de begrippen ‘dienstjaren’ en‘ diensttijd’,
genoemd in artikel 10a van het UBLB, en de toepassing van deze begrippen in
bepaalde gevallen, zoals bij verlof en bij partnerpensioenen op risicobasis.
Dienstjaren en diensttijd zijn van belang voor de jaarlijkse opbouw van de
pensioenaanspraken, voor de inkoop van oude jaren en voor de AOW-inbouw. Er is
geen wettelijk onderscheid tussen de begrippen dienstjaren en diensttijd. Deze
begrippen hebben dezelfde betekenis.
Perioden die in beginsel als diensttijd meetellen, moeten op grond van artikel 19 van de Wet LB toch (gedeeltelijk) buiten beschouwing blijven als het loon in die periode nihil of anderszins aanzienlijk lager dan gebruikelijk is. Dit geldt ook indien naderhand een fictief loon als bedoeld in artikel 12a van de Wet LB in aanmerking wordt genomen. Artikel 19 geldt met name in die situaties waarin de werknemer in staat is zijn eigen loon te bepalen, zoals bij de dga het geval is.
2.2. Perioden van verlof
Perioden van verlof tellen mee als diensttijd zolang de dienstbetrekking voortduurt. Dit
vloeit voort uit artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van het UBLB. Daarbij is
de aard van het verlof (zoals ouderschapsverlof of sabbatsverlof) niet van
belang. Wel dient men – net als bij andere diensttijd – uiteraard rekening te
houden met een eventuele deeltijdfactor. Ook perioden van verlof moeten – gelet
op de in onderdeel 2.1 genoemde hoofdregel – op grond van artikel 19 van de Wet
LB echter (gedeeltelijk) buiten beschouwing blijven als het loon in die periode
nihil of anderszins aanzienlijk lager dan gebruikelijk is. Vooruitlopend op een
wijziging van het uitvoeringsbesluit keur ik echter het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat met betrekking tot perioden van geheel of gedeeltelijk onbetaald
verlof de toepassing van artikel 19 van de Wet LB achterwege blijft voor zover
in de desbetreffende perioden geen cumulatie plaatsvindt met pensioenopbouw in
een pensioenregeling bij een eventuele nieuwe werkgever, de vorming van een
oudedagsreserve als bedoeld in artikel 3.67 van de Wet IB 2001 of deelname aan
een beroepspensioenregeling. De werkgever zal hiervan via een verklaring van de
werknemer op de hoogte moeten blijven.
In onderdeel 3.7 komt aan de orde welk pensioengevend loon men over de
verlofperiode in aanmerking kan nemen.
2.3. VUT- en prepensioenjaren volgend op uitkeringen na onvrijwillig ontslag
Volgens de letterlijke tekst van artikel 10a, eerste lid, onderdelen d en e, van het
UBLB, tellen VUT- of prepensioenjaren ingevolge een regeling als bedoeld in
artikel 38c, respectievelijk 38d van de Wet, alleen mee als dienstjaren als zij
direct volgen op de periode van de actieve dienstbetrekking (de periode van
artikel 10a, eerste lid, onderdelen a en b, van het UBLB). Strikt genomen zijn
de onderdelen d en e dus niet van toepassing als de (ex)werknemer in
aansluiting op het einde van de actieve dienstbetrekking door onvrijwillig
ontslag eerst inkomensvervangende loongerelateerde uitkeringen ontvangt als
bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, van het UBLB. Het is evenwel
in overeenstemming met de strekking van artikel 10a van het UBLB om de
onderdelen d en e ook van toepassing te achten als de VUT- of
prepensioenperiode aansluit opeen dergelijke uitkeringsperiode. Hierom keur ik
met toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat VUT- of prepensioenjaren ingevolge een regeling als bedoeld in artikel
38c, respectievelijk 38d van de Wet LB, die volgen op de hiervoor bedoelde
uitkeringsperiode, meetellen als pensioengevende diensttijd onder de voorwaarde
dat de VUT- of prepensioenjaren aansluiten op de periode waarin de (ex)werknemer
de inkomensvervangende loongerelateerde uitkeringen ontvangt.
Ik wijs erop dat de goedkeuring alleen effectief is als in de pensioenregeling staat
dat de perioden waarin de (ex)werknemer de loongerelateerde uitkeringen
ontvangt, meetellen als dienstjaren voor de bepaling van de hoogte van de
aanspraak op ouderdomspensioen.
2.4. Dienstjaren bij hernieuwde opbouw van pensioen na eerder prijsgeven
De situatie kan zich voordoen dat een werknemer zijn opgebouwde pensioenrechten
(al dan niet belast) heeft prijsgegeven. In dat geval is het niet mogelijk
later opnieuw dezelfde pensioenrechten op te bouwen of in te kopen over de
dienstjaren waarop deze prijsgegeven rechten betrekking hadden. Het is in
strijd met de strekking van hoofdstuk IIB van de Wet LB om fiscaal tweemaal de
opbouw van eenzelfde pensioenrecht over dezelfde dienstjaren en hetzelfde pensioengevend
loon vrij te stellen. Hierbij is niet van belang of de sanctie van artikel 19b,
eerste lid, letter c, van de Wet LB, bij het prijsgeven is toegepast.
Het voorgaande geldt niet voor een verbetering van de pensioenregeling via een
hoger opbouwpercentage of een hogere beschikbare premie of bij een verhoging
van het salaris in een eindloonregeling. Uitsluitend voor die verbetering of
verhoging is wel opbouw of inkoop van pensioen mogelijk over de dienstjaren
waarover eerder pensioen is prijsgegeven. Die opbouw of inkoop kan in die
situatie uiteraard alleen plaatsvinden voor zover die jaren ook overigens als
dienstjaren gelden in de actuele regeling.
2.5. Uitbreiding begrip dienstjaren bij partner- en wezenpensioenen op risicobasis
Partner- en wezenpensioenen zijn vaak (deels) verzekerd op risicobasis in plaats van op
opbouwbasis. Het betreft dan de pensioenaanspraak (voor zover) die recht geeft
op een partner- en/of wezenpensioen bij overlijden van de werknemer vóór de
pensioendatum.
Als in zo’n geval een werknemer een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt, kan de situatie
ontstaan dat de dienstjaren bij vorige werkgevers niet meetellen bij de
toekenning van het recht op partner- en wezenpensioen bij de nieuwe werkgever.
Het gaat dan om situaties waarin artikel 10a van het UBLB geen mogelijkheid
biedt om deze jaren in aanmerking te nemen, bijvoorbeeld doordat geen
waardeoverdracht van het met de overige pensioenrechten verbonden kapitaal heeft
plaatsgevonden. Als gevolg van het tekort aan dienstjaren bij de nieuwe
werkgever zouden nabestaanden een tekort in het partner- en wezenpensioen
kunnen oplopen bij overlijden van de werknemer tussen de datum van de
verandering van dienstbetrekking en de pensioendatum. Ik acht dat uit sociaal
en maatschappelijk oogpunt ongewenst. Hierom keur ik met toepassing van artikel
63 van de AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat dienstjaren in de zin van artikel 10a van het UBLB bij vorige
werkgevers meetellen als pensioengevende diensttijd voor zover rechten op
partner- en/of wezenpensioen bij overlijden van de werknemer vóór de
pensioendatum op risicobasis zijn verzekerd en wel onder de volgende
voorwaarden:
1. In geval van een eindloonregeling is de maximale hoogte van het partner- en/of wezenpensioen
gelijk aan het aantal dienstjaren in de zin van artikel 10a van het UBLB
waarover pensioenopbouw mogelijk zou zijn geweest, vermenigvuldigd met 1,4%
(partnerpensioen), respectievelijk 0,28% (wezenpensioen) van het bereikbare
pensioengevende loon. Bij een middelloonregeling zijn die percentages
respectievelijk 1,58% (partnerpensioen) en 0,32% (wezenpensioen).
2. Het op risicobasis verzekerde partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum
bedraagt ten hoogste 50% van het bereikbare pensioengevende loon. Voor het
wezenpensioen geldt een maximum van 10%. Voor volle wezen geldt een maximum van
20%.
3. De maxima uit de voorwaarden 1 en 2 gelden met inachtneming van het bepaalde in artikel
18a, achtste lid, van de Wet LB (AOW-inbouw).
4. De maxima uit de voorwaarden 1 en 2 gelden met inachtneming van alle over de meetellende
dienstjaren verzekerde rechten op partner- en wezenpensioen (inbouw opgebouwde
c.q. verzekerde rechten). Als in het verleden een uitruil van de genoemde
rechten naar andere pensioenrechten heeft plaatsgevonden, geldt als
uitgangspunt de inbouw van de rechten op partner- en wezenpensioen op het
moment direct voorafgaand aan de ruil.
5. De belanghebbende moet op verzoek aannemelijk kunnen maken dat sprake is van
ontbrekende dienstjaren en van onvoldoende verzekering van het partner- en/of
wezenpensioen over die jaren.
3. Pensioengevend loon
3.1. Inleiding
Onderdeel 3 betreft de verduidelijking van het begrip ‘pensioengevend loon’, bedoeld in
artikel 10b van het UBLB, en de toepassing van dit begrip in bepaalde gevallen,
zoals bij een niet-regelmatig genoten loon. Het pensioengevend loon is zowel
van belang voor de hoogte van de fiscaal maximaal aanvaardbare jaarlijkse
opbouw van de pensioenaanspraken als voor de hoogte van de fiscaal maximaal
aanvaardbare pensioenaanspraken op de pensioendatum. In dit onderdeel zet ik
het (deels goedkeurende) beleid inzake pensioengevend loon uiteen.
Onderdeel 3.2 van dit besluit geeft eerst een algemene omschrijving van de
beloningsbestanddelen die samen het pensioengevend loon vormen. De omschrijving
is niet uitputtend. Subonderdeel 3.2.4 bevat een goedkeuring.
Onderdeel 3.3 gaat in op het pensioengevend loon in geval van niet regelmatig genoten
loon en bevat eveneens een goedkeuring. De onderdelen 3.4 tot en met 3.7
betreffen de toepassing van het pensioengevend loon bij achtereen volgens
demotie, deeltijd, arbeidsongeschiktheid, en bij verlof e.d. Onderdeel 3.5 bevat een goedkeuring.
Onderdeel 3.8 betreft het begrip bereikbaar pensioengevend loon.
3.2. Bestanddelen van het pensioengevend loon
Werkgever en werknemer plegen hun pensioenafspraken afhankelijk te maken van het
overeengekomen genoten (bruto) jaarsalaris in geld. In de praktijk is dit
jaarbedrag bij regelmatig genotensalaris het maand- of 4 wekensalaris (de
peilmaand of peilperiode), vermenigvuldigd met 12 of 13 en met een factor
wegens vakantiegeld en/of 13e maand. Voor het begrip pensioengevend loon is
echter uitgangspunt het fiscale loon (zie artikel 10b, eerste lid, van het
UBLB). Uiteraard is het toegestaan om uit te gaan van een lager pensioengevend
loon. Waar in het vervolg sprake is van het pensioengevend loon bedoel ik: het
fiscaal maximaal aanvaardbare pensioengevend loon. De wetgever bepaalt immers
niet de hoogte van het feitelijk pensioengevend loon, maar geeft alleen de fiscaal
maximale grenzen daarvan aan.
3.2.1. Loon in geld
Het fiscale loon als uitgangspunt betekent dat ook loonbestanddelen die niet tot
het overeengekomen salaris in geld maar wel tot het fiscale loon behoren, tot
het pensioengevend loon behoren. Ik wijs hierbij met name op de vergoeding door
de werkgever van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de
werkgeversbijdrage levensloopregeling voor werknemers die niet aan de
levensloopregeling deelnemen. Fictief loon als bedoeld in artikel 12a van de
Wet LB hoort echter conform de bestaande praktijk niet tot het pensioengevend
loon, ook niet als dit naderhand alsnog tot uitbetaling komt.
3.2.2. Niet in geld genoten loon
Aanspraken en verstrekkingen die tot het loon behoren, behoren tot het pensioengevend loon
voor de waarde die op grond van de Wet LB tot het fiscale loon behoort. Het ter
zake van een ter beschikking gestelde auto tot het loon gerekende voordeel
hoort echter niet tot het pensioengevend loon (zie artikel 10b, eerste lid,
eerste volzin, van het UBLB).
Vrijgestelde aanspraken en verstrekkingenhoren niet tot het loon en daarom niet tot het
pensioengevend loon. Een voorbeeld van een dergelijk vrijgesteld
loonbestanddeel is de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of ingevolge een
levensloopregeling.
3.2.3. Vergoedingen en verstrekkingen
Vrije vergoedingen en verstrekkingen behoren niet tot het loon. Ze behoren daarom ook
niet tot het pensioengevend loon. Zie evenwel onderdeel 4 wat betreft vrije
vergoedingen en verstrekkingen in het kader van een omruil van
beloningsbestanddelen. Een belaste kostenvergoeding of verstrekking behoort wel
tot het pensioengevend loon.
3.2.4. Ingehouden premies voor pensioen, VUT, werknemersverzekeringen en
levensloopsparen
Op het salaris ingehouden bijdragen of premies voor pensioen, VUT,
werknemersverzekeringen en levensloopsparen behoren in het algemeen niet tot
het loon (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet LB). Dit geldt
zowel voor verplichte bijdragen of premies als voor bijdragen voor vrijwillige
modules. Op grond van het hiervoor uiteengezette wettelijke systeem zou dit
betekenen dat deze premies en bijdragen ook niet tot het pensioengevend loon
behoren. De wetgever beoogde voor het pensioengevend loon evenwel in zijn
algemeenheid aan te sluiten bij het loon in de zin van de Wet LB vóór de
toepassing van de in artikel 11 van die wet toegestane inhoudingen (zie
Kamerstukken II 1997/98, 26 020, nr. 3, blz. 31).
Gelet hierop keur ik – in overeenstemming met de bestaande praktijk – op grond van artikel 63 van de AWR
het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat op het loon ingehouden bijdragen of premies voor pensioen, VUT, werknemersverzekeringen en de levensloopregeling
tot het pensioengevend loon behoren. De inhouding van deze premies en bijdragen
leidt dus niet tot een verlaging van het pensioengevend loon.
3.2.5. Eindheffingsbestanddelen
Eindheffingsbestanddelen behoren op grond van de wetsystematiek tot het loon. Voorwaarde is uiteraard
wel dat de desbetreffende eindheffingsbestanddelen individualiseerbaar zijn.
Ook spaarloon behoort dus tot het pensioengevend loon.
3.3. Pensioengevend loon voor de 100%-toets in geval van niet-regelmatig genoten
loon
Variabele loonbestanddelen behoren – behalve in een eindloonstelsel (zie artikel 10b, tweede
lid, van het UBLB) – ook tot het pensioengevend loon. Door het wegvallen of de
afname van variabele loonbestanddelen aan het eind van de loopbaan kan het
pensioengevend loon in die jaren lager zijn dan het pensioengevend loon in
eerdere jaren. Dit doet zich vooral voor bij een combinatie van
pensioenstelsels binnen één dienstbetrekking waarbij het regelmatige loon de
basis vormt voor een eindloonregeling. De pensioenopbouw over de variabele
delen gebeurt dan in een middelloonregeling of in een beschikbare-premiesysteem.
In dergelijke situaties is een voortgezette pensioenopbouw niet altijd mogelijk
als gevolg van de zogenoemde 100%-grens (zie artikel 18a, vierde, vijfde en
zevende lid, van de Wet LB). Naar mijn oordeel is het redelijk om die gevolgen in
deze situaties te matigen. Daarom keur ik voor zover nodig op grond van artikel
63 van de AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur voor de hiervoor bedoelde situaties goed dat het
pensioengevend loon bij de toetsing aan de zogenoemde 100%-grens wordt verhoogd.
Deze verhoging bestaat ten hoogste uit het totaal van de variabele
loonbestanddelen waarover in het verleden pensioen is opgebouwd, gedeeld door
de totale diensttijd.
Voorbeeld
Gegevens:
- combinatie van eindloonregeling (EL, basisregeling) en middelloonregeling (ML, variabele
beloningen);
- in de regelingen vastgestelde ingangsdatum ouderdomspensioen (OP): 65 jaar;
- vaste beloning 25–64 jaar: € 50.000 per jaar, opbouw hierover via EL;
- variabele beloning 25–54 jaar: gemiddeld € 25.000 per jaar, opbouw hierover via ML;
- geen toepassing demotieregeling;
- het voorbeeld houdt omwille van de eenvoud geen rekening met de AOW franchise.
Uitwerking:
| Leeftijden |
Soort regeling |
Opbouw |
OP |
| 25 – 54 jr. |
Basis (EL) |
30 * 2% * € 50.000 |
€ 30.000 |
| Variabel (ML) |
30 * 2,25% * € 25.000 |
€ 16.875 |
|
| 54 – 64 jr. |
Basis (EL) |
10 * 2% * € 50.000 |
€ 10.000 |
|
Totaal OP 65 jaar |
€ 56.875 |
Pensioengevend loon op ingangsdatum zonder verhoging: € 50.000.
Pensioengevend loon op ingangsdatum met verhoging: € 50.000 + ((30 *€ 25.000)/40) = € 68.750.
Dit voorbeeld laat zien dat de opbouw zonder verhoging van het pensioengevend loon
al vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd had moeten stoppen wegens het
bereiken van de 100%-grens. In dat geval dient men de uitkering te bevriezen of
al vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd (actuarieel gekort) te laten
ingaan. Door de verhoging van het pensioengevend loon op ingangsdatum met €
18.750 komt de toetsing aan de 100%-grens in het voorbeeld pas aan de orde bij
het bereiken van de pensioendatum van 65 jaar.
Het voorgaande betekent niet, dat in de jaren waarin de variabele beloning is
weggevallen of afgenomen, opbouw over een hoger pensioengevend loon kan
plaatsvinden dan het in dat jaar feitelijk genoten pensioengevend loon. De
maximale pensioenopbouw per jaar bedraagt in het bovenstaande voorbeeld
gedurende die periode dus maximaal 2%* € 50.000 = € 1000.
3.4. Pensioengevend loon bij demotie
Bij het vaststellen van het pensioengevend loon mag een
loonsverlaging als gevolg van het terugtreden naar een lager gekwalificeerde
functie (demotie) buiten beschouwing blijven, als deze plaatsvindt in de
periode die aanvangt tien jaar direct voorafgaande aan de in de
pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum (hierna: tienjaarsperiode; zie
artikel 10b, derde lid, van het UBLB). Dit betekent dat een verlaging van het
loon in dit geval niet leidt tot een verlaging van het pensioengevend loon. Het
voorgaande geldt ook voor de periode na de in de pensioenregeling vastgestelde
ingangsdatum. Dit is van belang in het geval van uitstel van de ingangsdatum
van het pensioen.
Het loon dat de werknemer genoot voor aanvang van de demotieperiode en dat uitgangspunt
voor het pensioengevend loon blijft, mag worden geïndexeerd met de loonindex in
de bedrijfstak tijdens de demotieperiode. Hierdoor ondervindt de werknemer geen
nadeel voor wat betreft zijn pensioen als gevolg van de demotie. Dit is in
overeenstemming met doel en strekking van artikel 10b, derde lid, van het UBLB,
om oudere werknemers zo lang mogelijk aan het arbeidsproces deel te laten
nemen. Hierbij merk ik nog op dat hoewel in aansluiting op de wettekst het
fiscale loon (en niet het salaris) uitgangspunt is voor het pensioengevend
loon, het geen bezwaar ontmoet als in aansluiting op de praktijk het loon in
geld, c.q. het privaatrechtelijk of publiekrechtelijk overeengekomen salaris
uitgangspunt voor de indexatie is.
3.5. Pensioengevend loon voor de 100%-toets bij vermindering van de omvang van het
dienstverband
Bij een vermindering van de omvang van het dienstverband zal het totaal van de
opgebouwde pensioenaanspraken in veel gevallen hoger zijn dan de fiscaal
maximale pensioenaanspraak. Dit is alleen anders in de situatie, bedoeld in
artikel 10a, vierde lid, van het UBLB, wanneer de vermindering van werktijd
plaatsvindt binnen 10 jaar voor de pensioendatum.
Als de overschrijding van de fiscaal maximale pensioenaanspraak alleen het gevolg is
van het werken in deeltijd en gedurende de loopbaan de pensioenopbouw steeds
fiscaal aanvaardbaar is geweest, is deze uitkomst naar mijn oordeel niet
gewenst en onredelijk. Hierom keur ik op grond van artikel 63 van de AWR het
volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur voor de toetsing aan de zogenoemde 100%-grens
goed dat in deze situaties het pensioengevend loon op de pensioendatum door
middel van een gewogen deeltijdfactor wordt herrekend naar een hoger
aanvaardbaar pensioengevend loon. Het product van de gewogen deeltijdfactor en
het naar een voltijdsalaris herrekende pensioengevend loon op de pensioendatum
is dan het pensioengevend loon voor de toetsing van de hoogte van de fiscaal
maximaal aanvaardbare pensioenaanspraken.
Voorbeeld
Een werknemer werkt eerst 20 jaar voor 100%, vervolgens 5 jaar voor 70% en de
laatste 15 jaar voor 50%. Het feitelijk pensioengevend loon op basis van 50%
bedraagt op de pensioendatum € 25.000.
Uitwerking:
De gewogen deeltijdfactor bedraagt:
| (20/40 × 100%) |
+ (5/40 × 70%) |
+ (15/40 × 50%) |
= |
| 50% |
+ 8,75% |
+ 18,75% |
= 77,50% |
Het voltijd pensioengevend loon op de pensioendatum zou 100%/50% × € 25.000 = € 50.000 bedragen. Het pensioengevend loon voor de 100%-toets van art. 18a, zevende lid, van de Wet LB, bedraagt dan: 77,50% × € 50.000 = € 38.750.
3.6. Pensioengevend loon bij arbeidsongeschiktheid
Bij het vaststellen van het pensioengevend loon mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven,
voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid (zie artikel 10b, vierde lid, van het UBLB).
Daarbij mag men het loon dat de arbeidsongeschikte genoot voor aanvang van de
arbeidsongeschiktheid indexeren met de loonindex in de bedrijfstak tijdens de
arbeidsongeschiktheidsperiode.
3.7. Pensioengevend loon in perioden van verlof e.d.
In bepaalde perioden van verlof e.d. die als diensttijd
meetellen, komt het voor dat een werknemer geen loon of een lager loon dan
voorheen geniet. Deze situatie kan zich voordoen in de in artikel 10a, eerste
lid, onderdelen a, c t/m e en g, van het UBLB, bedoelde perioden van verlof,
VUT, prepensioen of verzorging of perioden na ontslag. Op grond van de
parlementaire behandeling van de Wet fiscale behandeling van pensioenen (zie
Kamerstukken II 1997/98, 26 020, nr. 3,
blz. 30/31) mag in deze situatie echter worden uitgegaan van het voordien (of direct na het verlof) genoten loon.
Voor de vraag wanneer een periode van verlof meetelt als diensttijd, verwijs ik naar
onderdeel 2.2 van dit besluit.
3.8. Bereikbaar pensioengevend loon
Als de werknemer overlijdt vóór de pensioendatum mag voor
het partner- en wezenpensioen als uitgangspunt gelden het aantal dienstjaren
dat de werknemer tot aan de pensioendatum had kunnen bereiken (bereikbare
dienstjaren) en het bereikbaar pensioengevend loon. Het bereikbaar
pensioengevend loon is het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen
de voor hem vastgestelde loopbaanontwikkeling had kunnen bereiken in de functie
die door hem werd uitgeoefend.
Bij de vaststelling van het bereikbaar pensioengevend loon mag men voor de diensttijd
vanaf het overlijden tot aan de pensioendatum die bij in leven zijn zou hebben
gegolden, rekening houden met naar redelijkheid te bepalen niet regelmatig
genoten (variabele) loonbestanddelen. Dit variabele loon kan men in ieder geval
stellen op het gemiddelde variabele loon van de laatste 5 jaar voor het
overlijden.
4. Ruil van beloningsbestanddelen
4.1. Inleiding
Hierna volgt een verduidelijking van het begrip pensioengevend loon bij toepassing van
de zogenoemde cafetariaregelingen. Dit zijn regelingen op grond waarvan een
werknemer een keuze kan maken met betrekking tot de vorm van de te genieten
beloning. De keuzemogelijkheden doen zich voor in de vorm van geld,
verstrekkingen in natura, kostenvergoedingen of vrije tijd. De
cafetariaregeling maakt een onderlinge ruil van deze vormen mogelijk. Veel
voorkomende keuzemogelijkheden zijn onder meer: een fiets voor
woon-werkverkeer, bepaalde kostenvergoedingen, vrije dagen, kinderopvang,
vergoeding van vakbondscontributies en aanvullingen op pensioenregelingen.
In mijn besluit van 7 december 2005, nr. CPP2005/2518M,
heb ik met betrekking tot de realiteitswaarde van wijzigingen van beloningen al aangegeven aan welke
voorwaarden een ruil moet voldoen om fiscaal erkenning te krijgen. In dat
besluit heb ik voorts vermeld dat een verlaging van het loon bij een dergelijke
ruil in het algemeen gevolgen heeft voor de pensioengrondslag. Betrokkenen
dienen deze consequentie, voor zover aanwezig gelet op de ter zake geldende
regeling, volgens genoemd besluit bewust te aanvaarden.
Als ik hierna het begrip vrije vergoeding vermeld, bedoel ik daarmee ook een vrije
verstrekking. Het begrip verstrekking omvat ook een terbeschikkingstelling.
4.2. Verlaging van het pensioengevend loon
Een verlaging van het loon bij een ruil van beloningsbestanddelen moet in beginsel
leiden tot een aanpassing van het pensioengevend loon. Zo dient bijvoorbeeld
een omzetting van loon in een vrije vergoeding in beginsel te leiden tot een
verlaging van het pensioengevend loon omdat de vrije vergoeding niet tot het
loon behoort. Dit geldt ook als de omzetting plaatsvindt in een andere maand
dan de peilmaand. Het gebruik van een peilmaand geschiedt immers uit oogpunt
van administratieve vereenvoudiging en kan niet het beginsel van een juiste
pensioenmaatstaf opzij zetten. Het voorgaande geldt ook bij een tijdelijke
omzetting in het kader van een cafetariaregeling.
4.3. Onder voorwaarden geen verlaging van het pensioengevend loon
De onder 4.2. bedoelde verlagingen van het pensioengevend loon kunnen leiden tot
omvangrijke en bewerkelijke administratieve aanpassingen bij
inhoudingsplichtigen en pensioenuitvoerders. Dit is extra bezwaarlijk bij tijdelijke
omzettingen. Bij een eindloonregeling heeft een dergelijke aanpassing van het
pensioengevend loon bovendien ook slechts een tijdelijk effect als de werknemer
na één of meer jaren weer zijn oorspronkelijke loon in geld gaat genieten.
Gelet hierop keur ik op grond van artikel 63 van de AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur voor alle soorten pensioenstelsels goed dat een
op grond van onderdeel 4.2. geboden verlaging van het pensioengevend loon bij
een verlaging van het loon achterwege blijft voorzover is voldaan aan de
volgende voorwaarden:
1. Er is sprake van een schriftelijk vastgelegde regeling waaraan de deelname open staat voor
ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of
functionele eenheid van de inhoudingsplichtige.
2. Het betreft een regeling waarbij de verlaging van het fiscale loon tijdelijk is, dus niet
structureel. De werknemer moet ten minste één keer per jaar de keuze hebben om
de samenstelling van zijn beloning te wijzigen.
3. Het betreft de ruil van loon tegen uitsluitend een of meer van de volgende
beloningsbestanddelen:
a. vrije vergoedingen op grond van een ruil die voldoet aan de voorwaarden van mijn besluit van
7 december 2005, nr. CPP2005/2518M;
b. verminderingen van de arbeidstijd tot een maximum van 10% van de overeengekomen arbeidsduur.
4.4. Nadere toelichting goedkeuring
4.4.1. Driekwart-eis
De voorwaarde dat de regeling open staat voor ten minste driekwart van de
werknemers geldt voor elk beloningsbestanddeel als bedoeld in punt 3 van
onderdeel 4.3 afzonderlijk. Zo moet bijvoorbeeld een ruil van loon voor een
verhuiskostenvergoeding in een cafetariaregeling in beginsel open staan voor
ten minste driekwart van de werknemers. Hieraan doet niet af dat een
daadwerkelijke ruil alleen mogelijk is voorwerknemers die verhuizen.
4.4.2. Vrije vergoedingen
Tot de vrije vergoedingen, bedoeld in onderdeel 4.3, onder punt 3a, behoren vrije
vergoedingen in verband met extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land
van herkomst (extraterritoriale kosten), als bedoeld in artikel 15a, eerste
lid, onderdeel j, van de Wet LB.
4.4.3. Vermindering van arbeidstijd en deeltijd
In onderdeel 4.3 is onder punt 3 de mogelijkheid opgenomen van vermindering van de
arbeidstijd tot een maximum van 10% van de overeengekomen arbeidsduur.
Deze vermindering van arbeidstijd is niet hetzelfde als het werken in deeltijd,
waarop onderdeel 3.5 betrekking heeft.
4.4.4. Gebruikelijk loon en cafetariaruimte
Gelet op artikel 19 van de Wet LB mag het verschil tussen het in onderdeel 3 van dit besluit
omschreven pensioengevend loon zonder toepassing van deze goedkeuring (de
grondslag) en het verlaagde pensioengevend loon volgens onderdeel 4.2, niet
meer bedragen dan 30% van de grondslag (hierna te noemen: de cafetariaruimte).
Voor werknemers die gebruik maken van de demotieregeling van artikel 10b, derde
lid, van het UBLB, geldt als grondslag niet het pensioengevend loon dat
resulteert na toepassing van de demotieregeling, maar het pensioengevend loon
zoals dat zou gelden als artikel 10b, derde lid, van het UBLB, geen toepassing
zou vinden.
Voorts kan artikel 19 van de Wet LB in voorkomend geval de cafetariaruimte beperken
als het gebruikelijke loon in de beroepsgroep van de werknemer hoger is dan
zijn loon vóór toepassing van een cafetariaregeling. In dat geval zou het
verschil tussen het gebruikelijke loon en het feitelijk genoten loon na
toepassing van een cafetariaregeling meer kunnen bedragen dan 30% van het
gebruikelijke loon. Artikel 19 voorkomt dit. Op grond van dat artikel is er
slechts ruimte voor deelname aan een cafetariaregeling zonder aanpassing van
het pensioengevend loon voor zover dat systeem een feitelijk genoten loon
oplevert dat niet lager is dan 70% van het in de beroepsgroep gebruikelijke
loon.
Om de uitvoeringspraktijk niet onnodig te belasten met het toetsen van de hoogte van
het gebruikelijke loon, keur ik goed dat de inhoudingsplichtige er in de regel
van uitgaat dat het gebruikelijke loon gelijk is aan het oorspronkelijke
pensioengevend loon zoals omschreven in onderdeel 3.2 (hoofdregel). De
gebruikelijkheidstoets zal dan ook doorgaans achterwege kunnen blijven. Dit is
slechts anders indien de werknemer tevens aanmerkelijk belanghouder is in de
zin van artikel 12a van de Wet LB (uitzondering). Bij deze werknemers kan
immers niet zonder meer worden aangenomen dat de vaststelling van de hoogte van
het salaris op zakelijke gronden heeft plaatsgevonden. Desgevraagd zal bij deze
categorie werknemers bij de toepassing van onderdeel 4.3 dan ook aannemelijk
moeten worden gemaakt dat het verschil tussen het gebruikelijke loon en het
verlaagde pensioengevend loon zoals dit zou dienen te worden vastgesteld op
basis van onderdeel 4.2 niet groter is dan 30% van het gebruikelijke loon.
5. Pensioenopbouw in eigen beheer
5.1. Inleiding
Artikel 10c van het UBLB bevat voorschriften voor de pensioenopbouw van werknemers van
wie de werkgever (inhoudingsplichtige) de pensioenaanspraken geheel of deels in
eigen beheer houdt. Dat betekent dat de werkgever de pensioenen van deze
werknemers niet of niet volledig verzekert bij een externe verzekeraar
(pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij). De werknemers zijn veelal
directeuren-grootaandeelhouders. Dit onderdeel geeft de kaders aan voorde
vaststelling van de pensioenbijdragen bij eigen beheer. Daarnaast besteedt dit
onderdeel aandacht aan de verdeling van de pensioenbijdragen over werkgever en
werknemer bij eigen beheer.
5.2. Vaststelling van de pensioenbijdragen
Pensioenbijdragen bij eigen beheer zijn afhankelijk van een deel van de bedrijfseconomische kosten
van de pensioenregeling. Bij de vaststelling van die kostenspelen de fiscale
waarderingsvoorschriften in de sfeer van de winstbepaling in de inkomsten- en
vennootschapsbelasting geen rol. De bedrijfseconomische kosten van de
pensioenregeling vallen uiteen in twee categorieën:
- kosten die samenhangen met de door de werknemer verrichte arbeid; het gaat hier om de
kosten die de werkgever maakt als werkgever;
- kosten die voortvloeien uit het feit dat het pensioen in eigen beheer wordt gehouden; het
gaat hier om de kosten die de werkgever maakt als verzekeraar van het pensioen.
De laatstgenoemde kosten bestaan uit de kosten van de actuariële oprenting van de waarde van de opgebouwde aanspraken. Deze kosten behoren niet tot de pensioenbijdragen als bedoeld in artikel 10c, onderdeel b, van het UBLB. Buiten de gevallen van eigen beheer draagt immers de externe verzekeraar deze kosten. De vaststelling van de pensioenbijdragen bij eigen beheer vindt daarom uitsluitend plaats aan de hand van de eerstgenoemde kostencategorie. Dat zijn de relevante kosten van de pensioenregeling.
5.2.1. Berekening relevante kosten van de pensioenregeling
De volgende kaders gelden voor de berekening van de relevante kosten van de
pensioenregeling:
a. Als de pensioenregeling een eindloonregeling is, mag de werkgever eventuele
backservicekosten in aanmerking nemen. Backservicekosten zijn de kosten van
aanpassing van de pensioenaanspraken aan een eventuele loonstijging. De
werkgever mag de backservicekosten meetellen in het jaar waarin de loonstijging
plaatsvindt.
b. De werkgever kan de kosten van een recht van de werknemer op een toekomstige aanpassing door
indexatie opnemen in de jaarlijkse vaststelling van de pensioen bijdrage. Bij
een toegekende open indexatie kan de werkgever de hoogte van de jaarlijkse
kosten van de pensioenregeling bepalen door een keuze te maken uit de volgende
twee grootheden:
- de waarde van de in het jaar opgebouwde pensioenaanspraak tegen een netto rekenrente van
4% zonder indexatie;
- de waarde van de in het jaar opgebouwde pensioenaanspraak tegen de marktrente die op de
balansdatum geldt voor langlopende leningen met een fictieve vaste na-indexatie
van 2%.
5.2.2. Extern verzekerde pensioenaanspraken
Het voorgaande geldt niet voor een eventueel deel van de pensioenaanspraak dat
verzekerd is bij een externe verzekeraar, bijvoorbeeld een pensioenfonds, een
verzekeringsmaatschappij, een directiepensioenlichaam of een (tussen)holding.
Voor dat deel van de aanspraak zijn de kosten gelijk aan de op basis van een
zakelijke overeenkomst met de externe verzekeraar bepaalde pensioenbijdragen.
5.3. Eigen bijdrage bij inkoop van pensioen
De bedragen die de werkgever op grond van de pensioenregeling inhoudt, mogen niet
hoger zijn dan wat hij zelf aan de regeling bijdraagt (zie artikel 10c,
onderdeel b, van het UBLB). De achtergrond van die bepaling is het feit dat een
dergelijke premieverdeling in collectieve regelingen gebruikelijk is. Bij een
inkoop van pensioen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel f, of
artikel 10a, tweede lid, van het UBLB, is echter in collectieve regelingen
gebruikelijk dat de werknemer de kosten daarvan volledig zelf draagt. Een
redelijke toepassing van artikel 18h van de Wet LB brengt dan met zich dat bij
eigen beheer de werknemer in een dergelijk geval ook maximaal de volledige
inkoop van pensioen zelf kan dragen door inhouding op zijn loon.
6. Overgangsrecht prepensioen en overbruggingspensioen
6.1. Inleiding
Dit onderdeel is van belang voor prepensioenen en
overbruggingpensioenen waarop het overgangsrecht van artikel 38d
respectievelijk 38f van de Wet LB van toepassing is.
6.2. Opbouw van een prepensioen of een overbruggingspensioen stopt vóór de
(pre)pensioendatum (artikel 38a (oud), tweede lid, onderdeel d, en artikel 18e
(oud), eerste lid, onderdeel b, Wet LB)
De opbouw van een prepensioen moet tijdsevenredig plaatsvinden in ten minste tien
jaren onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van het prepensioen (zie
artikel 38a (oud), tweede lid, onderdeel d, van de Wet LB). Opbouw van het
overbruggingspensioen dient tijdsevenredig plaats te vinden direct voorafgaande
aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen (zie artikel 18e (oud), eerste
lid, onderdeel b, van de Wet LB).
Volgens de letterlijke tekst van de wet betekent dit dat de opbouwperiode van het
prepensioen of het overbruggingspensioen moet doorlopen tot aan de
(pre)pensioendatum. Uit de wetsbehandeling valt evenwel af te leiden dat de
uitdrukking ‘direct voorafgaande’ in artikel 18e (oud), eerste lid, onderdeel
b, van de Wet LB, slechts beoogt te voorkomen dat pensioenlasten in de tijd
naar voren worden gehaald (zie Wet fiscale behandeling van pensioenen,
Kamerstukken I, 26 020, nr. 104b, blz. 18). Voor de uitdrukking ‘onmiddellijk
voorafgaande’ in artikel 38a (oud), tweede lid, onderdeel d, van de Wet LB,
geldt hetzelfde. Gelet hierop keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR
het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat partijen in een regeling de opbouw van
een prepensioen of een overbruggingspensioen beëindigen op een datum vóór de
ingangsdatum van het prepensioen of het ouderdomspensioen. Hierbij geldt als
voorwaarde dat dit niet leidt tot bovenmatigheid van de jaarlijkse opbouw.
Daartoe dient toetsing plaats te vinden van de opbouw aan de wettelijke maxima
onder de veronderstelling dat de opbouw wel doorloopt tot aan de ingangsdatum
van het prepensioen of het ouderdomspensioen. Het feit dat de pensioenopbouw
eerder stopt dan op de (pre)pensioendatum mag dus niet tot gevolg hebben dat de
opbouw per jaar (in een of meer jaren) hoger wordt dan wettelijk is toegestaan
bij een regeling waarin wel opbouw tot aan de (pre)pensioendatum plaatsvindt.
Als het opbouwpercentage het wettelijk toegestane opbouwpercentage per
dienstjaar niet overschrijdt, valt aan te nemen dat geen motief aanwezig is om
lasten naar voren te halen.
Voorbeeld
Gegevens:
Een prepensioenregeling heeft een prepensioenleeftijd van
63 jaar. De opbouwperiode van het prepensioen loopt van 25 tot 60 jaar. De
opbouw per jaar is 2% op eindloonbasis. Bij een volledige deelnametijd (35
jaar) bedraagt de opbouw van het prepensioen 70% van het laatstgenoten loon.
Uitwerking:
De toetsing van deze regeling geschiedt aan de hand van
de fictieve opbouw van een fiscaal maximaal prepensioen bij een opbouwperiode
die doorloopt tot de ingangsdatum van het prepensioen (63 jaar). De in
aanmerking te nemen opbouwperiode is dan 38 jaar. De fiscaal maximale opbouw
zou bij een dergelijke opbouwperiode 2,24% per jaar bedragen (85% / 38).
Omdat de jaarlijkse opbouw van 2% blijft onder het niveau van de fiscaal maximale
opbouw per jaar bij voortzetting daarvan tot de ingangsdatum van het
prepensioen op 63 jaar, leidt de beëindiging van de opbouw op 60 jaar niet tot
onzuiverheid van de prepensioenregeling.
6.3. Overlijdensuitkeringen uit een prepensioenregeling (artikel 38a (oud),tweede
lid, Wet LB)
In een aantal gevallen bevat een prepensioenregeling als
bedoeld in artikel 38a (oud) van de Wet LB een recht op een
overlijdensuitkering indien de gerechtigde overlijdt vóór de einddatum van het
prepensioen. Deze overlijdensuitkering dient voor een (verhoging van het)
partnerpensioen (zie artikel 18b van de Wet LB) of voor een (verhoging van het)
wezenpensioen (artikel 18c van de Wet LB).
Naar haar aard kan een regeling voor prepensioen echter geen overlijdensuitkering
bevatten. Op grond van artikel 38a (oud), tweede lid, van de Wet LB kan een
prepensioenregeling uitsluitend een voorziening bevatten die gericht is op
vervroegde uittreding. De uitkering aan de nabestaanden vormt dan ook geen
uitzonderlijk geval van restbegunstiging (zie artikel 18, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet LB). Met toepassing van artikel 63 van de AWR keur ik evenwel het
volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de bedoelde mogelijkheid van een
overlijdensuitkering in de prepensioenregeling is opgenomen onder de volgende
voorwaarden:
- De overlijdensuitkering dient tot vestiging of aanvulling van een partnerpensioen
of wezenpensioen dat blijft binnen de reguliere grenzen van artikel 18b of
artikel 18c van de Wet LB.
- De werkgever of de pensioenuitvoerder is als begunstigde aangewezen voor het meerdere dat
uitgaat boven de genoemde grenzen.
De tweede voorwaarde voorkomt oververzekering. Oververzekering van partnerpensioen en wezenpensioen kan plaatsvinden als bij de opbouw van deze pensioenen zelf geen rekening is gehouden met deze mogelijke aanvulling uit de prepensioenregeling. Oververzekering leidt tot onzuiverheid van de pensioenregeling. De begunstiging van de werkgever of de pensioenuitvoerder voor het meerdere voorkomt in dat geval toepassing van artikel 19b van de Wet LB.
6.4. Overschrijden 100%-grens prepensioen door indexatie of waardeoverdracht
(artikel 38a (oud), zevende lid, Wet LB)
Een prepensioen kan niet meer bedragen dan 100% van het pensioengevend loon. Dat
geldt ook als de bepalingen over de toegestane overschrijdingen van de in de
wet opgenomen maxima van overeenkomstige toepassing zijn (zie artikel 38a
(oud), zevende lid, en artikel 18d van de Wet LB). Toepassing van artikel 18d
van de Wet LB mag dus niet leiden tot een hoger prepensioen dan 100% van het
pensioengevend loon. Volgens de letter van de wet is deze 100%-grens van
toepassing voor alle in artikel 18d van de Wet LB genoemde mogelijkheden.
Onverkorte toepassing van dit wettelijke uitgangspunt kan evenwel in twee gevallen
onredelijk uitwerken. Dat is maatschappelijk ongewenst. Die gevallen zijn:
- aanpassing van het prepensioen aan de loon- of prijsontwikkeling (indexatie);
- overdracht van pensioenkapitaal naar een prepensioenregeling.
In deze gevallen heeft de werknemer namelijk de overschrijding niet (volledig) in eigen hand.
Het gevolg hiervan kan zijn dat
een werknemer die deelneemt aan een prepensioenregeling op basis van een
middelloon- of eindloonstelsel zijn prepensioen niet kan optimaliseren door indexatie
of waardeoverdracht. Bij de andere overschrijdingen die artikel 18d noemt
(variabilisering en uitruil) heeft de werknemer wel zelf invloed op de
overschrijding. In die gevallen is geen sprake van een onredelijke
wetstoepassing.
In verband met het voorgaande keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR het
volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de 100%-grens van artikel 38a (oud), zevende lid, van de Wet LB niet
geldt voor de toepassing van artikel 18d, eerste lid, onderdelen a (indexatie) en c
(waardeoverdracht), van de Wet LB.
7. Loonstamrechten
7.1. Inleiding
Dit onderdeel betreft de toepassing van de stamrechtvrijstelling op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de
Wet LB.
7.2. Werkgever werkt niet mee aan toekennen stamrecht
In de praktijk komt het voor dat een werkgever bij ontslag van een werknemer niet
bereid is mee te werken aan een ontslagvergoeding in de vorm vaneen stamrecht,
maar slechts bereid is tot het betalen van een éénmalige afkoopsom in geld. Op
grond van de wettekst is de medewerking van de werkgever echter wel vereist
voor toepassing van de stamrechtvrijstelling (artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, van de Wet LB). Niettemin acht ik het gewenst ook in die gevallen de
werknemer de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van de
stamrechtvrijstelling. In verband hiermee keur ik met toepassing van artikel 63
van de AWR het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat de stamrechtvrijstelling ook zonder de
medewerking van de werkgever in ontslagsituaties wordt toegepast, onder de
navolgende voorwaarden:
- de werkgever betaalt de afkoopsom aan de werknemer uit tegen de uitdrukkelijke wil van de
werknemer in;
- de werknemer toont aan dat hij aan de werkgever kenbaar heeft gemaakt dat hij gebruik wenste
te maken van de stamrechtvrijstelling, vóórdat de afkoopsom door hem werd
ontvangen;
- de werknemer toont aan dat hij binnen drie maanden nadat hij de afkoopsom heeft ontvangen
initiatieven heeft ondernomen om de afkoopsom alsnog aan te wenden als koopsom
voor een stamrecht;
- de uitkeringen uit het stamrecht worden beschouwd als loon in de zin van artikel
10, eerste lid, van de Wet LB, in de vorm van inkomsten uit vroegere arbeid;
- als het stamrecht wordt ondergebracht bij een verzekeraar in de zin van artikel 19a,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB, wordt deze verzekeraar voor de
toepassing van artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
beschouwd als degene van wie het stamrecht is bedongen;
- de verzekeraar van het stamrecht verklaart schriftelijk tegenover de inspecteur
die bevoegd is ten aanzien van de werknemer, dat hij ermee akkoord gaat dat het
recht wordt gelijkgesteld met een stamrecht als bedoeld in artikel 11, eerste
lid, onderdeel g, van de Wet LB;
- ter zake van de verwerving van het stamrecht wordt voor de loonheffingen en
inkomstenbelasting geen enkele aftrek op het inkomen toegepast.
- de eventueel ingehouden loonheffingen kunnen op het moment dat deze via een aanslag of
bezwaar tegen de inhouding worden terugontvangen van de Belastingdienst alsnog
worden gebruikt als aanvullende koopsom voor het stamrecht indien deze
aanvullende koopsom bij de verzekeraar wordt gestort binnen een termijn van
drie maanden na de terugontvangst van de loonheffingen.
De toepassing van deze goedkeuring mandateer ik aan de bevoegde inspecteurs van de belastingdienst, aan wie ook de verzoeken kunnen worden gericht.
8. Ingetrokken regeling(en)
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de
inwerkingtreding van dit besluit:
- besluit van 2 juli 1999, DB99/1896M;
- besluit van 21 december 2000, CPP2000/3040M;
- besluit van 9 augustus 2001, RTB2001/2390M;
- besluit van 22 februari 2002, CPP2001/3047M;
- besluit van 27 november 2002, CPP2002/896M;
- besluit van 1 april 2003, CPP2002/2980M;
- besluit van 27 augustus 2003, CPP2003/233M;
- besluit van 29 augustus 2003, CPP2003/530M;
- besluit van 10 februari 2004, CPP2003/1610M;
- besluit van 9 maart 2004, kennisgeving DGB2004/1265M (Stcrt. 2004/45);
- besluit van 22 april 2004, CPP2003/2794M;
- besluit van 8 juli 2004, CPP2004/244M;
- besluit van 12 januari 2005, CPP2004/2422M.
9. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 8 september 2008.
De Staatssecretaris van Financiën,namens deze:
de directeur-generaal Belastingdienst, J. Thunnissen